Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:6650

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
03-08-2022
Zaaknummer
21-002083-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof legt een gevangenisstraf op van 18 maanden. Verdachte was medeplichtig aan het medeplegen van de productie van amfetamine in een door hem voor dat doel gehuurde schuur. Het hof gelooft de verklaring van verdachte niet dat hij niet wist dat er een drugslaboratorium in deze schuur werd geëxploiteerd. Ook volgt het hof verdachte niet in zijn verklaring dat hij gedwongen zou zijn geweest door bedreigingen om het pand te huren. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte wist van het drugslaboratorium in de door hem ter beschikking gestelde schuur en dat hij zich daar bewust mee inliet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002083-21

Uitspraak d.d.: 3 augustus 2022

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 29 april 2021 met parketnummer 18-286401-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1955,

thans uit anderen hoofde verblijvende in [PI] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 10 februari, 13 juli en 3 augustus 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. V.P.J. Tuma, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 29 april 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde, medeplichtigheid aan het medeplegen van de productie van amfetamine, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden en een geldboete van € 20.000,-, subsidiair 153 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het op onderdelen tot een andere bewijsbeslissing en tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 21 maart 2020 tot en met 1 mei 2020 te [plaats] , althans (ook) (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk (in een drugslab in een schuur gelegen op of aan de [adres] te [plaats] ) heeft/hebben bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd (B), en/of vervaardigd (D), en/of

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (C), (een (hoeveelhe(i)d(en)) van (een) materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 21 maart 2020 tot en met 1 mei 2020 te [plaats] en/of [plaats] , althans (ook) (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] onbekend gebleven perso(o)n(en) voornoemd pand/panden/schuur voor de productie van amfetamine, althans harddrugs, ter beschikking te stellen;

subsidiair
hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 21 maart 2020 tot en met 1 mei 2020 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het derde of vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten

- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren (B), en/of

- vervaardigen (D), en/of

- buiten het grondgebied van Nederland brengen (A), en/of

- aanwezig hebben (C),

van een of meer hoeveelhe(i)d(en) amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van het/die delict(en), immers, heeft hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) in de periode van 21 maart 2020 tot en met 1 mei 2020 te [plaats] en/of [plaats] ,

- een pand/panden/schuur aan de [adres] [plaats] voor de productie van amfetamine, althans harddrugs, ter beschikking gesteld;

meer subsidiair
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 21 maart 2020 tot en met 1 mei 2020 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het derde of vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten

- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren (B), en/of

- vervaardigen (D), en/of

- buiten het grondgebied van Nederland brengen (A), en/of

- aanwezig hebben (C),

van een of meer hoeveelhe(i)d(en) amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van het/die delict(en),

immers, heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), in voornoemde periode en op een of meer van voornoemde pleegplaatsen (telkens),

(LFO-rapport d.d. 12 oktober 2020, drugslab te [plaats] op 1 mei 2020)

- een (complete) laboratorium-opstelling / productieplaats (drugslab) opgezet, bedoeld voor de productie van BMK (Benzylmethylketon) en/of amfetamine (gereed om in gebruik te worden genomen), waarbij

x. reeds BMK was geproduceerd met behulp van de preprecursor MAPA (conclusie LFO), en/of

x. BMK was omgezet in N-formylamfetamine en/of amfetamine (in 12 liter sterk zure vloeistof) (conclusie LFO en L-22), en/of

x. de aangetroffen apparatuur geschikt was voor de productie van 275 tot 367 kilogram onversneden amfetamine pasta (per ketel en/of bij een vullingsgraad van 50%) (conclusie LFO), en/of

- in dat drugslab (in ieder geval) de volgende voorwerpen/producten gebruikt en/of bereid en/of voorhanden gehad, te weten

x. (in totaal) circa 36 liter N-formylamfetamine (die na toevoeging van zoutzuur kon worden omgezet in circa 70 en 85 kilogram amfetamine) (conclusie LFO), en/of

x. circa 180 liter, althans een (zeer grote/aanzienlijke) hoeveelheid, zure (PH-3) vloeistof (L-2), en/of

x. circa 470 liter zuur afval, bevattende (sporen van) BMK (L-11), en/of

x. circa 237 kilo, althans een (zeer grote/aanzienlijke) hoeveelheid, caustic soda (L20), en/of

x. circa 240 liter, althans een grote/aanzienlijke hoeveelheid, formamide (L29), en/of

x. circa 225 kilogram MAPA (L-32), en/of

x. 10, althans meerdere, althans een blauw(e) klemdeksel vat(en), inhoud 200 liter, elk gevuld met circa 60-70 liter (pH -14), althans een zeer grote/aanzienlijke hoeveelheid, loogoplossing die bestemd is voor het scheiden van de amfetamine na het koken in zoutzuur in de rondbodemkolven (A1), en/of

x. circa 100 liter, althans een grote/aanzienlijke hoeveelheid, zoutzuur (K1), en/of

x. circa 137 liter, althans een grote/aanzienlijke hoeveelheid, mierenzuur (O-2), en/of

x. diverse hardware, waaronder (46) maatbekers en/of (2) RVS reactieketel(s) (inhoud 981 liter, waarvan één resten bevat van BMK (L9) en/of één resten bevat van N-formylamfetamine (op een zwak zure waterige vloeistof) (L2)) en/of (9) gasbranders en/of (10) rondbodemkolven en/of (10) spiraalkoelers en/of (25) propaan gasflessen en/of (10) brandersteunen en/of (30, althans 20) klemdekselvaten (inhoud 200 liter) en/of lucht- en waterslangen en/of (3) RVS koelers en/of stoomgenerator (inhoud 292 liter) en/of stoomgenerator (inhoud 362 liter) en/of een destillatieketel (inhoud 227 liter) en/of (2) IBC’s (inhoud 1.000 liter) en/of (74) jerrycans, en/of

x. een Gardena vierwegverdeler en/of slangklemmen (afkomstig van de Gamma en gebruikt in het drugslab), en/of

(overige handelingen)

- een locatie voor een drugslab geregeld en/of laten regelen aan de [adres] te [plaats] , en/of

- diverse grondstoffen, te weten caustic soda en/of mierenzuur en/of formamide en/of zoutzuur en/of apaan aangeschaft, en/of

- inlichtingen gevraagd en/of verkregen omtrent het kookproces van amfetamine en/of tijdens het kookproces om bijstand en/of hulp en/of inlichtingen gevraagd en/of verkregen, en/of

- een of meer chauffeur(s) geregeld voor het vervoeren en/of ophalen van goederen en/of personen ten behoeve van voornoemd drugslab, en/of

- deze chauffeur(s) een of meer perso(o)n(en) heeft laten ophalen en/of vervoeren van en naar voornoemd drugslab, en/of

- deze chauffeur(s) een of meer goederen heeft laten ophalen en/of vervoeren ten behoeve van voornoemd drugslab, te weten (onder meer) gasflessen en/of jerrycans en/of een of meer (grote) ketel(s) en/of witte zakken (van 20 kilo met caustic soda) en/of kartonnen dozen met glazen bollen en/of ijzeren buizen, en/of

- een of meer perso(o)n(en) geregeld voor het produceren van BMK (Benzylmethylketon) en/of N-formylamfetamine en/of amfetamine, althans voor het helpen van verdachte bij het produceren van BMK (Benzylmethylketon) en/of Nformylamfetamine en/of amfetamine, en/of

- BMK (Benzylmethylketon) en/of N-formylamfetamine en/of amfetamine ‘gekookt’ (bereid/bewerkt), en/of amfetamine in het drugslab, en/of

- een of meer goederen gekocht en/of opgehaald en/of vervoerd ten behoeve van voornoemd drugslab te [plaats] , te weten (onder meer) een Gardena vierwegverdeler en/of slangklemmen (afkomstig van de Gamma en gebruikt in het drugslab),

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 21 maart 2020 tot en met 1 mei 2020 te [plaats] en/of [plaats] , althans (ook) (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] onbekend gebleven perso(o)n(en) voornoemd pand/panden/schuur aan de [adres] te [plaats] voor de productie van amfetamine, althans harddrugs, ter beschikking te stellen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan het medeplegen van de productie van amfetamine, dan wel medeplegen of medeplichtigheid ten aanzien van de voorbereiding van de productie van amfetamine. Verdachte heeft in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij niet wist dat er in de schuur bij de woning die hij huurde in [plaats] een drugslaboratorium werd of was gevestigd waar amfetamine werd geproduceerd. In hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij het vermoeden had dat er illegale activiteiten zoals de teelt van hennep plaatsvonden in de schuur. Verdachte had niet het vermoeden dat er synthetische drugs werden geproduceerd.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof vrijspraak van verdachte bepleit. Verdachte had geen wetenschap van de aanwezigheid van het drugslaboratorium of van het voornemen om dat drugslaboratorium op te zetten. De telefonische contacten tussen verdachte en de medeverdachten zagen op het onderhoud van de tuin en problemen met de elektriciteit in [plaats] . Er zijn geen sporen van verdachte in de schuur aangetroffen, hij heeft geen financieel voordeel gehad van het drugslaboratorium en de aanwezigheid van verdachte in of in de buurt van [plaats] is onvoldoende om wetenschap aan te nemen, aldus de raadsman.

Verklaringen van verdachte

Het hof stelt allereerst vast dat verdachte bij de politie, de rechtbank en het hof steeds verschillende verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van onder andere de onderverhuur / huur van het pand in [plaats] .

Verdachte verklaarde eerst dat hij de schuur had onderverhuurd aan een zekere ‘ [naam onderverhuurder] ’. Hij had daar zelfs een huurcontract voor opgemaakt. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte toegegeven dat hij dit stuk zelf valselijk had opgemaakt. Toen verdachte ermee werd geconfronteerd dat deze verklaring niet waar kon zijn, heeft hij verklaard dat de onderverhuur via ene ‘ [naam 1] ’ was geschied. Verdachte zou deze [naam 1] via een bouwplaats in [plaats] hebben leren kennen, maar heeft verder geen gegevens of telefoonnummer van hem. Bij de rechter-commissaris verklaarde verdachte niets met de huur/verhuur van de schuur te maken te hebben. Ter terechtzitting van de rechtbank heeft hij verklaard toch aan iemand, van wie hij de naam niet wil noemen, de schuur te hebben onderverhuurd. Verdachte heeft verder verklaard geen wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van een drugslaboratorium in de gehuurde/onderverhuurde schuur en de medeverdachten in deze zaak niet te kennen. Verdachte verklaarde bij de politie tevens, nadat hij met mastgegevens en Encrochatberichten was geconfronteerd, dat hij ook op dagen in of in de buurt van [plaats] is geweest waarover hij eerder had gezwegen. Hij ontmoette volgens hem bij het pand geen verdachten, alleen een tuinman, genaamd ‘ [naam tuinman] ’.

Voor het eerst in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij sinds 2018, of misschien wel al sinds 2015, bedreigd werd en onder druk werd gezet om panden te regelen waarin hennepkwekerijen gevestigd zouden worden. Deze bedreigingen zouden uit de richting van de heer [naam 2] komen. [naam 2] heeft verdachte onder druk gezet om de woning en schuur in [plaats] te huren. Hij kent de medeverdachten niet, behalve [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] had zich als [naam tuinman] aan hem voorgesteld.

Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij niet wist dat er in elk geval door medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tezamen en in vereniging een drugslaboratorium werd geëxploiteerd in de door hem ter beschikking gestelde schuur, volstrekt ongeloofwaardig. Dat verdachte van het drugslaboratorium op de hoogte was, blijkt uit de hierna onder het kopje “betrokkenheid en wetenschap van verdachte” besproken bewijsmiddelen. Ook volgt het hof verdachte niet in zijn verklaring dat hij gedwongen zou zijn geweest door bedreigingen van [naam 2] om het pand in [plaats] te huren.

Daarvoor acht het hof het volgende van belang.

Zoals het hof hiervoor al vaststelde, heeft verdachte voor het eerst in hoger beroep over deze bedreigingen verklaard. In eerste aanleg is mevrouw [naam getuige] als getuige gehoord en in hoger beroep is op verzoek van de verdediging [naam 2] als getuige gehoord. Beide getuigen zouden volgens de verdediging kunnen verklaren over de bedreigingen van verdachte. [naam getuige] heeft tijdens dit verhoor verklaard dat zij niet weet van bedreigingen. Verdachte heeft wel aan haar verteld dat hij angstig was, maar zo verklaarde zij, dat hij niet angstig overkwam; wel verwarrend / druk.

Op de zitting van het hof zijn door de verdediging stukken overgelegd, met onder meer een verklaring die verdachte in november 2021 bij de rechtbank Overijssel als verdachte in een andere strafzaak heeft afgelegd. Daarnaast zat bij deze stukken een verklaring die [naam getuige] tijdens eerdergenoemde zitting van de rechtbank Overijssel als getuige heeft afgelegd. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat [naam getuige] in augustus 2021 bij de politie heeft verklaard dat zij wel bedreigd werd, maar dat dit door haar eigen familie was. Zij werd wel in België, maar niet in Nederland bedreigd. [naam getuige] kan niets verklaren over de bedreiging jegens verdachte.

Op de zitting van de rechtbank Overijssel in november 2021 heeft [naam getuige] echter wel als getuige over bedreigingen jegens haar en verdachte verklaard. [naam getuige] heeft aldaar gezegd dat de eerste bedreiging in 2018 plaatsvond. Ook verdachte verklaarde tijdens deze zitting bij de rechtbank Overijssel dat hij eind februari 2018 werd bedreigd.

Op de zitting van het hof heeft verdachte echter verklaard dat de bedreigingen mogelijk al in 2015 zouden zijn begonnen. Verdachte is dus wisselend in zijn verklaringen over vanaf welk jaartal de bedreigingen zijn gestart.

Ook valt op dat verdachte al in november 2021 bij de rechtbank Overijssel heeft verklaard dat [naam 2] bedreigingen zou hebben geuit richting [naam getuige] en dat verdachte zelf ook werd bedreigd door [naam 2] . Dit nadat verdachte aan [naam 2] te kennen had gegeven dat hij wilde stoppen met de verhuur.

Voorts valt op dat verdachte bij de rechtbank Overijssel in 2021 heeft verklaard dat [naam getuige] werd bedreigd in verband met de verhuur van een woning en schuur in [plaats] , terwijl verdachte op de zitting van het hof heeft verklaard dat hij zelf door [naam 2] onder druk werd gezet.

Aldus concludeert het hof dat er zowel door verdachte als door [naam getuige] zeer wisselend is verklaard over het (al dan niet) bestaan van bedreigingen en het moment waarop deze bedreigingen zijn begonnen. Overigens is in het dossier geen steun te vinden is voor het bestaan van die bedreigingen.

Daar komt nog bij dat de stelling van verdachte dat hij onder bedreiging het pand huurde zich moeilijk verhoudt met de omstandigheid dat verdachte, blijkens zijn historische telefoongegevens, meermaals in de buurt van [plaats] is geweest en veelvuldig contact heeft gehad met medeverdachten.

Opmerking verdient nog dat het hof de door de verdediging ter zitting van het hof overgelegde foto van een handgeschreven verklaring ondertekend door [naam getuige] niet bij zijn overwegingen heeft betrokken, nu de authenticiteit van die verklaring niet door het hof kan worden vastgesteld.

Nu verdachte bij voortduring wisselende en – zo blijkt later – ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd, al vanaf de start van het opsporingsonderzoek tot en met de zitting in hoger beroep, baseert het hof de bewijsconstructie in deze zaak op de overige onderzoeksresultaten in het dossier, zoals het forensisch onderzoek, de historische verkeersgegevens en Encrochat-berichten.

Betrokkenheid en wetenschap verdachte

Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte wist van het drugslaboratorium in de door hem ter beschikking gestelde schuur aan de [adres] in [plaats] en dat hij zich daar bewust mee inliet.

Het hof bespreekt de meest in het oog springende bewijsmiddelen voor de betrokkenheid bij en de wetenschap van verdachte.

Uit Encrochat-berichten die medeverdachte [medeverdachte 1] ( [gebruikersnaam medeverdachte 1] ) met de gebruikers [gebruikersnaam] en [gebruikersnaam] heeft gehad, blijkt over de betrokkenheid van verdachte:

  • -

    op 3 april 2020 wordt besproken dat de eigenaar van het laboratorium afweet;

  • -

    op 23 april 2020 wordt gesproken over ‘ [naam 3] de huurder’ en over een stroomprobleem en dat de eigenaar met zijn vrouw in het ziekenhuis te [plaats] is. In zijn eerste verklaring bij de politie heeft verdachte aangegeven dat zijn vrouw ziek is;

  • -

    in de avond van 28 april 2020 zegt [medeverdachte 1] dat hij wacht tot de huiseigenaar komt. Uit historische gegevens van het telefoonnummer van verdachte blijkt dat verdachte de volgende dag omstreeks 12:00 uur een telefoonmast in de omgeving van [plaats] aanstraalt;

  • -

    op 29 april 2020 wordt besproken dat ‘ [naam 4] de huiseigenaar’ wordt gebeld. Er zijn problemen met elektriciteit zekeringen. Die huiseigenaar belt nu naar ‘die andere’. De huiseigenaar was boos dat een huisdeur open was gelaten;

  • -

    op 29 april 2020 wordt besproken dat hij (het hof begrijpt: [verdachte]) alweer weg is en dat deze de stroom niet gaat regelen. Hij zat ook weer te zeuren over geld, dat ie maar € 8.000,- en € 5.000,- heeft gehad;

  • -

    op 1 mei 2020 wordt besproken dat eerst die huiseigenaar wordt gebeld. Als ‘die vent’ die stroom niet regelt, dan stopt [medeverdachte 1] ermee. In dit verband blijkt ook dat de telefoon van verdachte op 1 mei 2020 om 17:34 uur, vlak na de inval in het drugslaboratorium, een mast in de buurt van [plaats] aanstraalt.

Uit de historische telefoongegevens in het dossier volgt niet dat de daadwerkelijke eigenaar van de woning en schuur in [plaats] , [naam 4] , telefonisch contact heeft gehad met medeverdachten. Ook overigens blijkt niet dat [naam 4] betrokken was bij of wetenschap had van het drugslaboratorium in de schuur in [plaats] . Uit de historische telefoongegevens van de telefoon van verdachte blijkt dit contact met medeverdachten wel. Het hof begrijpt aldus bovenstaande Encrochatgesprekken zó dat met ‘de eigenaar’ niet de juridische eigenaar [naam 4] wordt bedoeld, maar verdachte als huurder. Over verdachte wordt dus zowel met de term “eigenaar” als met de term “huurder” gesproken

Uit de eerder genoemde historische gegevens van de telefoonnummers, bij verdachte in gebruik, blijkt dat hij meermalen ter plekke, in (de omgeving van) [plaats] , is geweest en daarnaar is afgereisd en veelvuldig contact heeft gehad met medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Daarnaast heeft hij meerdere malen specifiek contact gehad over de stroomvoorziening ten behoeve van het drugslaboratorium ter plaatse. Dat verdachte werd benaderd over problemen met de stroomvoorziening ten behoeve van het drugslaboratorium leidt het hof onder andere af uit het feit dat in de Encrochat-berichten is te lezen dat er geen problemen waren met de stroomvoorziening in de woning, maar met de stroomvoorziening voor de schuur. Omdat er geen stroom is, kan [medeverdachte 1] niet werken, zo volgt uit de berichten. In die zin heeft verdachte niet slechts de rol van huurder vervuld, maar was hij tevens verantwoordelijk voor de stroomvoorziening van het drugslaboratorium. Deze stroomvoorziening was essentieel voor het al dan niet slagen van de productie van amfetamine, zo volgt uit de Encrochatberichten. Dat het in eerste instantie van belang was dat verdachte, in plaats van een elektricien, werd ingeschakeld bij problemen met de stroomvoorziening blijkt uit de Encro-chatberichten op 1 mei 2020. Daarin wordt besproken dat een elektricien moet komen. De chauffeur moet hem brengen, maar de elektricien moet 30 kilometer van te voren (het hof begrijpt: 30 kilometer van het drugslaboratorium in [plaats]) geblinddoekt worden. Het hof leidt hieruit af dat deze elektricien geblinddoekt moest worden zodat hij geen wetenschap had van de precieze locatie van het drugslaboratorium waarvoor hij de problemen met de stroom moest verhelpen. Verdachte droeg de verantwoordelijkheid voor de stroomvoorziening en werd ook daarop aangesproken door medeverdachte [medeverdachte 1] . Verdachte moest bij problemen afreizen naar [plaats] en heeft dat – blijkens de reisbewegingen van zijn telefoon – ook gedaan. Voorts volgt uit de hiervoor weergegeven Encrochatberichten dat verdachte, voor zijn diensten, in totaal € 13.000,- heeft gekregen en dit niet voldoende vond. Dat verdachte een dergelijk bedrag zou hebben gekregen voor het louter verhuren van een schuur in [plaats] zonder wetenschap te hebben van het drugslaboratorium, acht het hof volstrekt onaannemelijk.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte voor het eerst als alternatief scenario naar voren gebracht dat hij dacht dat er in de schuur een hennepkwekerij zat. Gelet op de hiervoor weergegeven Encrochat-berichten, waaruit onder meer volgt dat verdachte van het drugslaboratorium op de hoogte was, dat er problemen waren met de stroomvoorziening van de schuur en dat verdachte voor het oplossen van die problemen verantwoordelijk werd gehouden, en de veelheid van bezoeken aan [plaats] leidt het hof af dat verdachte wist dat het om een drugslaboratorium ging. Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, acht het hof niet aannemelijk geworden.

Medeplichtigheid

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de feitelijke betrokkenheid van verdachte kan worden aangemerkt als medeplichtigheid.

Het hof stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.

Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte wist van het drugslaboratorium in de door hem ter beschikking gestelde schuur aan de [adres] in [plaats] en dat hij zich daar bewust mee inliet in ruil voor geld. Verdachte heeft zowel opzet gehad op het verschaffen van gelegenheid als opzet op het medeplegen van produceren van amfetamine als gronddelict. De mate van betrokkenheid van de verdachte acht het hof voldoende voor het oordeel dat hij medeplichtig is geweest aan de productie van amfetamine door aan de medeverdachten, de door hem gehuurde woning en schuur aan de [adres] in [plaats] voor genoemde productie ter beschikking te stellen én te blijven stellen.

Conclusie hof onder 1 tenlastegelegde

Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde medeplichtigheid tot het medeplegen van de productie van amfetamine. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) in de periode van 21 maart 2020 tot en met 1 mei 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

opzettelijk (in een drugslaboratorium in een schuur gelegen aan de [adres] te [plaats] ) hebben bereid,

een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 21 maart 2020 tot en met 1 mei 2020 te [plaats] opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door aan die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en onbekend gebleven perso(o)n(en) voornoemd pand voor de productie van amfetamine, ter beschikking te stellen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

medeplichtigheid tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is medeplichtig geweest aan het medeplegen van de productie van amfetamine, in een door hem voor dat doel gehuurde schuur in [plaats] . Hij heeft door het huren en ter beschikking stellen van de schuur een uitermate belangrijke rol gespeeld in de exploitatie van het drugslaboratorium. Een dergelijke faciliterende handelwijze heeft een bijzonder ontwrichtende en ondermijnende werking op de samenleving.

Het produceren van amfetamine is een zeer ernstig strafbaar feit. De opslag van chemicaliën ten behoeve van deze productie en de uiteindelijke productie van synthetische drugs, zoals de harddrug amfetamine, brengen ernstige gevaren met zich mee. Zo bestaat er gevaar voor brand, ontploffing en het vrijkomen van giftige stoffen. Het hof wijst hierbij in het bijzonder op de in het dossier omschreven situatie op 28 april 2020, waarbij er paniek uitbrak in het drugslaboratorium in [plaats] . Door problemen met het kookproces trok er rook over de weilanden. Drie medeverdachten hebben de productielocatie halsoverkop verlaten. Zij zijn teruggegaan naar hun woonplaatsen in het zuiden van het land, zonder zich te bekommeren om de eventuele gevolgen van de wolk met mogelijk gevaarlijke stoffen die over de weilanden trok. Daarnaast wordt het chemisch afval dat ontstaat bij de productie van synthetische drugs vrijwel altijd illegaal gedumpt, wat zeer schadelijk is voor het milieu. Voorts leveren harddrugs voor gebruikers ernstige gezondheidsrisico’s op. Ook gaat de productie van en de handel in harddrugs gepaard met diverse vormen van ondermijnende criminaliteit. Met de productie van en de handel in harddrugs wordt snel en veel geld verdiend.

Verdachte heeft kennelijk enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin en heeft zich totaal niet bekommerd om de risico's voor omwonenden en de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor anderen en het milieu.

Ook rekent het hof het verdachte aan dat hij andere personen bij zijn criminele handelen heeft betrokken, waaronder [naam 4] , de eigenaar van de woning en schuur en een door verdachte gefingeerde huurder, [naam onderverhuurder] , die daardoor ten onrechte als verdachte werd aangemerkt.

Bij het bepalen van de straf weegt het hof mee dat, zoals blijkt uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 juni 2022, verdachte na de pleegdatum van de in deze zaak ter beoordeling staande feiten een straf is opgelegd voor het overtreden van de Opiumwet, zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het hof houdt bij de strafoplegging tevens rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals door de verdachte en zijn raadsman naar voren gebracht ter terechtzitting van het hof. Verdachte zit momenteel uit anderen hoofde in voorarrest. Dit betreft het hoger beroep in eerdergenoemde strafzaak waarbij verdachte door de rechtbank is veroordeeld voor het overtreden van de Opiumwet, in het bijzonder medeplichtigheid met betrekking tot hennepteelt. Verdachte is inmiddels gescheiden, heeft schulden en heeft zijn werkzaamheden voor zijn eigen bedrijf in de woningverhuur stopgezet.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden, zoals door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om hiernaast een geldboete op te leggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 47, 48, 49 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Aldus gewezen door

mr. M.C. Fuhler, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. A.H. toe Laer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,

en op 3 augustus 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.