Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:6127

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-07-2022
Datum publicatie
19-07-2022
Zaaknummer
200.302.007/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2021:4702, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Het hof wijst net als de voorzieningenrechter het verbod en de rectificatie af. Het hof is van oordeel dat in het licht van de door partijen aangevoerde omstandigheden, het recht van BNNVARA op vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) op het moment van de uitspraak door het hof zwaarder weegt dan

het recht van appellante op bescherming van de persoonlijke levenssfeer (art. 8 EVRM).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.302.007/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 526013)

arrest in kort geding van 19 juli 2022

in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.B. Maliepaard, die kantoor houdt te Rotterdam,

tegen

Omroepvereniging BNN-Vara,

gevestigd te Hilversum,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: gedaagde,

hierna: BNNVARA,

advocaat: mr. J.P. van den Brink, die kantoor houdt te Amsterdam.

1 De procedure bij de voorzieningenrechter

Voor de procedure bij de voorzieningenrechter verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 1 oktober 20211 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.

2 De procedure bij het hof

2.1

Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:

  • -

    de spoedappeldagvaarding van [appellant] van 29 oktober 2021 met grieven en producties 5 tot en met 7,

  • -

    de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep van BNNVARA met producties 20 tot en met 35,

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van [appellant] ,

  • -

    de brief van mr. Maliepaard van 2 mei 2022 met een aantal aanvullende stukken.

2.2

Vervolgens heeft op 16 mei 2022 een mondelinge behandeling plaatsgevonden.

Het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling, met daaraan gehecht de notities van de advocaten van partijen en [appellant] , bevindt zich bij de processtukken. Aan het einde van de mondelinge behandeling is een datum voor arrest vastgesteld.

2.3

[appellant] vordert, samengevat, dat i) het vonnis van de voorzieningenrechter van
1 oktober 2021 wordt vernietigd, ii) zijn vorderingen alsnog worden toegewezen en iii) BNNVARA in de kosten van de procedure bij de voorzieningenrechter en het hof wordt veroordeeld.

3 Waar gaat deze zaak over?

3.1

In deze zaak gaat het om een botsing van het recht van BNNVARA op vrijheid van meningsuiting en het recht van [appellant] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. [appellant] stelt dat BNNVARA door hem in nieuwsberichten op Joop.nl stelselmatig te omschrijven als viruswaanzinnige, corona-ontkenner, sekteleider of notoire anti-vaxxer zijn eer en goede naam aantast. De gebruikte kwalificaties zijn volgens [appellant] feitelijk onjuist en onnodig kwetsend en beledigend en daarmee onrechtmatig tegenover hem. Hij vordert een verbod op het gebruik van deze kwalificaties en een rectificatie.

3.2

Het hof wijst net als de voorzieningenrechter het verbod en de rectificatie af. Het hof is van oordeel dat in het licht van de door partijen aangevoerde omstandigheden, het recht van BNNVARA op dit moment zwaarder weegt dan het recht van [appellant] . Denkbaar is dat het herhaalde gestapelde gebruik van genoemde kwalificaties de balans op een gegeven moment doet doorslaan ten nadele van BNNVARA. Dat is nu nog niet het geval.

3.3

Het hof zal zijn beslissing hierna toelichten. Het hof zal eerst de relevante feiten vermelden om vervolgens onder 5 de bezwaren van [appellant] en BNNVARA tegen het vonnis te behandelen. Onder 6 volgt de beslissing van het hof.

4 De relevante feiten en de beslissing van de voorzieningenrechter

4.1

[appellant] is oprichter en bestuurder van Stichting Viruswaarheid, voorheen actief onder de naam Viruswaanzin. In die hoedanigheid verzet [appellant] zich tegen het corona- en vaccinatiebeleid van de overheid.

4.2

Joop.nl is de online opiniepagina van BNNVARA met nieuws, bijdragen van opiniemakers en debat tussen bezoekers. Op Joop.nl wordt onder de rubriek nieuws met regelmaat nieuwsberichten over [appellant] gepubliceerd. De nieuwsberichten worden door de redactie van Joop.nl geschreven en geplaatst.

4.3

In die nieuwsberichten wordt [appellant] door Joop.nl omschreven als viruswaanzinnige, corona-ontkenner, sekteleider of notoire anti-vaxxer. In een aantal nieuwsberichten gebruikt Joop.nl een combinatie van genoemde kwalificaties.

4.4

[appellant] heeft BNNVARA gesommeerd het gebruik van genoemde kwalificaties te staken. BNNVARA heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.

4.5

[appellant] heeft BNNVARA vervolgens in kort geding gedagvaard. In kort geding heeft hij onder andere gevorderd dat BNNVARA wordt veroordeeld om i) de kwalificaties viruswaanzinnige, corona-ontkenner en sekteleider in haar nieuwsberichten te verwijderen en verwijderd te houden, ii) deze kwalificaties ook niet in de toekomst te gebruiken en iii) een rectificatie te plaatsen op de hoofdpagina van Joop.nl zoals in de dagvaarding geformuleerd.

4.6

De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 1 oktober 2021 de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten en nakosten van BNNVARA.

5 De beoordeling van de grieven

Doel en omvang van het hoger beroep

5.1

[appellant] is van het vonnis in hoger beroep gekomen. Hij heeft tegen het vonnis tien grieven geformuleerd en zijn eis vermeerderd. Hij vordert naast de door voorzieningenrechter beoordeelde kwalificaties, verwijdering en rectificatie van de kwalificatie (notoire) anti-vaxxer. BNNVARA heeft tegen deze vermeerdering van eis geen bezwaar gemaakt. Ook het hof ziet geen reden om deze tijdige eisvermeerdering buiten beschouwing te laten en zal dan ook beslissen op de vermeerderde eis.

5.2

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] nog nieuwe argumenten naar voren gebracht. Het hof laat deze nieuwe argumenten (grieven) buiten beschouwing omdat dit in dit stadium van de procedure niet meer was toegestaan.

5.3

De grieven van [appellant] strekken ertoe dat het hof de zaak in zijn geheel opnieuw beoordeeld.

5.4

BNNVARA heeft op haar beurt incidenteel hoger beroep ingesteld. Haar bezwaar heeft betrekking op het door de voorzieningenrechter gehanteerde toetsingskader.

Het hof ziet aanleiding de grieven van [appellant] en het bezwaar van BNNVARA hierna gezamenlijk te behandelen, aan de hand van de volgende thema’s.

Spoedeisend belang

5.5

Het hof stelt ambtshalve vast dat de vorderingen van [appellant] , gelet op hun aard en inhoud, spoedeisend zijn.

Toetsingskader 2

5.6

BNNVARA beroept zich op de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). [appellant] beroept zich op zijn beurt op artikel 8 lid 1 EVRM. Artikel 8 lid 1 EVRM beschermt onder meer het recht op eerbiediging van het privéleven waartoe ook behoort het recht op eerbiediging van reputatie of met andere woorden de eer en de goede naam. BNNVARA betwist dat [appellant] zich op artikel 8 EVRM kan beroepen. Volgens BNNVARA wordt [appellant] door de nieuwsberichten op Joop.nl niet in zijn privéleven geraakt, omdat de berichten en de daarin gebruikte omschrijvingen van [appellant] betrekking hebben op [appellant] als bestuurder van de stichting Viruswaarheid en niet op [appellant] als persoon.

5.7

Het hof volgt BNNVARA daarin niet, alleen al omdat BNNVARA in de nieuwsberichten waarover [appellant] klaagt3 zelf geen onderscheid maakt tussen [appellant] als persoon en [appellant] als bestuurder van de stichting Viruswaarheid. Het leeuwendeel van die berichten heeft bovendien geen betrekking op de stichting Viruswaarheid, maar ziet op de persoon [appellant] , zoals bijvoorbeeld blijkt uit de kop “Viroloog [naam1] wast viruswaanzinnige dansleraar [appellant] de oren”. Naar het oordeel van het hof is het evident dat daarmee de persoonlijke levenssfeer van [appellant] wordt geraakt.

5.8

Er is dus sprake van een botsing tussen twee fundamentele rechten. Het antwoord op de vraag welk van deze rechten in deze zaak zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden. Uitgangspunt bij die afweging is dat beide rechten in beginsel gelijkwaardig zijn. Het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, brengt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets als genoemd het tweede lid van artikel 8 en 10 EVRM. De toetsing dient in één keer te geschieden4.

5.9

In het kader van de hiervoor beschreven afweging zijn in de (Europese) rechtspraak een aantal niet-limitatieve gezichtspunten ontwikkeld. Voor de beoordeling van deze zaak zijn daarvan onder andere de volgende relevant:

a. De stijl van Joop.nl; de toonzetting kan de kwalificaties excessief maken, maar in het algemeen moet binnen de uitingsvrijheid van BNNVARA ruimte worden gelaten voor enige overdrijving en provocatie5. Uitingen die als humoristisch zijn bedoeld en door de bezoeker van Joop.nl ook zo worden opgevat, zullen minder snel als excessief worden aangemerkt. Uitingen die vooral erop zijn gericht een ander te kwetsen of beschadigen, moeten sneller als excessief worden beschouwd6.

De aard van Joop.nl; sommige media worden als indringender aangemerkt dan andere7.

De presentatie van de uitingen; gaat het om feiten of waardeoordelen?

Voor waardeoordelen gaat de eis dat zij bewezen moeten worden te ver, maar wel kan enige feitelijke basis worden verlangd8.

Het gegeven dat [appellant] een publiek figuur is. Een publiek figuur moet in beginsel een grotere inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer tolereren dan een gewone burger.

De wijze waarop [appellant] zelf aan het publieke debat heeft deelgenomen en de krachtige reacties die hij daarop mocht verwachten9.

Het achterwege laten van wederhoor.

De gevolgen van de uitingen voor [appellant] .

5.10

Met achtneming van de hiervoor geformuleerde gezichtspunten en de door partijen genoemde omstandigheden komt het hof tot de volgende afweging.

De stijl van Joop.nl 10

5.11

Het hof stelt voorop dat de vrijheid van meningsuiting van BNNVARA ook redactionele vrijheid impliceert. Ook indien het gaat om nieuws en ongeacht of BNNVARA daarbij gesubsidieerd wordt door de overheid, zoals [appellant] stelt. De redactionele vrijheid van BNNVARA brengt mee dat zij zelf mag bepalen hoe zij nieuws naar buiten brengt en welke stijl zij daarbij gebruikt.

5.12

BNNVARA heeft met Joop.nl gekozen voor een opiniërende blog. BNNVARA omschrijft Joop.nl als een online opinie pagina met nieuws, bijdragen van opiniemakers en debat tussen bezoekers. Doel van Joop.nl is het laten horen van een linkser en progressiever geluid. Joop.nl is volgens de initiatiefnemer [naam2] gericht op het losmaken van een levendig, scherp debat. Joop.nl pretendeert geen objectief nieuws te brengen. Joop heeft in die zin niet dezelfde status als bijvoorbeeld de NOS. Het door Joop.nl onder de kop nieuws” gepresenteerde nieuws is overgoten met (scherpe) meningen en waardeoordelen en die redactionele vrijheid heeft Joop.nl. Dat op Joop.nl ook bijdragen staan onder de kop “opinies” maakt niet dat daardoor hogere eisen gesteld moeten worden aan de bijdragen onder de kop “nieuws”

De gebruikte kwalificaties zijn waardeoordelen 11

5.13

Joop.nl schrijft over politiek en wat er in de samenleving gebeurt en daarom ook over [appellant] . [appellant] heeft er geen bezwaar tegen dat Joop.nl over hem schrijft, maar wel dat hij in die nieuwsberichten door Joop.nl stelselmatig wordt omschreven als viruswaanzinnige, corona-ontkenner, sekteleider of notoire anti-vaxxer.

5.14

Het hof is net als de voorzieningenrechter van oordeel dat genoemde kwalificaties (het woord kwalificatie zegt het al) binnen de context van Joop.nl niet als feitelijke beschuldigingen moeten worden beschouwd maar als waardeoordelen over [appellant] .

5.15

Ook voor waardeoordelen geldt dat enige feitelijke basis is vereist. Het ontbreken van een feitelijke basis betekent overigens niet, zoals [appellant] onder grief 4 aanvoert, dat de betrokken waardeoordelen tegenover [appellant] onrechtmatig zijn en daarom moeten worden verboden. De vraag of een verbod toewijsbaar is, is namelijk het sluitstuk van de hiervoor onder 5.8 genoemde afweging.

De feitelijke basis van kwalificaties viruswaanzinnige, corona-ontkenner, notoire anti-vaxxer en sekteleider

5.16

De voorzieningenrechter heeft met betrekking tot de kwalificaties viruswaanzinnige, corona-ontkenner en sekteleider geoordeeld dat deze waardeoordelen voldoende steun vinden in de feiten. Het hof leest in de daartegen gerichte grieven 5, 6 en 7 van [appellant] in essentie geen andere of nieuwe stellingen.

5.17

Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat het gebruik van de aanduiding viruswaanzinnige gelet op de link met de voormalige naam van de stichting Viruswaarheid voldoende feitelijke basis heeft. Naar het oordeel van het hof geldt dit alleen voor zover het betreffende nieuwsbericht ook gaat over de stichting of de werkzaamheden die [appellant] in dat verband richt. Het gebruik van de kwalificatie viruswaanzinnige buiten genoemde context, ligt minder voor de hand en is mogelijk excessief, maar het hof zal het gebruik daarvan, gelet op de hierna nog te bespreken criteria, niet verbieden.

5.18

Met betrekking tot het gebruik van de kwalificatie corona-ontkenner is van belang dat [appellant] niet betwist dat de aanduiding corona-ontkenner in de media niet alleen wordt gebruikt voor mensen die letterlijk het bestaan van het corona-virus ontkennen, maar ook voor die de gevolgen ervan bagatelliseren. [appellant] ontkent niet dat corona bestaat maar hij betwist wel de ernst en de gevolgen daarvan12. Omdat dergelijke ontkenners van de ernst van het corona-virus in de media ook worden aangeduid als corona-ontkenners, acht het hof het gebruik van de kwalificatie corona-ontkenner voor [appellant] gerechtvaardigd.

5.19

Dit geldt ook voor het gebruik van de omschrijving (notoire) anti-vaxxer. De term anti-vaxxer is tijdens corona opgekomen en staat voor mensen die net zoals [appellant] geen corona-vaccinatie willen. Dat [appellant] zich wel wil laten vaccineren voor andere ziektes in binnen- en buitenland staat daar los van.

5.20

Het bezwaar van [appellant] tegen het gebruik van de kwalificatie sekteleider, wijst het hof net als de voorzieningenrechter van de hand. Aan [appellant] kan worden toegegeven dat hij in feitelijke zin niet kwalificeert als sekteleider, maar Joop.nl gebruikt de kwalificatie niet als een feitelijke vaststelling, maar als een ironisch bedoelde overdrijving en provocatie. Omdat [appellant] , zoals hij zelf ook aangeeft, het gezicht is geworden van de protesten tegen de corona-maatregelingen en door sommige als hun held of icoon wordt gezien en in die zin als hun leider wordt beschouwd, vindt het hof de kwalificatie binnen de toonzetting van Joop.nl niet excessief.

De wijze waarop [appellant] aan het publieke debat deelneemt

5.21

Partijen zijn het erover eens dat [appellant] een publiek figuur is en dat hij zich daarom meer moet laten welgevallen dan een gewone burger. De wijze waarop [appellant] aan het publieke debat deelneemt, door de voorzieningenrechter omschreven als confronterend en prikkelend, brengt mee dat hij rekening moet houden met even confronterende en prikkelende reacties. Dit is uiteraard geen vrijbrief voor Joop.nl om [appellant] onnodig te beledigen. Joop.nl dient in haar reactie vanzelfsprekend rekening te houden met het recht van [appellant] op bescherming van zijn eer en goede naam en de zorgvuldigheid die zij met het oog daarop tegenover [appellant] in acht dient te nemen.

Wederhoor

5.22

[appellant] verwijt Joop.nl dat zij door geen wederhoor toe te passen in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende zorgvuldigheidsnorm. [appellant] stelt dat indien Joop.nl wel wederhoor had toegepast, hij had kunnen uitleggen dat hij geen sekteleider is, dat er geen sekte bestaat, dat hij niet waanzinnig is en dat er met zijn geestesvermogen niets aan de hand is.

5.23

Met dit verwijt gaat [appellant] allereerst eraan voorbij dat wederhoor geen recht is, maar een journalistiek basisprincipe en dat schending daarvan nog geen onrechtmatig handelen oplevert. Van belang is verder dat dit in de journalistieke codes verankerde basisprincipe voornamelijk is gericht op het voorkomen van hiaten en fouten in de berichtgeving. Omdat [appellant] niet klaagt over de inhoud van de nieuwsberichten, maar alleen over de wijze waarop hij daarin wordt gekwalificeerd, heeft de voorzieningenrechter naar het oordeel van het hof terecht kunnen oordelen dat niet valt in te zien wat wederhoor zou hebben toegevoegd. Daarbij betrekt het hof dat wederhoor niet ertoe strekt, zoals [appellant] kennelijk wil, dat hij de mogelijkheid krijgt om op Joop.nl zijn standpunten toe te lichten.

Ernst van de gevolgen voor [appellant] 13

5.24

[appellant] meent dat Joop.nl met het herhaalde gestapelde gebruik van genoemde kwalificaties de grens van het toelaatbare heeft overschreden. Het gebruik van genoemde kwalificaties is volgens [appellant] uitsluitend gericht op het aantasten van zijn reputatie. Joop.nl voert tegen hem een lastercampagne. [appellant] stelt dat hij als gevolg van deze lastercampagne schade lijdt. Die schade bestaat eruit dat hij bij zijn huis is bedreigd en dat mensen om hem heen afstand van hem nemen. Ook leidt hij financiële schade doordat docenten en cursisten van zijn dansschool opzeggen.

5.25

Joop.nl bestrijdt dat er sprake is van een lastercampagne. Zij wijst erop dat Joop.nl over een periode van zes maanden vanaf het indienen van de memorie van grieven door [appellant] tot aan de zitting, slechts vijf berichten over [appellant] heeft geplaatst en dat al die berichten een concrete aanleiding hebben, zoals het feit dat [appellant] is opgepakt door de politie en het OM strafrechtelijk onderzoek naar hem doet. Joop.nl bestrijdt daarnaast dat er een causaal verband is tussen haar berichten over [appellant] en de schade die hij stelt te hebben geleden. De door [appellant] genoemde bedreigende acties kunnen ook het gevolg zijn van de wijze waarop [appellant] zich zelf in het publieke debat uit.

5.26

Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Joop.nl een lastercampagne tegen hem voert. Daarbij betrekt het hof, zoals Joop.nl heeft gesteld, dat zij het laatste half jaar slechts vijf berichten over [appellant] heeft gepubliceerd met daarin de gewraakte kwalificaties, terwijl hij zelf dagelijks in het nieuws was. Mede gelet op de wijze waarop [appellant] zich in het publieke debat uit, kan niet worden aangenomen dat de bedreigingen aan zijn adres en de overige schade die hij stelt te ondervinden, het gevolg is van berichten die Joop.nl over [appellant] heeft gepubliceerd.

Resultaat van de afweging 14

5.27

Al deze omstandigheden afwegend, is het hof van oordeel dat de door Joop.nl gebruikte kwalificaties in de aangehaalde nieuwsberichten niet een dermate ernstige aantasting vormt van het recht van [appellant] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer dat het recht van Joop.nl om zich vrij te kunnen uiten daarvoor moet wijken. Het herhaaldelijk en gestapelde gebruik van die kwalificaties buiten enige relevante context, kan op een gegeven moment wel als excessief worden gewaardeerd. Maar die grens is naar het oordeel van het hof op dit moment nog niet bereikt.

Conclusie: grieven van [appellant] falen en het vonnis moet worden bekrachtigd

5.28

Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1 tot en met 8 van [appellant] tegen het vonnis van de voorzieningenrechter falen en dat zijn de vorderingen door de voorzieningenrechter terecht zijn afgewezen en ook in hoger beroep moeten worden afgewezen. De daarop betrekking hebbende grief 9 van [appellant] deelt het lot van de vorige grieven.

5.29

Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, dan ook bekrachtigen en [appellant] als de verliezende partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat:
2 punten, tarief II), te vermeerderen met nasalaris. Grief 10 faalt daarmee ook.

5.30

BNNVARA had op grond van de zogenoemde devolutieve werking van het hoger beroep geen incidenteel hoger beroep hoeven in te stellen. Met haar incidentele grief beoogde zij immers geen wijziging van het dictum. Het hof zal om die reden in lijn met de vaste rechtspraak van de Hoge Raad hierover, een kostenveroordeling van het incidentele hoger beroep achterwege laten.

6 De beslissing

Het hof in kort geding:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 1 oktober 2021;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure bij het hof in het principaal hoger beroep en stelt deze kosten vast op € 772,- aan verschotten en op € 2.228,- voor geliquideerd salaris van de advocaat, te vermeerderen met € 163,- aan nasalaris, verhoogd met € 85,- indien niet binnen 14 dagen na de datum van dit arrest aan deze veroordeling is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoer bij voorraad;

Dit arrest is gewezen door mrs. R.E. Weening, J.H. Kuiper en M. Willemse en is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2022 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.

1 ECLI:NL:RBMNE:2021:4702

2 Grieven 1 en 2 van [appellant] en de incidentele grief van BNNVARA

3 Zie productie 2 van [appellant] in eerste aanleg en de aanvullende stukken waarop [appellant] zich in hoger beroep beroept

4 Zie HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210 en HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230

5 Zie o.a. EHRM 2 november 2006, ECLI:CE:ECHR:2005:1124JUD005388600, r.o. 31

6 Zie o.a. EHRM 25 januari 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0125JUD006835401, r.o. 33

7 Zie o.a. EHRM 17 december 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:1217JUD004901799

8 Zie o.a. EHRM 30 november 2006, 1130JUD001080704

9 Zie EHRM 23 mei 1991, NJ 1992, 456, rov. 61 (slot)

10 Grief 3 van [appellant]

11 Grief 4 van [appellant]

12 Zie productie 11 van BNNVARA

13 Grief 8 van [appellant]

14 Grief 9 van [appellant]