Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:5886

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2022
Datum publicatie
14-07-2022
Zaaknummer
200.289.648/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenwoners zonder samenlevingsovereenkomst. Eenvoudige gemeenschap van woning. Het hof is van oordeel dat in 2016 geen verdeling van de woning ex artikel 3:182 BW heeft plaatsgevonden. Partijen zijn toen weliswaar overeengekomen dat de woning zou worden toegedeeld aan de man, maar niet vast is komen te staan dat zij ook afspraken hebben gemaakt over de financiële consequenties voor partijen van die toedeling aan de man. De overige vorderingen van de man worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.289.648/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 492816)

arrest van 12 juli 2022

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellant,

bij de rechtbank: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: de man,

advocaat: mr. A. Özmen te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats1] ,

geïntimeerde,

bij de rechtbank: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. J.A. Wesdorp te Almere.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 14 september 2021 een tussenarrest gewezen en neemt de inhoud van dat arrest hier over.

1.2

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- een journaalbericht namens de man van 29 april 2022 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de man van 6 mei 2022 met bijlage(n).

1.3

Ingevolge het tussenarrest heeft op 16 mei 2022 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.

1.4

Het hof heeft arrest bepaald op het voor de mondelinge behandeling overgelegde dossier, waaraan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 mei 2022 is toegevoegd.

2. De feiten

2.1

Tegen de weergave van de feiten in rechtsoverweging 2 van het vonnis van
4 november 2020 is geen grief gericht en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden - voor zover hier van belang - als volgt.

2.2

Partijen hebben tot 2 februari 2016 met elkaar samengewoond in het kader van een affectieve relatie.

2.3

Partijen zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning aan de [adres1] te [woonplaats1] (verder te noemen: de woning). De man is in de woning blijven wonen. Hij betaalt sindsdien alleen de aan deze woning verbonden lasten.

2.4

De woning is (mede) gefinancierd met een hypothecaire geldlening van ABN AMRO Bank, die bestaat uit twee delen:

- een aflossingsvrije hypotheek ter hoogte van € 100.000,-;

- een spaargroeihypotheek ter hoogte van € 101.600,-.

2.5

Aan deze hypotheek zijn twee spaarpolissen bij ABN AMRO Levensverzekering verbonden:

- de spaargroeiverzekering met nummer [nummer1] ;

- de meegroeiverzekering met nummer [nummer2] .

2.6

In een e-mail van 26 mei 2016 schrijft de man aan de vrouw:

“ [geïntimeerde] ,

In de bijlage tref je de koopovereenkomst.

Geef aan ze door dat ik in het huis met de kinderen blijf wonen. Maar dat ik vanaf 1 februari werkeloos thuis zit. Ik heb uitstel van sollicitatie van de UWV totdat [naam1] naar de middelbare school gaat.

Zeg tegen ze dat ik al jaren de hypotheek betaal, en als het moet wil ik wel een verklaring invullen dat jij niet verantwoordelijk bent voor de hypotheek last.

Zeg tegen ze dat het huis getaxeerd is, en dat de hypotheek wordt aangepast zodra ik ander werk heb.

Als het moet kunnen ze me bellen. ”

2.7

De tekst van de verklaring van de man die als productie 6 bij het ouderschapsplan van partijen van 23 juni 2016 is gevoegd luidt als volgt:

“ Beste Medewerker,

Hierbij verklaar ik [appellant] , wonende te [adres1] , [woonplaats1] dat de hypotheek van de woning aan de [adres1] volledig op mijn naam zal worden geschreven.

Op de hypotheek akte staat [geïntimeerde] nu nog als mede-eigenaar.

De woning aan de [adres1] is op 13 juni door de makelaar Broring aan de Louis Armstrongweg 88, 1311 RL Almere getaxeerd. Factuur nummer: [nummer3] .
Door het taxatierapport die als waardebepaling is gebruikt, kan [geïntimeerde] geen rechten en plichten meer ontlenen aan de hypotheek met nummer: [nummer4] . ”

2.8

Bij vonnis in kort geding van 8 oktober 2018 is de vordering van de vrouw die strekte tot verdeling van de woning door de voorzieningenrechter afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Partijen twisten over de afwikkeling van hun vermogensrechtelijke relatie, met name over de verdeling van de woning.

3.2

De vrouw heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang, een vordering in conventie ingesteld die strekte tot verdeling van de woning door verkoop aan een derde.

3.3

De man heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang, in reconventie vorderingen ingesteld betreffende de toedeling van de woning aan hem, de verrekening van de eigenaarslasten van de woning, de toedeling van twee spaarpolissen aan hem en de betaling door de vrouw aan hem van een bedrag van € 803,- betreffende een door haar ontvangen en door hem terugbetaald voorschot kindgebonden budget.

3.4

Bij tussenvonnis van 29 januari 2020 heeft de rechtbank een regiezitting gelast. De rechtbank heeft daarna echter de geplande regiezitting in verband met de coronacrisis geannuleerd. Daarbij is beslist dat de zaak verder schriftelijk zal worden afgedaan.

3.5

Bij tussenvonnis van 4 november 2020 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, in haar overwegingen het volgende geoordeeld:
- dat de woning aan de man dient te worden toegedeeld tegen de huidige waarde van de woning, die nog vastgesteld zal moeten worden;

- dat de vordering van de man om de spaarpolissen zonder verrekening aan hem toe te delen zal worden afgewezen;

- dat de vordering van de man op de vrouw betreffende de hypothecaire lasten, de premies van de verzekeringen en de overige eigenaarslasten zal worden afgewezen;

- dat de vordering van de man tot vergoeding van wettelijke rente over het door hem van de vrouw gevorderde bedrag van € 803,- zal worden afgewezen.

Iedere verdere beslissing is aangehouden.

3.6

Bij vonnis van 23 december 2020 heeft de rechtbank bepaald dat van het tussenvonnis van 4 november 2020 hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen.

4. De vordering en de beoordeling van de grieven

4.1

De man is met zes grieven in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van
4 november 2020. De man vordert om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
In conventie:

Primair:

- het tussenvonnis van 4 november 2020 te vernietigen en voor zover de zaak zich daarvoor naar het oordeel van het hof leent en het hof de procedure zelf afhandelt, opnieuw rechtdoende en zo nodig onder aanvulling en verbetering van de gronden, de vorderingen van de vrouw af te wijzen en de vorderingen van de man in reconventie toe te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure;

Subsidiair:

1. voor zover het hof de primaire vorderingen van de man onder 1 en 2 inzake de woning niet toewijst, een NVM-makelaar te benoemen om de woning te taxeren, waarbij bepaald wordt dat taxatiekosten door partijen gelijkelijk zullen worden voldaan;

2. de woning na taxatie conform de door de makelaar aangegeven en door beide partijen uitdrukkelijk goedgekeurde waarde aan de man toe te delen waarbij tevens wordt bepaald dat bij de overname van de woning door de man de door hem primair sinds
1 januari 2008, subsidiair sinds 2 februari 2016 in plaats van de vrouw betaalde alsook de tot aan de overname nog te betalen bedragen uit hoofde van de hypothecaire lasten, te weten € 873,80 per maand tot 1 november 2017 en € 626,30 per maand vanaf
1 november 2017, de premies van de verzekeringen, te weten € 161,37 per maand, nog te begroten tot de dag van de overname, alsook de overige eigenaarslasten ad in totaal een bedrag van € 1.799,25 als aandeel van de vrouw zullen worden verrekend met het aandeel van de vrouw in de overwaarde, met dien verstande dat de door de man privé gestorte bedragen in de hypotheek en de verzekeringen van in totaal € 28.815,40 buiten de verdeling zullen moeten blijven, ongeacht vanaf welke datum de verrekening plaats dient te hebben, waarbij het hof tevens zal bepalen dat het arrest in deze procedure in de plaats treedt van de instemming van de vrouw met en de handtekening van de vrouw onder de notariële akte tot levering van het aandeel van de vrouw in de woning, alsook de instemming met en de handtekening van de vrouw bij de eventueel door de bank te verlangen verklaring inzake afkoopwaarde van de aan de hypotheek verbonden spaargroeiverzekering en de meegroeiverzekering; waarbij het hof tevens een advocaat dan wel notaris benoemt als onzijdig persoon om de vrouw te vertegenwoordigen en waarbij tevens wordt bepaald dat de kosten die gepaard gaan met de toedeling van de woning aan de man wat betreft de kosten die gedaan moeten worden met betrekking tot de notariële levering van de woning aan de man gelijkelijk door partijen worden gedragen;

3. een zodanige voorziening te treffen als het hof juist acht;

4. de vrouw te veroordelen tot betaling van de proceskosten in deze procedure;

Meer subsidiair:

1. het tussenvonnis van 4 november 2020 te vernietigen en voor zover de zaak zich daarvoor naar het oordeel van het hof niet leent en het hof de procedure niet zelf afhandelt, de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank met de opdracht om de procedure met inachtneming van het arrest van het hof verder te behandelen in de fase waarin de procedure zich bevindt, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure;

In reconventie:

Primair:

- het tussenvonnis van 4 november 2020 te vernietigen en voor zover de zaak zich daarvoor naar het oordeel van het hof leent en het hof de procedure zelf afhandelt, opnieuw rechtdoende en zo nodig onder aanvulling en verbetering van de gronden:

1. te bepalen dat de woning tegen een waarde van € 200.000,- aan de man wordt toegedeeld alsmede de op de woning rustende hypotheek bij ABN AMRO Bank, de type woninghypotheek met nummer [nummer4] , bestaande uit twee delen (leningdeelnummer [nummer5] en [nummer6] ), de spaargroeiverzekering onder nummer [nummer1] die verbonden is aan leningdeelnummer [nummer5] en de meegroeiverzekering bij ABN AMRO Levensverzekering N.V. met nummer [nummer2] , met inbegrip van de afkoopwaarden van voornoemde verzekeringen, aan de man worden toegedeeld zonder verrekening van waarde;

2. te bepalen dat het arrest in deze procedure in de plaats treedt van de instemming van de vrouw met en de handtekening van de vrouw onder de notariële akte tot levering van het aandeel van de vrouw in de woning, alsook de instemming met en de handtekening van de vrouw bij de eventueel door de bank te verlangen verklaring inzake afkoopwaarde van de aan de hypotheek verbonden spaargroeiverzekering en de meegroeiverzekering, waarbij het hof tevens een advocaat dan wel notaris benoemt als onzijdig persoon om de vrouw te vertegenwoordigen en waarbij tevens wordt bepaald dat de kosten die gepaard gaan met de toedeling van de woning aan de man wat betreft de kosten die gemaakt moeten worden met betrekking tot de notariële levering van de woning aan de man gelijkelijk door partijen worden gedragen;

3. de vrouw te veroordelen een bedrag van € 803,- aan de man te betalen, ter vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2016, subsidiair per 19 juni 2018, meer subsidiair per datum van indiening van de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie op 22 januari 2020, althans per een datum die het hof juist acht;

4. de man vervangende toestemming te verlenen om de tenaamstelling van de gezamenlijke rekening bij de ABN AMRO Bank, rekeningnummer [nummer7] te wijzigen in die zin dat de naam van de vrouw uit de tenaamstelling wordt verwijderd, waarbij de toestemming en medewerking van de vrouw voor de gewenste wijziging uitdrukkelijk wordt vervangen door het in deze nog te wijzen arrest, waarbij tevens geldt dat het saldo van de bankrekening na wijziging van de tenaamstelling volledig aan de man zal toekomen;

5. een zodanige voorziening te treffen als het hof juist acht;

6. de vrouw te veroordelen tot betaling van de proceskosten in deze procedure;
Subsidiair:

1. het tussenvonnis van 4 november 2020 te vernietigen en voor zover de zaak zich daarvoor naar het oordeel van het hof niet leent en het hof de procedure niet zelf afhandelt, de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank met de opdracht om de procedure met inachtneming van het arrest van het hof verder te behandelen in de fase waarin de procedure zich bevindt, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

4.2

De vrouw heeft verweer gevoerd en gevorderd de vorderingen van de man in conventie en reconventie af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

5 De motivering van de beslissing
Processueel
* Afdoening zonder mondelinge behandeling

5.1

In de zesde grief stelt de man zich op het standpunt dat de rechtbank de zaak ten onrechte zonder mondelinge behandeling, op basis van de stukken heeft afgedaan.

5.2

Naar het oordeel van het hof heeft de man geen belang bij behandeling van deze grief. De man heeft in hoger beroep de zaak opnieuw ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld zijn inhoudelijke bezwaren tegen de bestreden beschikking kenbaar te maken en het hof heeft partijen anders dan de rechtbank ook ter zitting gehoord. De zesde grief faalt.
De woning

5.3

Partijen hebben informeel samengeleefd, in die zin dat zij hebben samengewoond zonder te zijn gehuwd of een geregistreerd partnerschap te zijn aangegaan. Ook hebben partijen de vermogensrechtelijke gevolgen van hun samenwoning niet vastgelegd in een samenlevingsovereenkomst. Daardoor is ter zake van de woning, die aan partijen ieder voor de onverdeelde helft is geleverd, een eenvoudige gemeenschap van woning ontstaan waarop het bepaalde in artikel 3:166 Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is.

5.4

In het geval sprake is van een eenvoudige gemeenschap van woning geldt in beginsel het uitgangspunt dat als peildatum voor de waardering geldt de datum waarop die eenvoudige gemeenschap wordt verdeeld. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard1.

5.5

De enkele omstandigheid dat partijen de eenvoudige gemeenschap met wederzijdse instemming feitelijk hebben verdeeld, impliceert niet zonder meer dat partijen het ook eens zijn geworden over de financiële consequenties die de verdeling voor ieder van hen heeft (het ontstaan van vorderingen uit over- en onderbedeling); in zoverre ligt hierin niet besloten dat partijen een verdeling als bedoeld in artikel 3:182 BW zijn overeengekomen.2 Het vorenstaande neemt niet weg dat, indien aanvankelijk uitsluitend een feitelijke verdeling met wederzijdse instemming heeft plaatsgevonden, en protest in verband met de financiële consequenties daarvan uitblijft, partijen onder omstandigheden op de voet van artikel 3:35 BW over een weer erop mogen vertrouwen dat de wederpartij ook rechtens met de verdeling instemt.

Zijn partijen in 2016 een verdeling van de woning als bedoeld in artikel 3:182 BW overeengekomen?

5.6

Het hof ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of partijen de woning in 2016 hebben verdeeld als bedoeld in artikel 3:182 BW, in die zin dat zij niet alleen over de toedeling van de woning aan de man, maar ook over de financiële consequenties daarvan voor hen beiden overeenstemming hebben bereikt.

5.7

De rechtbank heeft geoordeeld dat partijen de woning niet verdeeld hebben als bedoeld in artikel 3:182 BW, omdat niet vast is komen te staan dat zij het in 2016 ook eens zijn geworden over de financiële consequenties die de verdeling van de woning voor ieder van hen heeft. Partijen hebben naar het oordeel van de rechtbank wel overeenstemming bereikt over de wijze van verdeling van de woning, namelijk toedeling aan de man.

5.8

De man stelt dat partijen in juni 2016 zijn overeengekomen dat de woning aan hem zou worden toegedeeld, dat hij de hypothecaire geldlening voor zijn rekening zou nemen onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en dat de aan de hypotheek verbonden spaarpolissen zonder nadere verrekening aan hem zouden worden toegedeeld. Partijen zijn daarbij volgens de man uitgegaan van de getaxeerde waarde van de woning van € 200.000,-. Die afspraak blijkt volgens de man uit de mailwisseling tussen partijen die als productie 6 bij de inleidende dagvaarding in het geding is gebracht en uit een door de man ondertekende verklaring gericht aan de woningbouwvereniging, die volgens de man onderdeel uitmaakte van het ouderschapsplan van partijen.

5.9

De vrouw erkent dat partijen zijn overeengekomen dat de woning zou worden toegedeeld aan de man, maar zij betwist dat er ook afspraken zijn gemaakt over de financiële afwikkeling.

5.10

Het hof is het eens met het oordeel van de rechtbank op dit punt en neemt dat oordeel
- en de motivering daarvan - na eigen onderzoek over en maakt dat tot de zijne.
De man heeft zijn stelling dat partijen ook afspraken hebben gemaakt over de financiële consequenties voor partijen van de toedeling van de woning aan hem, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw dat die afspraken zijn gemaakt, ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd. De man beroept zich op de mailwisseling tussen partijen van 26 mei 2016 en zijn verklaring aan de woningbouwvereniging, maar uit beide documenten blijkt niet van welke waarde partijen zijn uitgegaan en evenmin blijkt hieruit van een afspraak over de verrekening van over- of onderwaarde. Dat partijen zijn uitgegaan van de getaxeerde waarde van de woning, zoals de man stelt, volgt noch uit de mailwisseling, noch uit de verklaring van de man aan de woningbouwvereniging. Ter zitting is bovendien gebleken dat de man de taxatie van de woning zonder overleg met de vrouw heeft laten verrichten. Ook de waarde van de spaarpolissen wordt in de mailwisseling tussen partijen en in de verklaring van de man aan de woningbouwvereniging niet genoemd. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat de mailwisseling tussen partijen en de verklaring van de man aan de woningbouwvereniging onvoldoende aanknopingspunten bieden om vast te kunnen stellen dat partijen afspraken hebben gemaakt over de financiële gevolgen van de toedeling van de woning aan de man. Uit het dossier komen eerder aanknopingspunten naar voren die de conclusie rechtvaardigen dat daarover geen afspraken zijn gemaakt. Het hof wijst in dit verband op de stelling van de man in de procedure tussen partijen in kort geding. De man heeft in die procedure, zoals blijkt uit de pleitnotities van de man van 24 september 2018, gesteld dat partijen het niet eens zijn over de verdeling van - onder meer - de overwaarde van de woning en dat die kwestie thuishoort in een boedelscheidingsprocedure. Die stelling staat haaks op de stelling van de man in deze procedure dat partijen het in juni 2016 al eens zouden zijn geweest over alle financiële gevolgen van de toedeling van de woning aan hem. Als dat zo zou zijn geweest, had het in de rede gelegen dat de man dat naar voren zou hebben gebracht in de procedure in kort geding. Het hof wijst in dit verband verder op de e-mail van de man aan de vrouw van 6 november 2017 (productie 7 bij de conclusie van antwoord), in welke e-mail de man afspraken wil maken met de vrouw over de financiële afwikkeling. Ook die e-mail impliceert dat er nog geen afspraken hierover waren gemaakt.

5.11

Het hof is op grond van al het vorenstaande van oordeel dat in 2016 geen sprake is geweest van een verdeling van de woning als bedoeld in artikel 3:182 BW. Vast staat wel dat partijen zijn overeengekomen dat de woning zal worden toegedeeld aan de man.

5.12

Voor het geval het hof van oordeel zou zijn dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over de financiële consequenties van de toedeling van de woning aan de man, stelt de man dat hij er op de voet van artikel 3:35 BW gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vrouw het eens was met de financiële consequenties van de feitelijke verdeling, waarbij de man na het verbreken van de relatie van partijen de eigenaarslasten is blijven betalen. De enkele omstandigheid dat de man de eigenaarslasten is blijven betalen is daarvoor echter naar het oordeel van het hof onvoldoende, aangezien de man ook bij uitsluiting van de vrouw het gebruik en het genot had van de woning. De vrouw is bovendien in 2018 een kort geding gestart waarin zij verkoop van de woning vorderde, zodat de man in elk geval daaruit had kunnen en moeten begrijpen dat de vrouw het niet eens was met de feitelijke situatie. Het beroep van de man op artikel 3:35 BW faalt.
De waarde van de woning

5.13

Het hof dient vervolgens te beoordelen tegen welke waarde de woning dient te worden toegedeeld aan de man.

5.14

De rechtbank heeft geoordeeld dat de woning aan de man dient te worden toegedeeld tegen de huidige waarde, naar het hof begrijpt de waarde ten tijde van de daadwerkelijke verdeling.
* De eisen van redelijkheid en billijkheid

5.15

De man komt in de tweede grief op tegen dit oordeel. Hij stelt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de woning in de verdeling wordt betrokken tegen de taxatiewaarde op 13 juni 2016 van € 200.000,-. Hij voert hiertoe aan dat hij vanaf de aankoop van de woning alle lasten van de woning heeft betaald en dat na de relatiebreuk is blijven doen. De woning is bovendien uitsluitend op basis van zijn inkomen gekocht.

5.16

De vrouw betwist op zichzelf niet dat de man vanaf de aankoop van de woning altijd alle lasten van de woning heeft betaald, maar zij stelt dat zij andere kosten van de gemeenschappelijke huishouding heeft voldaan en dat zij de zorg voor de kinderen had en het huishouden deed. De vrouw wijst erop dat de man na het verbreken van de relatie ook bij uitsluiting het genot van de woning heeft gehad. De man betwist dat de vrouw voor de kinderen zorgde en het huishouden deed.

5.17

Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt is dat voor de waarde van de woning wordt uitgegaan van de waarde per de datum van de daadwerkelijke verdeling. Er zijn naar het oordeel van het hof geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die het redelijk of billijk maken om uit te gaan van de taxatiewaarde op 13 juni 2016. Dat de man binnen de relatie van partijen alle lasten van de woning voor zijn rekening nam, vloeit voort uit de wijze waarop partijen hun samenwoning vormgaven. Dat de man het achteraf bezien niet eens is met die verdeling van de lasten, maakt niet dat het redelijk en billijk is om uit te gaan van een eerdere peildatum voor het bepalen van de waarde van de woning. Als de man vond dat de vrouw tijdens de relatie had moeten bijdragen in de woonlasten, had hij dat toen aan de orde moeten stellen en dat heeft hij niet gedaan. Het feit dat de man na verbreking van de samenwoning de lasten is blijven voldoen, noopt evenmin tot een ander oordeel. De man had immers bij uitsluiting van de vrouw het gebruik en genot van de woning en voldeed aan haar geen gebruiksvergoeding. Onder die omstandigheid bestaat voor een correctie op grond van de redelijkheid en billijkheid geen aanleiding.
Verdeling bij helfte?

5.18

De man stelt zich verder op het standpunt dat de vrouw geen aanspraak kan maken op verdeling van de overwaarde bij helfte. De man wijst op artikel 3:166 BW. Dat artikel bepaalt dat de aandelen van de deelgenoten gelijk zijn, tenzij uit de rechtsverhouding anders voortvloeit. Daarvan is hier volgens de man sprake. Hij voert ook in dit kader aan dat de vrouw niet heeft voldaan aan haar verplichting om de eigenaarslasten van de woning voor de helft te dragen. De man stelt bovendien dat de woning op alleen zijn inkomen is aangekocht en ook dat een andere verdeling dan bij helfte rechtvaardigt. De vrouw ziet geen gronden om uit te gaan van een andere verdeling dan bij helfte.

5.19

Het hof is ook op dit punt van oordeel dat de man onvoldoende heeft aangevoerd om te komen tot het oordeel dat uit de rechtsverhouding tussen partijen een andere verdeling van de overwaarde dan bij helfte voortvloeit. Het hof verwijst in dit verband naar de motivering hiervoor onder 5.17. Partijen hebben de woning ieder voor de onverdeelde helft aangekocht. Voor zover de man stelt dat de woning alleen op zijn inkomen is gekocht, overweegt het hof dat het dan op de weg van de man had gelegen om ten tijde van de aankoop te bedingen dat partijen in een andere verhouding eigenaar zouden zijn geworden van de woning. Dat is niet gebeurd en dat betekent in dit geval dat de overwaarde bij helfte dient te worden verdeeld.

5.20

De tweede grief faalt.
De kapitaalverzekeringen/spaarpolissen

5.21

De man vindt dat de volledige waarde die in de spaarpolissen is opgebouwd toekomt aan hem. Hij vordert primair toedeling van de spaarpolissen aan hem, zonder verrekening van de waarde daarvan met de vrouw. In dat verband voert de man aan dat hij altijd de premies en inleg voor de spaarpolissen heeft voldaan, dat hij gehouden zal zijn om de hypotheekschuld voor zijn rekening te nemen en dat hij voor de aankoop van de woning vanuit eigen middelen een bedrag van € 28.815,40 heeft ingebracht, waarvan in ieder geval
€ 13.000,- in de spaarpolissen is gestort. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid brengt daarom volgens de man mee dat de afkoopwaarde van de polissen volledig en zonder verrekening aan hem toekomt.

5.22

Het hof is het eens met het oordeel van de rechtbank dat de vordering van de man om de spaarpolissen zonder verrekening aan hem toe te delen niet toewijsbaar is. Beide polissen staan op naam van partijen gezamenlijk. Zij zijn daarom beiden eigenaar van deze polissen en hebben bij verdeling van de polissen in beginsel allebei recht op de helft van de waarde ervan. Voor een correctie op grond van de redelijkheid en billijkheid bestaat naar het oordeel van het hof geen aanleiding.

5.23

Dat de man binnen de relatie van partijen altijd de premie voor de inleg op de spaarpolissen voor zijn rekening heeft genomen, vloeit voort uit de wijze waarop partijen hun samenwoning vormgaven. Dat de man het daar achteraf bezien niet mee eens is, maakt niet dat aanleiding bestaat voor een correctie op grond van de redelijkheid en billijkheid.

5.24

De man heeft verder gesteld dat hij bij toedeling van de woning aan hem gehouden is om de hypothecaire geldlening voor zijn rekening te nemen. Dat is echter geen omstandigheid die maakt dat het onredelijk zou zijn als de vrouw meedeelt in de waarde die tot februari 2016 in de spaarpolissen is opgebouwd en staat daar los van.

5.25

Voor zover de man heeft gesteld dat rekening moet worden gehouden met de inbreng uit eigen middelen van € 28.815,40 die hij in verband met de aankoop van de woning heeft gedaan, is het hof van oordeel dat, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet vast is komen te staan dat deze eigen inbreng inderdaad vanuit privégeld van de man is voldaan. De man wijst op de offerte van de hypothecaire geldlening van partijen bij ABN AMRO Bank van 7 november 2007. Daaruit blijkt dat die financiering is verstrekt onder het voorbehoud dat partijen eigen middelen inbrengen ter waarde van € 28.815,40, waarbij een bedrag van € 15.815,40 moest worden ingebracht ten behoeve van de gedeeltelijke betaling van de woning inclusief bijkomende kosten en een bedrag van
€ 13.000,- als eerste hoge storting in polis 1. De man stelt dat hij beide bedragen vanuit eigen middelen heeft voldaan en dat hij dit in elk geval ten aanzien van het bedrag van € 13.000,- kan onderbouwen door middel van de overgelegde productie H12 (bij het journaalbericht van 6 mei 2022) en productie 4 bij de conclusie van antwoord. Uit die stukken volgt naar het oordeel van het hof echter niet dat het bedrag van € 13.000,- vanuit privégeld van de man is voldaan. Als het hof op basis van de kopie van de overgelegde bankpas al aanneemt dat de man een privérekening had met rekeningnummer [nummer8] , blijkt uit de overgelegde stukken niet dat van die rekening een storting in de spaarpolissen is gedaan. Er is enkel een financieel jaaroverzicht van die rekening overgelegd met het saldo op 31 december 2006 en het saldo op 31 december 2007. Welke overboekingen in dat jaar van die rekening zijn gedaan blijkt daaruit niet. Weliswaar staat op datzelfde jaaroverzicht onder het kopje ‘Verzekeringen’ een bijstorting van € 13.000,- vermeld, maar daaruit valt niet af te leiden dat deze is gedaan van de privérekening van de man. De vrouw heeft gesteld dat de stortingen ook kunnen zijn gedaan vanuit een gezamenlijk aandelenpakket van partijen. Daarvan zijn geen stukken meer beschikbaar. Ter zitting heeft de vrouw verder nog gezegd dat zij zich herinnert dat partijen op hun vorige woning in [plaats1] een spaarhypotheek hadden, die pas na de notariële overdracht is afgekocht en waarvan de afkoopwaarde in de nieuwe spaarpolis is gestort. Ook daarvan zijn geen stukken meer beschikbaar. Het hof constateert dat beide partijen hun stellingen omtrent de eigen inbreng van € 28.815,40 onvoldoende kunnen onderbouwen. Dat betekent dat niet vast is komen te staan dat de man vanuit eigen middelen een inbreng van € 28.815,40 heeft gedaan. Ook dat vormt daarom geen aanleiding voor een correctie op grond van de redelijkheid en billijkheid.

5.26

De man heeft subsidiair vergoeding gevorderd van het bedrag van € 28.815,40 dat hij vanuit eigen middelen stelt te hebben ingebracht in verband met de aankoop van de woning. Het hof verstaat deze vordering als een regresvordering uit hoofde van artikel 6:10 BW. In hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.25 ligt echter besloten dat het hof van oordeel is dat de man deze vordering onvoldoende heeft onderbouwd, zodat deze niet kan worden toegewezen.

5.27

Gelet op het voorgaande kan het beroep van de vrouw op verjaring van de rechtsvordering(en) van de man - dat zij eerst ter zitting in hoger beroep heeft gedaan en daarmee in beginsel te laat - onbesproken blijven.

5.28

Op grond van het vorenstaande faalt ook de derde grief.


De eigenaarslasten van de woning

5.29

De man heeft gevorderd dat bij toedeling van de woning aan hem de eigenaarslasten die hij altijd alleen voor zijn rekening heeft genomen, verrekend moeten worden met het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning, primair vanaf 1 januari 2008 en subsidiair vanaf 2 februari 2016. Hij heeft deze vordering voorwaardelijk ingesteld, uitsluitend voor zover na de procedure in hoger beroep rechtens vast zal komen te staan dat de verdeling op basis van de huidige waarde van de woning zal moeten plaatsvinden en voor zover de rechtbank de zaak terugverwezen krijgt van het hof.

5.30

De rechtbank heeft overwogen dat die vordering moet worden afgewezen, omdat uit de stellingen van partijen volgens de rechtbank volgt dat de man deze lasten voor zijn rekening zou nemen. De man heeft de vordering volgens de rechtbank bovendien niet juridisch onderbouwd, hetgeen wel van hem verwacht had mogen worden.

5.31

De man komt in de vierde grief op tegen dit oordeel. De man vindt dat de vrouw de helft van de eigenaarslasten van de woning voor haar rekening moet nemen. Dat hij in 2016 bereid was om alle eigenaarslasten te voldoen, kwam omdat partijen toen hadden afgesproken dat de woning aan hem zou worden toegedeeld tegen de taxatiewaarde van
€ 200.000,-. De man stelt dat de vrouw vanaf 1 januari 2008 geen bijdragen heeft geleverd in de eigenaarslasten en dat deze volledig door hem zijn betaald. Er is daarom volgens de man sprake van ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw. Er is volgens de man bovendien sprake van strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen. Het gegeven dat de man sinds februari 2016 het uitsluitend genot van de woning heeft, rechtvaardigt in zijn optiek geen andere conclusie.
De vrouw vindt dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan.

5.32

Het hof is ten aanzien van deze vordering van oordeel dat het feit dat de man binnen de relatie van partijen alle lasten van de woning voor zijn rekening nam, voortvloeit uit de wijze waarop partijen hun samenwoning vormgaven. De man heeft tijdens de samenwoning geen aanspraak gemaakt op voldoening door de vrouw van de helft van de woonlasten en er is geen grond om dit nu achteraf alsnog te doen. Voor zover de man zich beroept op ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw, overweegt het hof dat daarvan tijdens de relatie van partijen geen sprake is. De man heeft immers niet betwist dat de vrouw tijdens de relatie andere lasten heeft voldaan en zij is daarom niet verrijkt. Na het verbreken van de relatie van partijen is evenmin sprake van ongerechtvaardigde verrijking. Tegenover de woonlasten die de man vanaf toen heeft voldaan, staat immers het uitsluitend gebruik en genot dat hij van de woning heeft, zonder dat de vrouw daarvoor een gebruiksvergoeding ontvangt. Van strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen is naar het oordeel van het hof evenmin sprake.

5.33

Op grond van het vorenstaande faalt ook de vierde grief.

5.34

Gelet op het voorgaande kan het beroep van de vrouw op verjaring van de rechtsvordering(en) van de man - dat zij eerst ter zitting in hoger beroep heeft gedaan en daarmee in beginsel te laat - onbesproken blijven.


Het bedrag van € 803,-

5.35

De rechtbank heeft overwogen dat de vordering van de man om de vrouw te veroordelen hem een bedrag van € 803,- te betalen in verband met door haar ontvangen kindgebonden budget, dat door de man is terugbetaald, zal worden toegewezen. De rechtbank heeft de vordering van de man tot de betaling van de wettelijke rente over dat bedrag afgewezen. Tegen dat laatste oordeel komt de man op in de vijfde grief.

5.36

De man stelt dat de vrouw in verzuim was op 26 januari 2016 toen zij een onterechte overboeking - zonder medeweten en toestemming van de man - had verricht. Subsidiair stelt de man dat de vrouw in elk geval per 19 juni 2018 dan wel per datum indiening van de conclusie van antwoord van de man op 29 juli 2020 in verzuim is geraakt.

5.37

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de man de vrouw niet in gebreke heeft gesteld terzake de nakoming van een op haar rustende verplichting om aan de man terug te betalen wat hij had terugbetaald. De vrouw is daarom terzake die verbintenis niet in verzuim geraakt. Ook de vijfde grief faalt.

De proceskosten

5.38

Partijen hebben over en weer verzocht elkaar te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat in een situatie als de onderhavige, waarin partijen hebben samengewoond en hun geschil voortvloeit uit de beëindiging van hun samenlevingsverband, iedere partij zijn eigen kosten draagt.
Terugverwijzing

5.39

Nu het geding nog niet in staat van wijzen is, partijen niet eensluidend aan het hof hebben verzocht de zaak zelf af te doen en het hof evenmin aanleiding ziet om de zaak aan zich te houden, zal de zaak ex artikel 355 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden terugverwezen naar de rechtbank, voor verdere afdoening en beslissing met inachtneming van hetgeen in dit arrest is overwogen en beslist.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussenvonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van
4 november 2020, voor zover aan dit hoger beroep onderworpen;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, voor verdere afdoening en beslissing met inachtneming van hetgeen in dit arrest is overwogen en beslist;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in dit hoger beroep, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, L. van Dijk en F.V. Marquenie en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2022.

1 Hoge Raad 22 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7205

2 Hoge Raad 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279