Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:5844

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-07-2022
Datum publicatie
15-07-2022
Zaaknummer
21/00676
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2021:2278, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Geïndividualiseerde inkomstenbelasting in strijd met EVRM en/of IVBPR?.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-7-2022
FutD 2022-2038
NLF 2022/1392
V-N Vandaag 2022/1840
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 21/00676

uitspraakdatum: 5 juli 2022

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 mei 2021, nummer AWB 20/6169, ECLI:NL:RBGEL:2021:2278, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 64.544.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2020 de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank).

1.4.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 6 mei 2021 het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft op 14 juni 2021 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6.

De Inspecteur heeft op 11 oktober 2021 een verweerschrift ingediend.

1.7.

Belanghebbende heeft op 13 december 2021 een nader stuk ingediend.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2022. Deze zaak is gezamenlijk behandeld met de zaak van belanghebbendes echtgenote met nummer 21/00677. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en [naam2] .

1.9.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren [in] 1983, is gehuwd met [de echtgenote] (hierna: zijn echtgenote). Zij hebben samen drie kinderen.

2.2.

Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar 2019 loon uit dienstbetrekking genoten ten bedrage van € 74.382. Na aftrek van de kosten eigen woning en van giften resteert een belastbaar inkomen van € 64.544, waarover belanghebbende een bedrag van € 23.303 aan inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen is verschuldigd.

2.3.

Zijn echtgenote heeft in het onderhavige jaar een resultaat uit overige werkzaamheden genoten ten bedrage van € 295. Aan de echtgenote is een aanslag opgelegd die resulteert in een te ontvangen bedrag van € 556 aan uitbetaalde heffingskortingen.

2.4.

Belanghebbende heeft bij de Rechtbank betoogd dat hij en zijn echtgenote in vergelijking met tweeverdieners met hetzelfde gezinsinkomen, onevenredig veel belasting betalen – naar zijn zeggen een bedrag van € 10.302 meer aan inkomstenbelasting dan een gezin met tweeverdieners – hetgeen een schending van verdragsbepalingen behelst. De Rechtbank heeft dit betoog verworpen en in dat verband overwogen dat van een schending van artikel 8 EVRM (recht op familie- en gezinsleven), artikel 26 IVBPR en/of artikel 14 EVRM (verbod op discriminatie) en artikel 1 EP bij het EVRM (eigendomsrecht) geen sprake is.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de geïndividualiseerde heffing van inkomstenbelasting een schending van het EVRM dan wel het IVBPR behelst, omdat zij een niet te rechtvaardigen ongelijke behandeling teweegbrengt van één- en tweeverdienersgezinnen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2.

Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat hij in wezen betoogt dat het in strijd is met verdragsrechtelijke bepalingen dat het arbeidsinkomen niet is begrepen onder de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen bedoeld in artikel 2.17, lid 5, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB).

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2019 met een bedrag van € 10.302. De Inspecteur concludeert tot handhaving van de aanslag IB/PVV 2019.

4 Beoordeling van het geschil

Geïndividualiseerde inkomstenbelasting

4.1.

Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet IB is onder meer het volgende opgemerkt:

“2.5. Emancipatie en economische zelfstandigheid

Bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid vormt een van de doelstellingen van de belastingherziening. Met de afschaffing van de mogelijkheid tot overdracht van de basisaftrek, de invoering van een individueel uit te betalen heffingskorting, de verlaging van de marginale tarieven, de mogelijkheid voor volledige individualisering op het gebied van de toerekening van inkomensbestanddelen (…) wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het beleid inzake de bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid.”

(TK 1998-1999, 26727, nr. 3, p. 17)

“3.4. Individualisering

Een van de maatschappelijke ontwikkelingen sinds de inwerkingtreding van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is een ontwikkeling naar een grotere mate van verzelfstandiging. Dit heeft zijn weerslag gevonden in de ontwikkeling van de inkomstenbelasting. In de periode tot en met 1972 werden alle inkomensbestanddelen van de vrouw toegerekend aan haar man. Met ingang van 1973 is dit systeem verlaten en werd een verzelfstandiging van de gehuwde vrouw, zij het beperkt, ingevoerd. Met ingang van 1984 is de situatie bereikt waarin echtgenoten ieder zelfstandig in de heffing worden betrokken voor de persoonlijke inkomensbestanddelen, terwijl de overige inkomensbestanddelen worden toegerekend aan de echtgenoot met het hoogste persoonlijke inkomen. Met ingang van 1992 zijn bij de invoering van de Brede Herwaardering I ook de inkomsten uit periodieke uitkeringen, waaronder lijfrenten, verzelfstandigd. Met de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt een stap gezet op de weg naar verdere individualisering van het belastingstelsel, waarbij draagkrachtbepalende factoren zoals het hebben van een partner zonder inkomen, niet worden veronachtzaamd.

Individualiseren op het terrein van de inkomenstoerekening betekent dat inkomsten worden belast bij de partner die genieter is van de inkomsten. Aftrekbare uitgaven komen in aanmerking bij de partner op wie de uitgaven drukken. Bij de vormgeving van de individualiseringsgedachte in dit wetsvoorstel is voor een praktische benadering gekozen. Voor de nog niet geïndividualiseerde inkomensbestanddelen is het uitgangspunt dat belastingplichtigen die dit wensen de mogelijkheid krijgen om hun eigen inkomsten en aftrekposten aan te geven, zonder op basis van een wettelijke toerekeningsregel gedwongen te zijn om bepaalde bestanddelen van het inkomen over te brengen naar de aangifte van de meestverdiener. Daarnaast is het echter wenselijk dat belastingplichtigen ook de mogelijkheid hebben om alle gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten op de aangifte van een van beide aan te geven. Hiermee kan bijvoorbeeld worden bereikt dat de andere partner niet in de heffing van inkomstenbelasting wordt betrokken. Aan belastingplichtigen wordt derhalve de keuze gelaten bij wie de gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten voor welk deel worden aangegeven. Beide partners kunnen volledig individueel aangifte doen van hun eigen inkomsten en hun eigen aftrekposten, maar zij hebben ook de mogelijkheid om de gemeenschappelijke bestanddelen op de aangifte van een van beiden te vermelden. Deze keuzevrijheid leidt ertoe dat geen problemen ontstaan ten aanzien van de toerekening van de gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten: iedere gewenste verdeling is mogelijk, mits beide partners gezamenlijk het totaal van de gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten aangeven. De toerekening tussen partners zou, wanneer geen keuzevrijheid wordt geboden, een juridisch complexe problematiek meebrengen, die de uitvoering zowel voor belastingplichtigen als voor de belastingdienst onnodig zwaar belast.”

(TK 1998-1999, 26727, nr. 3, p. 24-25)

“De leden van de fractie van het CDA vragen of de geboden vrije keuzemogelijkheid bij de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag niet strijdig is met de individualiseringsgedachte. De leden van de SGP-fractie zien deze vrije toerekening op zich als een positieve ontwikkeling. Zij zien hierin een klein stukje splitsingsstelsel, maar zien het als een gemiste kans dat de vrije toerekening niet meer inkomensbestanddelen omvat, zodat het splitsingsstelsel in veel verdergaande mate zou worden gerealiseerd. Het uitgangspunt van de in artikel 2.4.4 [Hof: artikel 2.17] neergelegde regeling is dat de belastingheffing zoveel mogelijk wordt geïndividualiseerd. Bij een aantal inkomstensbestanddelen en de bestanddelen van de rendementsgrondslag zou volledige individualisering – zoals we elders in deze paragraaf nader toelichten – kunnen leiden tot complexe toerekeningsproblemen bij partners, met name indien sprake is van een gezamenlijk vermogen. Toerekeningsproblemen kunnen ook ontstaan indien het uitgaven betreft die verband houden met de kinderen van de partners. Omwille van de uitvoerbaarheid is gekozen voor een praktische regeling. De leden van de fractie van CDA vragen waarom ten behoeve van de eenvoud niet is gekozen voor een splitsingsstelsel. De leden van de SGP-fractie vragen waarom niet is overgegaan tot het uitbreiden van de inkomensbestanddelen waarvoor deze regeling geldt.

Het uitbreiden van de inkomensbestanddelen waarvoor deze regeling geldt achten wij niet opportuun. Immers, een vrije toerekening van inkomensbestanddelen die opkomen bij een van de partners en waarbij toerekening geen problemen oplevert zou strijdig zijn met de individualiseringsgedachte. In het wetsvoorstel ligt dus geen keuze voor het splitsingsstelsel besloten. Voor een beschouwing over het splitsingsstelsel verwijzen wij deze leden naar de Bouwstenennotitie deel I (juli 1994), blz. 252 tot en met 262.”

(TK 1999-2000, 26727, nr. 7, p. 103-104)

4.2.

Tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2011 is onder meer het volgende opgemerkt:

“De leden van de fractie van het CDA stellen voor om de reparatie aan te brengen in artikel 2.17 Wet IB 2001. Daarbij zou moeten worden bepaald dat terbeschikkingstellingsinkomsten (tbs-inkomsten) altijd moeten worden toegerekend aan de meestverdienende partner. Deze gedachte past niet bij het uitgangspunt van de huidige Wet IB 2001 dat de belastingheffing zoveel mogelijk is geïndividualiseerd. Dit betekent dat de inkomsten in de regel worden belast bij de partner die de inkomsten geniet en wordt dus niet aangesloten bij het gezinsinkomen en degene die het meeste verdient. Verder sluit de gedachte van het toerekenen aan de meestverdienende echtgenoot niet aan bij de juridische en economische werkelijkheid. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie met twee niet in gemeenschap van goederen gehuwde partners waarbij de minstverdienende partner een tbs-vermogensbestanddeel heeft en vervolgens de meestverdienende partner de inkomsten uit het tbs-vermogensbestanddeel zou moeten aangeven. Overigens roept het voorstel de vraag op op basis van welk inkomen zou moeten worden bepaald wie de meestverdienende partner is.”

(EK 2010-2011, 32504, D, p. 25-26)

4.3.

Met voornoemde toelichtingen heeft de wetgever te kennen gegeven dat gekozen is voor individualisering van de inkomstenbelasting, waarmee is beoogd de emancipatie en de economische zelfstandigheid van burgers te bevorderen. Voor zover het betoog van belanghebbende erop neerkomt dat de wetgever met het streven naar individualisering van het belastingstelsel uit het oog verliest dat burgers de vrijheid moet worden gelaten hun (gezins)leven naar eigen inzicht in te richten, zonder daarbij te worden geconfronteerd met aan hun keuzes verbonden fiscale gevolgen, miskent belanghebbende dat de rechter niet kan treden in een beoordeling van de uitgangspunten die de wetgever binnen een dergelijk maatschappelijk en/of politiek debat kiest. Voor zover het betoog van belanghebbende uiting geeft aan een maatschappijvisie volgens welke burgers een keuzevrijheid behoren te genieten om hun (gezins)leven zonder (vergaande) overheidsinmenging in te richten en zonder te worden blootgesteld aan uiteenlopende fiscale gevolgen van dergelijke keuzen, kan dit derhalve niet slagen (vgl. HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:429, r.o. 2.3.2).

4.4.

Belanghebbende werpt de vraag op of een geïndividualiseerde belastingheffing de toets aan het evenredigheidsbeginsel kan doorstaan. Met de individualisering van het belastingstelsel is evenwel uitdrukking gegeven aan een welbewuste afweging van de wetgever. Die afweging in een individueel geval terzijde stellen zou de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaan (vgl. HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1719, r.o. 4.7).

4.5.

Met betrekking tot hetgeen belanghebbende naar voren brengt over schending van verdragsbepalingen, geldt het volgende.

Artikel 8 EVRM (recht op familie- en gezinsleven)

4.6.

Artikel 8 EVRM beschermt onder meer het recht op privé-, familie- en gezinsleven. De bescherming van artikel 8 EVRM kan zich uitstrekken tot financiële aangelegenheden, zoals belastingheffing. De ongelijke behandeling van één- en tweeverdienersgezinnen kan de belastingplichtige, dan wel zijn of haar partner, ertoe bewegen (meer) inkomen te gaan genereren. De heffing over het geïndividualiseerde inkomen kan dus van invloed zijn op de wijze waarop privé-, familie- of gezinsleven van één of beide partners wordt vormgegeven. Zij valt dan ook binnen de werkingssfeer van artikel 8 EVRM.

4.7.

Artikel 8 EVRM staat, voor zover hier van belang, geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van privé-, familie- en gezinsleven toe dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van het economisch welzijn van het land.

4.8.

Voor zover de heffing over het geïndividualiseerde inkomen een inmenging in privé-, familie- of gezinsleven vormt, betreft het niet een inmenging die onverenigbaar is met artikel 8 EVRM. Zij is bij wet voorzien. De met de geïndividualiseerde heffing nagestreefde, in onderdeel 4.1 weergegeven, doelen van onder meer sociaaleconomische en emancipatoire aard dienen het economisch welzijn van het land als bedoeld in artikel 8, lid 2, EVRM. Bij de afweging van de betrokken belangen komt de wetgever beoordelingsvrijheid toe. De keuze van de wetgever om ter verwezenlijking van die doelen de heffing van inkomstenbelasting te individualiseren, valt binnen die beoordelingsvrijheid (vgl. HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:429, r.o. 2.4.4). Van een schending van artikel 8 EVRM is derhalve geen sprake.

Artikel 26 IVBPR en/of artikel 14 EVRM (verbod op discriminatie)

4.9.

Artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel.

4.10.

Op fiscaal gebied komt aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is. De hiervoor bedoelde ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever in belastingzaken omvat naar het oordeel van de Hoge Raad bij uitstek de verdeling van de belastingdruk over categorieën belastingplichtigen, zoals in dit geval aan de orde is (vgl. HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:429, r.o. 2.5.2).

4.11.

Zoals volgt uit de in onderdeel 4.1 weergegeven wetsgeschiedenis, heeft de wetgever om redenen van sociaaleconomische en emancipatoire aard gekozen voor een geïndividualiseerde heffing van inkomstenbelasting. Hoewel zich ter verwezenlijking van die doelen ook andere maatregelen laten denken, is deze keuze van de wetgever niet van elke redelijke grond ontbloot. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die hem op fiscaal gebied toekomt, is de onderhavige regeling niet in strijd met artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM, in samenhang met artikel 1 EP (vgl. HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3719, r.o. 3.8.1; HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:429, r.o. 2.5.3).

4.12.

Belanghebbende heeft nog betoogd dat een keuze voor geïndividualiseerde belastingheffing niet steunt op een gedegen onderzoek naar het effect daarvan op de emancipatie en de economische zelfstandigheid van burgers. Belanghebbende verwijst in dat verband onder meer naar een onderzoek van Van Mulligen en het Eindrapport Verkenning Bevolking 2050 waaruit volgens belanghebbende zou blijken dat de keuze voor een geïndividualiseerde belastingheffing niet heeft bijgedragen aan de emancipatie en de economische zelfstandigheid van burgers. Zo deze conclusie al kan worden getrokken, volgt daaruit evenwel niet dat deze keuze van redelijke grond is ontbloot. Het verbod van discriminatie gaat niet zo ver dat een maatregel die, met het oog op een in de praktijk ervaren probleem, onderscheid maakt tussen vergelijkbare gevallen, slechts toelaatbaar is indien het bestaan en de omvang van dat probleem en de effectiviteit van de gekozen oplossing empirisch zijn vastgesteld. Gelet op de hem toekomende beoordelingsvrijheid mag de fiscale wetgever een dergelijk onderscheid ook baseren op veronderstellingen omtrent het probleem en de effectiviteit van de daarvoor gekozen oplossing. Niet gezegd kan worden dat de onderhavige veronderstellingen zo weinig voor de hand liggen dat het evident onredelijk is ze aan het onderscheid ten grondslag te leggen (vgl. HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1206).

Artikel 1 EP bij het EVRM (eigendomsrecht)

4.13.

Het heffen van belasting is een inmenging in het door artikel 1 EP bij het EVRM gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. Deze inmenging is in het algemeen gerechtvaardigd; de tweede alinea van deze bepaling voorziet in een uitzondering om de betaling van belastingen of andere heffingen te verzekeren. Wel moet die inmenging volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ‘lawful’ zijn, een ‘legitimate aim’ dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren. Bij de beoordeling of de geïndividualiseerde heffing van inkomstenbelasting die ‘fair balance’ respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid (vgl. HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, r.o. 3.2.1).

4.14.

De belangen die de wetgever heeft willen dienen met de geïndividualiseerde heffing van inkomstenbelasting zijn van sociaaleconomische en emancipatoire aard (zie onderdeel 4.1). Met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt, wordt daarmee aan de uit artikel 1 EP bij het EVRM voortvloeiende proportionaliteitseis voldaan. Er bestaat immers een redelijke verhouding tussen de belangen die de wetgever met dat geïndividualiseerde stelsel heeft willen dienen en de ongelijkheid die wordt veroorzaakt door de vormgeving die de wetgever heeft gekozen voor de verwezenlijking van dat doel.

4.15.

Van de zojuist bedoelde toets van de regelgeving moet worden onderscheiden de situatie waarin een belastingplichtige stelt in strijd met artikel 1 EP bij het EVRM te worden geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als gevolg van de geïndividualiseerde heffing van inkomstenbelasting. Een keuze van de wetgever binnen die beoordelingsvrijheid kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen (vgl. HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.2). Dit laatste kan zich bij belanghebbende alleen voordoen als bijzondere, niet voor alle eenverdieners geldende, feiten en omstandigheden een buitensporige last voor hem teweegbrengen. Zulks is evenwel op generlei wijze gebleken, zodat een individuele en buitensporige last zich niet voordoet.

Heroverweging in bezwaar

4.16.

De Inspecteur heeft de onderhavige aanslag op de voet van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan een inhoudelijke beoordeling onderworpen en uitspraak op het bezwaar gedaan. Daarbij dient de Inspecteur inzicht te verschaffen in de aan zijn beslissing liggende gedachtegang. Met zijn overweging omtrent toetsing van formele wetgeving heeft de Inspecteur – anders dan belanghebbende meent – voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang, zodat van schending van artikel 7:11 Awb geen sprake is.

Slotsom

4.17.

Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. M. Harthoorn en mr. T.H.J. Verhagen in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 5 juli 2022 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 juli 2022

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.