Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:5750

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-07-2022
Datum publicatie
11-07-2022
Zaaknummer
200.289.968/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van de beslissing van de rechtbank om een deskundigenbericht te bevelen en waarbij aan de deskundige door de rechtbank geformuleerde vragen ter beantwoording zijn voorgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.289.968/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 127612)

arrest van 5 juli 2022

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,
bij de rechtbank: eiser

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.R. Bügel, die kantoor houdt te Dronten,

tegen

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,

statutair gevestigd te Den Haag en kantoorhoudende te Assen,

geïntimeerde,

bij de rechtbank: gedaagde,

hierna: NAM,

advocaat: mr. P.A.Th. Kostwinder, die kantoor houdt te Groningen.

1 De procedure bij de rechtbank

Voor het geding bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 20 mei 2020 en 11 november 2020 die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft gewezen.

2 De procedure bij het hof

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 3 februari 2021,

- de memorie van grieven tevens akte vermindering van eis van 4 mei 2021,

- de memorie van antwoord van 13 juli 2021, met productie,

- het tussenarrest van 12 oktober 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen,

- het proces-verbaal van de op 24 juni 2022 gehouden mondelinge behandeling, waaraan de spreekaantekeningen van mr. Bügel zijn gehecht.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

3 Waar gaat het in deze zaak om?

3.1

Het gaat er in dit hoger beroep om of de beslissing van de rechtbank om een deskundigenbericht te bevelen en waarbij de deskundige [naam1] van Exploitatiemaatschappij Elfrink BV de door de rechtbank geformuleerde vragen ter beantwoording zijn voorgelegd in stand kan blijven of dat deze beslissing vernietigd moet worden. Dit geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond.

3.2

[appellant] is eigenaar van de woningen aan de [adres] 23 (hierna: de woning) en 25 te

[woonplaats] .

3.3

In 2014 heeft [appellant] bij Centrum Veilig Wonen melding gemaakt van schade aan beide woningen als gevolg van de aardbeving bij Leermens op 13 februari 2014. De schade

aan de woning [adres] 25 is inmiddels afgehandeld.

3.4

Naar aanleiding van de schademelding heeft Octa Adviseurs (hierna: Octa) in

opdracht van NAM de gemelde schade aan de woning van [appellant] onderzocht. Octa heeft

vervolgens op 4 augustus 2014 een rapport uitgebracht. Octa heeft volgens dit rapport

geconstateerd dat er geen oorzakelijk verband is tussen de door [appellant] getoonde schade en de

bevingen. Volgens Octa zijn de aangetroffen schades mogelijk veroorzaakt door

zetting/verzakking.

3.5

[appellant] heeft vervolgens een contra-expertise laten uitvoeren door Troostwijk

Expertises (hierna: Troostwijk). Troostwijk heeft in november 2015 de schade aan de

woning onderzocht en haar bevindingen opgenomen in een rapportage d.d. 28 maart 2016.

Troostwijk komt tot de volgende conclusie:

‘Na de schade te hebben bekeken en de rapportage van de heer [naam2] (Octa adviseurs BV) te hebben doorgenomen, komen wij tot de conclusie dat de in de verkorte expertise rapport genoemde schade waar door de gaswinning geen causaal verband bestaat, niet juist is en dat er voorbij wordt gegaan aan de bewegingen die een gebouw maakt wanneer er een aardbeving /trilling veroorzaakt door gaswinning plaats vindt. In de rapportage wordt alleen rekening gehouden met bewegingen die van links naar rechts gaan (Horizontale schade) en niet met de bewegingen die op en neer gaan (verticale schade).’

3.6

Vervolgens is de in de akte van benoeming aangewezen derde expert/arbiter, [naam3] van Janze Expertisebureau (hierna: Janze), verzocht de schade binnen de grenzen van de taxaties van de eerdere deskundigen bindend vast te stellen. [naam3] komt in zijn rapport tot de volgende conclusie:
6 Nadere toelichting beslissing Derde expert /Arbiter

Op basis van de aan mij verstrekte informatie, mijn locatiebezoek en mijn ervaring, concludeer ik dat de diverse uitgebrachte rapportages die zowel in opdracht van de NAM als in opdracht van de Nationaal Coördinator Groningen zijn uitgebracht, elkaar tegen spreken, onvoldoende onderbouwd zijn en/of elkaar in twijfel trekken. Aan geen enkele rapportage kan voldoende bewijskracht worden toegekend om de onderhavige schade toe of af te wijzen. Hierbij heb ik onder meer meegewogen dat niet uit te sluiten is dat herhaald kortdurende lichte trillingen op kwetsbare en reeds beschadigde constructies en op de bodem de onderhavige schade kan veroorzaken/verergeren en dat de SBR richtlijn A geen rekening houdt met een groot aantal (kleine) aardbevingen.

6.1

De bouwkundige staat van de woning in relatie tot de schadeclaim:

De woning -bouwjaar 1915- heeft -met verwijzing naar punt 5.1 van de rapportage-

scheurvorming waarvan het aannemelijk is dat deze door aardbeving is ontstaan en/of verergerd. De geclaimde schades zijn voor een belangrijk deel terug te voeren naar bouwkundige oorzaken. M.b.t. de al in slechte staat verkerende buitengevels, is er voor een klein deel sprake van een significante toename als gevolg van aardbeving. Ik onderschrijf de bevindingen van de 1e lijn expert grotendeels doch niet uitgesloten kan worden dat door de aardbevingen de schade deels is toegenomen en mogelijk ook deels ontstaan als gevolg van aardbeving. Rekening houdend met de bouwkundige staat van de woning, is het buitenproportioneel om alle aanwezige schades als aardbeving gerelateerd toe

te kennen. Tijdens de inspectie is met partijen overeengekomen het toe te kennen percentage van de geclaimde schade vast te stellen na ontvangst van de JBG begroting en na een nog te plannen gezamenlijk telefonisch overleg. (...)

6.2

Reactie op de zienswijze van partijen (bijlage 1)

Zoals ter plekke tijdens het locatiebezoek besproken, ga ik -m.u.v. de badkamer- uit van 100% vergoeding van de herstelkosten van de binnenwanden. Rekening houdend met de bouwkundige staat van de woning/ het achterstallige onderhoud, beoordeel ik dat 20% van de herstelkosten voor het herstel van de buitengevels gezien kan worden als een toename van de schade als gevolg van de aardbeving. De door de contra-expert genoemde schadebedragen (zie bijlage 1) beoordeel ik -met verwijzing naar wat tijdens het locatiebezoek is besproken-als onrealistisch. Het causale verband met aardbeving t.o.v. de slechte staat van onderhoud en de vermeldde schadebedragen, zijn niet in verhouding. De door de 1e lijn expert voorgestelde schaderegeling komt mijns inziens ruimschoots tegemoet aan wat - in deze situatie- een reële en billijke schadevergoeding genoemd mag worden.
7 Conclusie/Schade

De gecalculeerde bedragen zoals genoemd in de twee JBG begrotingen (zie bijlage 2) beoordeel ik als reëel/redelijk. Op basis van de aan mij verstrekte informatie, mijn locatie bezoek, de reacties van partijen en mijn ervaring, stel ik deze schade -overeenkomstig de door de 1e lijn voorgestelde schaderegeling- (zie bijlage 1) vast op € 8.656,68 incl. BTW.’

3.7

JBG Bedrijfsburo heeft -blijkens haar brief met bijlagen van 26 juni 2017- de

totale herstelkosten (binnen en buiten) aan de woning begroot op € 24.002,73 inclusief

omzetbelasting.

3.8

Nadat partijen niet tot overeenstemming konden komen, heeft [appellant] bij de rechtbank gevorderd dat NAM wordt veroordeeld tot betaling van € 24.002,72, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW van toepassing is, dat NAM dit bewijsvermoeden niet heeft ontzenuwd of weerlegd door aannemelijk te maken dat andere oorzaken ten grondslag liggen aan de door [appellant] geclaimde schade en dat de schade volledig beschouwd moet worden als aardbevingsschade.

3.9

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 20 mei 2020 geoordeeld dat [appellant] een beroep toekomt op het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW en dat het aan NAM is om dit bewijsvermoeden te weerleggen. Geoordeeld is dat NAM in dit kader dient te bewijzen -waaronder is begrepen voldoende aannemelijk maken- dat de schade niet is veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld, maar dat NAM het bewijsvermoeden vooralsnog onvoldoende heeft weerlegd. Omdat, naar het oordeel van de rechtbank, de conclusies van de rapporten van de eerstelijns deskundige en de contra-deskundige tegenstrijdig zijn en de derde deskundige niet uitvoerig heeft gemotiveerd of de geconstateerde schades al dan niet veroorzaakt zouden zijn door aardbevingen, vond de rechtbank het nodig om onderzoek door een deskundige in te laten stellen naar de oorzaak van de schades aan de woning. De rechtbank heeft vervolgens een voorstel voor aan de deskundige te stellen vragen gedaan en de suggestie gedaan om de heer [naam1] , verbonden aan Exploitatiemaatschappij Elfrink BV, tot deskundige te benoemen. Nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de aard van de verlangde deskundigheid, de persoon van de deskundige en de aan deze te stellen vragen, benoemde de rechtbank in het vonnis van 11 november 2020 de heer Elfrink en legde hem de volgende vragen voor:
1. Kunt u aangeven wat de algehele bouwkundige toestand van de woning is?

2. Welke schade kan aan de woning worden vastgesteld?

3. Wat is/zijn naar uw oordeel de oorzaak/oorzaken van de geconstateerde schades aan de

woning?

4. Indien naast aardbevingen ook andere oorzaken tot een bepaalde schade hebben geleid,

kunt u dan aangeven in welke mate (uitgedrukt in percentages) de verschillende oorzaken

aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen?

5. Kunnen de schades worden hersteld? Zo ja, op welke wijze?

6. Welk bedrag is gemoeid met het herstel van de geconstateerde schade? Kunt u bij

beantwoording van deze vraag onderscheid maken naar de schade die als een rechtstreeks

dadelijk gevolg van aardbevingen is ontstaan en/of verergerd en de schade die dat niet is?
7. Geeft uw onderzoek overigens nog aanleiding tot opmerkingen?

3.10

Tegen die tussenvonnissen van de rechtbank is het hoger beroep gericht. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat het hof de beslissing van de rechtbank tot benoeming van de deskundige vernietigt, althans tot aanpassing van de door de rechtbank geformuleerde vragen 3 en 4 komt.

4 Het oordeel van het hof

De opzet en de conclusie van deze uitspraak

4.1

Het hof zal de bezwaren (grieven) van [appellant] hierna per onderwerp en met tussenkopjes bespreken.

4.2

De conclusie zal zijn dat het bezwaar van [appellant] tegen het bevolen deskundigenbericht zal worden verworpen, maar dat zijn bezwaren met betrekking tot de aan de deskundige te stellen vragen doel treffen op de wijze zoals hierna nader zal worden gemotiveerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

4.3

NAM beroept zich op de niet-ontvankelijkheid van [appellant] in zijn hoger beroep, waarbij zij ten eerste stelt dat [appellant] zijn recht op bezwaar tegen het deskundigenbericht heeft verwerkt, doordat hij tijdens de comparitie bij de rechtbank heeft verklaard dat als de rechtbank een deskundige wil benoemen, hij zich daarin zal schikken. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat deze opmerking slechts betrekking had op de vraag of er nader technisch onderzoek nodig was en dat dit dus niets zegt over de bewijslevering zelf en de bewijsopdracht in relatie tot het bewijsvermoeden. Daarbij heeft hij er ook op gewezen dat het hoger beroep er mede toe strekt om in eerste aanleg gemaakte fouten te herstellen en dat een verweer niet als ‘gedekt’ kan worden aangemerkt op de enkele grond dat het desbetreffende verweer onverenigbaar is met de in eerste aanleg door een partij ingenomen proceshouding.

4.4

Het hof stelt voorop dat om rechtsverwerking te kunnen aannemen nodig is dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend kan maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of bevoegdheid alsnog geldend zou worden gemaakt1.
Het hof oordeelt dat gesteld noch gebleken is dat zich hier de situatie voordoet dat [appellant] door zijn uitlating tijdens de comparitie bij de rechtbank het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij niet in hoger beroep zou komen tegen de beslissing van de rechtbank tot benoeming van een deskundige, of dat hij de positie van NAM onredelijk zou verzwaren door dit te doen. Daarmee verwerpt het hof het beroep van NAM op rechtsverwerking, nog daargelaten dat in hoger beroep ingenomen nieuwe stellingen, die in zoverre afwijken van de stellingen bij de rechtbank, niet snel terzijde kunnen worden geschoven. Dat zou immers afbreuk doen aan de herkansingsfunctie van het hoger beroep.

4.5

NAM heeft - subsidiair - gesteld dat [appellant] niet-ontvankelijk is, omdat de rechtbank in het eerste tussenvonnis niet heeft bepaald dat tussentijds appel daarvan openstaat en meer subsidiair dat de appeltermijn van dit eerste tussenvonnis al op 20 augustus 2020 is verstreken. Het hof oordeelt dat ook dit beroep op niet-ontvankelijkheid niet slaagt.
De beslissing tot het openstellen van tussentijds hoger beroep brengt mee dat tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld van alle tot dan toe in de procedure gewezen tussenvonnissen, wat betekent dat ook hoger beroep openstaat van het tussenvonnis van 20 mei 2020, omdat gesteld noch gebleken is dat dit vonnis niet vatbaar is voor hoger beroep, dan wel in een eerder door [appellant] ingesteld hoger beroep had kunnen worden betrokken (de zogenoemde ‘een-keer-schieten regel’) 2.

4.6

De conclusie is dat [appellant] kan worden ontvangen in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank om een deskundigenbericht te bevelen en tegen de vraagstelling door de rechtbank3.

Bevel deskundigenbericht
4.7 [appellant] maakt, als gezegd, bezwaar tegen de beslissing van de rechtbank om een deskundigenbericht te bevelen, waarbij hij zich op het standpunt stelt dat dit innerlijk tegenstrijdig is met het oordeel van de rechtbank dat NAM het bewijsvermoeden onvoldoende heeft weerlegd. Omdat NAM het bewijsvermoeden niet heeft weerlegd, staat daarmee vast dat de oorzaak van de door hem gevorderde schade moet zijn gelegen in bodembewegingen als gevolg van gaswinning en is onderzoek naar de oorzaak van de schade onnodig en ook onjuist. Ten eerste stelt hij zich op het standpunt dat geen sprake meer kan zijn van bewijslevering door NAM en ten tweede - voor het geval NAM hiertoe toch in de gelegenheid zou worden gesteld - dat benoeming van een rechtbankdeskundige onjuist is, omdat deze dan feitelijk de bewijslast van NAM overneemt en de rechtspositie van [appellant] hierdoor onevenredig wordt benadeeld. Immers, als het bewijsvermoeden wordt weerlegd (door het deskundigenbericht) komt op [appellant] de bewijslast te rusten, maar daaraan zal hij niet kunnen voldoen vanwege het gewicht van het rapport van de rechtbankdeskundige. Door zich uit te laten over de aard van de verlangde deskundigheid, de persoon van de deskundige en de aan deze te stellen vragen, zoals opgedragen door de rechtbank, werkt hij feitelijk mee aan de benoeming van de deskundige en daarmee aan de weerlegging van het bewijsvermoeden.
4.8 Het hof is van oordeel dat [appellant] niet in zijn standpunt kan worden gevolgd dat de rechtbank heeft geoordeeld dat NAM het bewijsvermoeden onvoldoende heeft weerlegd, waaruit volgt dat daarmee vaststaat dat de oorzaak van de door hem gevorderde schade moet zijn gelegen in de bodembeweging als gevolg van gaswinning en dat NAM dus niet meer in de gelegenheid behoort te worden gesteld dit bewijsvermoeden te weerleggen. Immers in 4.6 van het tussenvonnis van 20 mei 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat NAM het bewijsvermoeden vooralsnog (cursief, hof) onvoldoende heeft weerlegd, terwijl de rechtbank in 4.9 van dat vonnis heeft geoordeeld dat NAM het bewijsvermoeden op dit moment (cursief, hof) onvoldoende heeft weerlegd. Daarmee heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof tot uitdrukking gebracht dat NAM de mogelijkheid tot weerlegging van het bewijsvermoeden nog heeft. De rechtbank heeft vervolgens gemotiveerd waarom zij benoeming van een deskundige nodig vindt, zoals hiervoor in 3.9 is weergegeven.

4.9

[appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat tussen partijen niet in geschil is dat de beslissing om een deskundige te benoemen een discretionaire bevoegdheid van de rechtbank betreft. De rechtbank heeft terecht overwogen dat zij op grond van artikel 194 Rv op verzoek van een partij of ambtshalve een bericht van een deskundige kan bevelen. Het hof voegt daaraan toe dat het daarbij aan de (feiten) rechter is overgelaten of hij behoefte heeft aan een nadere deskundige voorlichting4. NAM heeft terecht gesteld dat artikel 6:177a BW ook niet uitsluit dat een door de rechtbank benoemde deskundige onderzoek naar de schadeoorzaak doet. Het hof benadrukt daarbij wel dat benoeming van een deskundige geen wijziging brengt in de (verdeling van de) bewijslast en het bewijsrisico; deze blijven bij NAM rusten en het is dan ook niet zo dat de deskundige ‘de bewijslast van NAM zal overnemen’. [appellant] kan dan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat hij - door zich uit te laten over de aard van de verlangde deskundigheid, de persoon van de deskundige en de aan deze te stellen vragen - feitelijk meewerkt aan weerlegging van het bewijsvermoeden door NAM.

4.10

Gelet op wat hiervoor is overwogen, kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn stelling dat de rechtbank niet tot de beslissing had kunnen komen om een deskundigenbericht te bevelen. De daarop gerichte grief van [appellant] faalt dan ook.

Vraagstelling aan de deskundige
4.11 [appellant] maakt verder bezwaar tegen de door de rechtbank geformuleerde vragen 3 en 4 en stelt zich op het standpunt dat de aan de deskundige te stellen vragen niet verder zouden mogen gaan dan de vraag ‘of de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk’. NAM heeft gesteld dat de rechtbank wil worden ingelicht over alle mogelijke oorzaken van de schade en dat dit begrijpelijk is, omdat het bewijsvermoeden alleen van toepassing is op fysieke schade, die naar haar aard redelijkerwijs het gevolg zou kunnen zijn van, kort gezegd, bodembeweging. Zij herhaalt haar bij de rechtbank ingenomen stelling dat (een deel van) de schade naar haar aard nu juist niet redelijkerwijs het gevolg kan zijn van beweging van de bodem, maar dat sprake is van schade vanwege achterstallig onderhoud en schade als gevolg van roestende muurankers.

4.12

Het hof is het op dit punt met [appellant] eens. In zijn prejudiciële uitspraak van

10 juli 20195 heeft de Hoge Raad in antwoord op vraag 5 aangegeven dat indien is voldaan aan de vereisten voor toepassing van het bewijsvermoeden van artikel 6:177a lid 1 BW de exploitant dat vermoeden alleen dan met succes weerlegt als hij erin slaagt te bewijzen
- waaronder is begrepen voldoende aannemelijk te maken - dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg en exploitatie van het mijnbouwwerk.
Vraag 3 van de rechtbank sluit niet volledig aan bij het door de Hoge Raad gegeven criterium voor het weerleggen van het bewijsvermoeden. Dat kan gemakkelijk tot verwarring leiden bij de deskundige, ook als de rechtbank, zoals zij overweegt, het door de Hoge Raad geformuleerde criterium wel in ogenschouw neemt. Als de rechtbank dat doet - en het hof gaat daar zonder meer vanuit -, valt niet in te zien wat de meerwaarde is van een niet op dit criterium toegesneden vraag. Het hof zal vraag 3 dan ook herformuleren.

4.13

[appellant] heeft ook terecht kritiek op vraag 4 van de rechtbank. Het is niet duidelijk hoe deze vraag zich verhoudt tot het hiervoor vermelde antwoord van de Hoge Raad op vraag 5: indien niet kan worden bewezen dat de schade niet veroorzaakt is door - kort gezegd - de aardgaswinning, is niet relevant of de schade deels andere oorzaken heeft. Indien de rechtbank met deze vraag het oog heeft gehad op een mogelijke predispositie, geldt dat de Hoge Raad in de prejudiciële uitspraak in zijn antwoord op vraag 6 heeft aangegeven dat indien sprake is van schade aan een onroerende zaak met een bijzondere kwetsbaarheid en aannemelijk is dat deze schade zich ook zonder de bodembeweging door de aardgaswinning op enig moment in de toekomst zou hebben voorgedaan, deze schade niet in conditio-sine-qua-non-verband staat tot de bodembeweging. Het hof zal vraag 4 in die zin herformuleren.

4.14

Het hof zal de vragen als volgt herformuleren:
3. Is de door u bij uw antwoord op vraag 2 omschreven schade niet veroorzaakt door de gaswinning? Indien de schade niet is veroorzaakt door de gaswinning, kunt u dit dan nader toelichten?
Wilt u uw antwoord per schadepost, zoals gecalculeerd door JBG Bedrijfsburo op 26 juni 2017, nader toelichten en daarbij ook aangeven met welke mate van zekerheid de schadepost niet is veroorzaakt door de gaswinning, maar een andere oorzaak heeft?

4. Is aannemelijk - en zo ja, met welke mate van zekerheid - dat deze schade ook zonder de bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten, op enig moment in de toekomst zou zijn opgetreden, en zo ja, op welke termijn?
Wilt u dat per schadepost, zoals gecalculeerd door JBG Bedrijfsburo op 26 juni 2017, nader toelichten?
4.15 De wijziging van de vragen 3 en 4 leidt ook tot een wijziging van het tweede deel van vraag 6. Dat tweede deel komt als volgt te luiden:
Kunt u bij beantwoording van deze vraag onderscheid maken naar de schade waarvan u bij uw antwoord op vragen 3 en 4 hebt aangegeven dat die niet door de aardgaswinning is veroorzaakt, dan wel op enig moment ook zonder de aardgaswinning zou zijn ontstaan en de andere schade?

Conclusie
4.16 Het tussenvonnis van de rechtbank van 11 november 2020 zal gedeeltelijk worden vernietigd, waarbij de benoeming van de deskundige in stand blijft, maar de vraagstelling zal worden aangepast op de wijze zoals hiervoor bepaald. Omdat beide partijen over en weer gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de kosten van dit tussentijds hoger beroep worden gecompenseerd, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen.

5 De beslissing

Het hof


vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland in Assen van 11 november 2020 voor zover dat onder 3.1 is gewezen en neemt de volgende beslissing:

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Kunt u aangeven wat de algehele bouwkundige toestand van de woning is?

2. Welke schade kan aan de woning worden vastgesteld?

3. Is de door u bij uw antwoord op vraag 2 omschreven schade niet veroorzaakt door de gaswinning? Indien de schade niet is veroorzaakt door de gaswinning, kunt u dit dan nader toelichten?
Wilt u uw antwoord per schadepost, zoals gecalculeerd door JBG Bedrijfsburo op 26 juni 2017, nader toelichten en daarbij ook aangeven met welke mate van zekerheid de schadepost niet is veroorzaakt door de gaswinning, maar een andere oorzaak heeft?
4. Is aannemelijk - en zo ja, met welke mate van zekerheid - dat deze schade ook zonder de bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten, op enig moment in de toekomst zou zijn opgetreden, en zo ja, op welke termijn?
Wilt u dat per schadepost, zoals gecalculeerd door JBG Bedrijfsburo op 26 juni 2017, nader toelichten?
5. Kunnen de schades worden hersteld? Zo ja, op welke wijze?
6. Welk bedrag is gemoeid met het herstel van de geconstateerde schade?
Kunt u bij beantwoording van deze vraag onderscheid maken naar enerzijds de schade waarvan u bij uw antwoord op vragen 3 en 4 hebt aangegeven dat die niet door de aardgaswinning is veroorzaakt, dan wel op enig moment ook zonder de aardgaswinning zou zijn ontstaan en anderzijds de andere schade?

7. Geeft uw onderzoek overigens nog aanleiding tot opmerkingen?
bekrachtigt de vonnissen van 20 mei 2020 en van 11 november 2020 voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;

wijst af wat verder is gevorderd;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland voor de verdere behandeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Lorist, H. de Hek en D.J. Keur en is door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2022.

1 Vgl onder meer HR 11 november 2016, NJ 2017/75, HR 14 mei 2002, NJ 2003/267, HR 24 april 1998, NJ 1998/621.

2 HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924

3 Zie ook Gerechtshof Leeuwarden 13 juli 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:4186

4 HR 31 maart 1995, NJ 1995/597.

5 ECLI:NL:HR:2019:1278