Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:5663

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-07-2022
Datum publicatie
05-07-2022
Zaaknummer
21-001390-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor openlijke geweldpleging tegen een politieagent, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebbend. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een vuistslag in het gezicht van de politieagent heeft gegeven, met als resultaat een gebroken neus en een wond bij de wenkbrauw. Toewijzing vordering benadeelde partij. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, alsmede met oplegging van de bijzondere voorwaarde en met aftrek van de periode die in voorarrest is doorgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001390-21

Uitspraak d.d.: 1 juli 2022

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 17 maart 2021 met het parketnummer 18-293890-20 in de strafzaak tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 17 juni 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof:

  • -

    het vonnis van de politierechter zal vernietigen;

  • -

    de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest;

  • -

    de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] zal toewijzen tot een bedrag van € 2.227,76, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, alsmede met bepaling dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is en voor het overige deel van de gevorderde reiskosten de vordering zal afwijzen.

Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. A. de Haan, naar voren is gebracht.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:

  • -

    de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorrest en met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] integraal toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en bepaling dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is.

Het gerechtshof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat de tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd en het gerechtshof daarom tot een andere bewijsbeslissing komt dan de politierechter. Het gerechtshof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- tenlastegelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 22 december 2019, te Drachten, gemeente Smallingerland, op of nabij de Zuidkade, althans een openbare weg, openlijk in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen een persoon, genaamd [slachtoffer] (politieambtenaar politie Eenheid Noord-Nederland), door die [slachtoffer] , meerdere malen, althans eenmaal, te duwen en/of een (vuist)slag(en) in het gezicht, althans tegen het lichaam, te geven, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weren een neusfractuur en/of een wond bij de wenkbrauw, althans enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

subsidiair
hij op of omstreeks 22 december 2019 te Drachten, gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, een persoon, genaamd, [slachtoffer] (politieambtenaar politie Eenheid Noord-Nederland) heeft mishandeld door die [slachtoffer] , meerdere malen, althans eenmaal, te duwen en/of een (vuist)slag(en) in het gezicht, althans tegen het lichaam, te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een neusfractuur, ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging met betrekking tot het bestanddeel zwaar lichamelijk letsel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte een vuistslag tegen het lichaam van [slachtoffer] heeft gegeven waardoor zijn neus is gebroken en er een wond op zijn wenkbrauw is ontstaan. Door de vuistslag tegen het lichaam heeft [slachtoffer] een gebroken neus opgelopen, waarvoor medisch ingrijpen noodzakelijk is geweest. [slachtoffer] heeft vier maanden niet kunnen werken en zes maanden last gehad van zijn neus. Daarnaast heeft [slachtoffer] te kennen gegeven dat zijn neus sinds het incident anders voelt dan voorheen. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger bekend [slachtoffer] een klap te hebben gegeven tegen de wenkbrauw. Volgens de verdediging kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat het aandeel van de verdachte zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. De verdachte heeft alleen de wenkbrauw geraakt waardoor een wond is ontstaan. Dat valt niet te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

Het oordeel van het gerechtshof

Het gerechtshof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.

Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van ‘zwaar lichamelijk letsel’ sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Een veelvoorkomende categorie letsel betreft (bot)fracturen. Indien sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Overigens kan relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen. De beantwoording van de vraag of letsel als ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden aangemerkt, is in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.1

Het gerechtshof stelt aan de hand van de verklaring van [slachtoffer] , alsmede de beschrijving van de camerabeelden en de zich in het dossier bevindende medische informatie vast dat mede door de vuistslag van de verdachte het letsel bij [slachtoffer] is veroorzaakt, te weten een gebroken neus. Dit letsel was van dien aard dat medisch ingrijpen noodzakelijk is gebleken en ook na medisch ingrijpen blijvend van aard was, terwijl [slachtoffer] door het letsel gedurende vier maanden arbeidsongeschikt is geweest en hij door het letsel gedurende zes maanden niet zijn normale beroepsbezigheden heeft kunnen verrichten.

Op grond hiervan is het gerechtshof van oordeel dat dit letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt in de zin van artikel 141, tweede lid, aanhef onder 2 van het Wetboek van Strafrecht en komt daarmee tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Het gerechtshof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde bewijsverweren die strekken tot gedeeltelijke vrijspraak van het aan de verdachte primair tenlastegelegde feit, wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof het verweer van de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij op 22 december 2019 te Drachten, gemeente Smallingerland, op de Zuidkade, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, genaamd [slachtoffer] (politieambtenaar politie Eenheid Noord-Nederland), door die [slachtoffer] een vuistslag in het gezicht te geven, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten een neusfractuur en een wond bij de wenkbrauw, ten gevolge heeft gehad.

Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezenverklaarde strafbare feit heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte door zijn handelen jegens [slachtoffer] zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen personen, zoals hierboven bewezenverklaard. Het geweld heeft zich gericht tegen de politieagenten. Het gepleegde geweld dient dan ook als ernstig te worden gekwalificeerd. Het gerechtshof rekent dat de verdachte zwaar aan;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte en mededader door hun gewelddadige optreden een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] , waarbij door een vuistslag van de verdachte [slachtoffer] een gebroken neus en een wond op de wenkbrauw heeft opgelopen. De verdachte en medeverdachte hebben door hun handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van onder andere meerdere politieagenten die op dat moment hun werk deden en de orde probeerden te handhaven. De politieagenten waren bezig een plaats delict te beschermen (tegen verontreiniging van sporen), waar het neergestoken neefje van de verdachte en medeverdachte op dat moment aan het vechten was voor zijn leven. Het handelen van de verdachte en medeverdachte vormt een inbreuk op - en ondermijnt - het respect dat ten aanzien van politieambtenaren dient te worden opgebracht;

  • -

    de omstandigheid dat volgens de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten (LOVS-oriëntatiepunten), dienende als handreiking voor de rechterlijke straftoemeting, ter zake van het delict openlijke geweldpleging, waarbij zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden kan worden opgelegd. Voor zover het feit is begaan tegen een politieagent, indien het misdrijf is gepleegd gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn of haar bediening kan de in het oriëntatiepunt genoemde straf worden verhoogd met 33% tot 100%. Het gerechtshof neemt dit als strafverzwarend element mee in de strafoplegging.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 mei 2022, waaruit blijkt dat hij reeds eerder door een strafrechter is veroordeeld, onder meer ter zake van het plegen van openlijke geweldpleging en mishandeling en dat die veroordelingen onherroepelijk zijn. Dit pleit niet in zijn voordeel, nu deze eerdere bestraffingen de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een geweldsdelict. Tevens volgt daaruit dat de verdachte na de pleegdatum van het in deze zaak ter beoordeling staande feit onherroepelijk is veroordeeld voor wederspannigheid. Daarnaast heeft de verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan overtreding van een verkeersvoorschrift. Daarmee is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing;

  • -

    het feit dat de verdacht op de wachtlijst staat voor behandeling bij Verslavingszorg Noord Nederland (hierna: VNN), blijkens de zich in het dossier bevindende brief van 17 mei 2022;

  • -

    de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft aangegeven dat hij sindsdien volwassener is geworden, dat hij een baan heeft en hard werkt aan zijn toekomst.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof voorts aansluiting gezocht bij straffen die in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.

Het gerechtshof is op hoogte van het prille contact van de verdachte met de reclassering nu de verdachte zich heeft aangemeld bij VNN. Ondanks dat de reclassering gedurende de afdoening van de strafzaak niet heeft gerapporteerd, acht het gerechtshof het vanwege het risico op recidive toch van belang dat de verdachte zal meewerken aan diagnostiek en zich zal laten behandelen door een via de reclassering aangewezen behandelaar, zulks te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Het gerechtshof zal daarom als bijzondere voorwaarde opleggen: het verplicht meewerken aan diagnostiek en ambulante behandeling.

De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof de oplegging van de door de raadsman bepleite strafmodaliteit aangewezen acht. Ook overigens is het gerechtshof niet gebleken van dergelijke feiten of omstandigheden.

Op grond van het bovenstaande en bezien vanuit een oogpunt van normhandhaving, generale en speciale preventie en vergelding wordt passend en geboden geacht de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, alsmede met oplegging van de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde en met aftrek van de periode die in voorarrest is doorgebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.240,24, bestaande uit € 1.700 aan materiële schade en € 500,24 aan immateriële schade. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Met de advocaat-generaal is het gerechtshof van oordeel dat de opgevoerde post reiskosten van € 12,48 niet in aanmerking komt voor vergoeding van materiële schade. Dat houdt in dat het gerechtshof dit onderdeel van de vordering reiskosten zal afwijzen. De verdachte is tot vergoeding van de overige schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.227,76, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2019 tot aan de dag van algehele voldoening.

Gelet hierop dient de verdachte, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Hoofdelijkheid en schadevergoedingsmaatregel

De verdachte is jegens de benadeelde partij [slachtoffer] niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover zijn mededader het bedrag reeds heeft voldaan.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het gerechtshof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het gerechtshof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd zal blijven meewerken aan diagnostiek en ambulante behandeling door een via de reclassering aangewezen behandelaar, zulks te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.227,76 (tweeduizend tweehonderdzevenentwintig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit € 540,24 (vijfhonderdveertig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 1.687,52 (duizend zeshonderdzevenentachtig euro en tweeënvijftig cent) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.227,76 (tweeduizend tweehonderdzevenentwintig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit € 540,24 (vijfhonderdveertig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 1.687,52 (duizend zeshonderdzevenentachtig euro en tweeënvijftig cent) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 32 (tweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 22 december 2019.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. E. de Witt en mr. F. van der Maden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.A.G. van Essen, griffier,

en op 1 juli 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 HR 17 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:571 en HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051.