Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:5205

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2022
Datum publicatie
11-07-2022
Zaaknummer
200.302.385
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet wegens seksuele intimidatie. Verzoek vernietiging ontslag afgewezen. Ernstig verwijtbaar handelen werknemer; geen recht op transitievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie HSE 2022/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.302.385

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 8939573)

beschikking van 21 juni 2022

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep

verzoeker en verweerder in het voorwaardelijk verzoek in eerste aanleg,

hierna: [verzoeker] ,

advocaat: mr. H. Giard,

en

de stichting Stichting Het Diakonessenhuis,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verweerster en verzoekster in het voorwaardelijk verzoek in eerste aanleg,

hierna: het Diakonessenhuis,

advocaat: mr. A.E. Bos.

1 De procedure bij de kantonrechter

Het verloop van de procedure in eerste aanleg blijkt uit de beschikkingen van

26 maart 2021 en 28 juli 2021 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

[verzoeker] heeft de procedure bij het hof aanhangig gemaakt met een beroepschrift, dat is binnengekomen op 23 oktober 2021. Daarna heeft het Diakonessenhuis een verweerschrift in hoger beroep ingediend, waarbij ook incidenteel hoger beroep is ingesteld. [verzoeker] heeft daarop gereageerd bij verweerschrift in het incidenteel hoger beroep. Het Diakonessenhuis heeft hierna nog een nadere productie overgelegd.

2.2

Op 10 mei 2022 is de mondelinge behandeling gehouden. Daarbij heeft het Diakonessenhuis pleitaantekeningen overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3

Hierna heeft het hof uitspraak bepaald.

3 De beoordeling van het hoger beroep

inleiding

3.1

[verzoeker] was vanaf 1 mei 2005 in dienst van het Diakonessenhuis en werkte bij de [afdeling1] . Hij is op 5 november 2020 op staande voet ontslagen wegens grensoverschrijdend gedrag en/of seksuele intimidatie ten opzichte van zijn collega [naam1] van de afdeling [afdeling2] . Dit ontslag op staande voet is onderwerp van deze procedure. [verzoeker] vindt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en verzoekt primair herstel van de arbeidsovereenkomst en subsidiair veroordeling van het Diakonessenhuis tot betaling van de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding. De kantonrechter heeft (na het horen van [naam1] als getuige) geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven en de verzoeken afgewezen. [verzoeker] is het daar niet mee eens.

de beslissing van het hof

3.3

Het hof beslist dat het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Ook het hof wijst daarom zijn verzoeken af. Het hof zal deze beslissing hierna toelichten.

toetsingskader ontslag op staande voet

3.4

De werkgever heeft de mogelijkheid de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen wegens een dringende reden. Die reden moet onverwijld aan de werknemer worden meegedeeld (artikel 7:677 lid 1 BW). De wet bepaalt dat als dringende reden wordt beschouwd zodanige omstandigheden die als gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevraagd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De wet geeft daar ook voorbeelden van artikel (7:679 BW) . Uit die opsomming blijkt dat het moet gaan om zeer ernstige omstandigheden die objectief bekeken maken, dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevraagd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De bewijslast daarvan rust op de werkgever. De in de wet neergelegde eis dat het ontslag onverwijld moet worden genomen en meegedeeld betekent dat de werkgever na het ontdekken van de dringende reden onverwijld handelt en zo spoedig mogelijk het ontslag geeft. De vraag naar de rechtsgeldigheid van het ontslag moet worden beoordeeld op basis van de daarvoor in de mededeling opgegeven dringende reden.

de gebeurtenissen voorafgaand aan het ontslag op staande voet

3.5

Op 29 oktober 2020 is [naam1] een zware doos aan het sjouwen. [verzoeker] biedt haar een kar aan om deze doos naar haar auto te vervoeren, die op het parkeerterrein staat. Nadat [naam1] de kar heeft teruggebracht loopt [verzoeker] met haar mee terug naar haar auto. [naam1] en [verzoeker] staan circa 10 minuten bij de auto te praten voordat [naam1] wegrijdt. Het Diakonessenhuis heeft videobeelden van de beveiligingscamara’s waarop dit is vastgelegd. Aan het einde van het gesprek maakt [verzoeker] een opmerking over de borsten van [naam1] en duidt deze aan als “dubbele airbaigs”. Kort daarop (om 12.36 uur) stuurt [naam1] uur een e-mail aan [verzoeker] . Daarin schrijft zij:

[verzoeker] ,

Het was lief dat ik je kar even mocht lenen om de zware doos naar mijn auto te brengen. Alleen is dat geen reden of excuus dat je aan mijn borst mag zitten.

Zou het op prijs stellen als je dat niet meer zou doen. Heb al eerder gezegd dat ik het niet fijn vind als daar zomaar aangezeten word, door wie dan ook.

Als het nog een keer voorkomt, dan dien ik daar wel een klacht voor in”.

[verzoeker] leest deze e-mail later op de middag. Daarna probeert hij een aantal malen [naam1] te bellen en stuurt hij haar een whatsappbericht waarop [naam1] reageert. Uit de tussen 20.19 en 20.40 uur tussen hen uitgewisselde whatsappberichten blijkt het volgende. [verzoeker] schrijft dat hij een paar keer heeft geprobeerd te bellen maar dat [naam1] niet opneemt. [naam1] antwoordt dat zij druk is en teveel aan haar hoofd heeft. [verzoeker] schrijft dat dat ook voor hem geldt en dat hij alleen een grap heeft gemaakt zonder verdere bedoelingen. [naam1] schrijft dat een grap maken wel wat anders is dan iemands borsten te zitten, dat zij hem daarom per mail waarschuwt het niet nog een keer te doen. [verzoeker] antwoordt dat hij het over dubbele airbags had en [naam1] antwoordt: “Dan nog hoor je niet aan de borsten van een vrouw te zitten. Grap maken kan, maar handen thuis”. Hierna schrijft zij in een apart bericht dat ze weer verder moet en nog een hoop moet regelen. [verzoeker] reageert: “Oké, goed begrepen” en vermeldt daarna dat hij in een heel moeilijk pakket zit bij “de diak” en dat hij er niets meer bij kan hebben. [naam1] vraagt hem haar nummer te wissen en [verzoeker] vraagt [naam1] om de mail te verwijderen. Hij besluit met: “Bij deze maar we blijven vrienden” en blokkeert het contact van [naam1] .

3.6

Op 3 november 2020 spreekt [naam1] telefonisch de leidinggevende van [verzoeker] en meldt dat als een medewerker uit haar team haar, [naam1] , nog een keer lastigvalt zij een klacht zal indienen. De leidinggevende vraagt door naar wat er is gebeurd, waarop [naam1] vertelt dat [verzoeker] haar enkele dagen daarvoor bij de borst heeft gegrepen. Na overleg met diverse betrokkenen wordt [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 5 november 2020 en tijdens dat gesprek wordt hij op staande voet ontslagen wegens grensoverschrijdend gedrag en/of seksuele intimidatie, zowel fysiek als verbaal.

beoordeling van de onverwijldheid van het ontslag op staande voet

3.7

Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven en is er geen deugdelijk onderzoek uitgevoerd.

3.8

Het hof volgt hem daarin niet. Vaststaat dat [naam1] het incident (na doorvragen van de leidinggevende van [verzoeker] ) op 3 november 2020 heeft gemeld aan het Diakonessenhuis. Dat was haar eerste werkdag na 29 oktober 2020. Hierna is er overleg geweest tussen diverse functionarissen, waaronder de leidinggevende van [naam1] , een medewerker van P&O en de manager facilitair bedrijf, en is [naam1] nogmaals gehoord. De betrokkenen hebben gesproken over non-actiefstelling, maar besloten tot ontslag op staande voet, waarna goedkeuring is gevraagd aan en verleend door de Raad van Bestuur, die daartoe bevoegd is. Met dit overleg en onderzoek is twee dagen gemoeid geweest. Het Diakonessenhuis heeft hiermee voldoende voortvarend gehandeld en het ontslag is onverwijld verleend. Ook het verwijt van [verzoeker] dat er geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden slaagt niet. Het Diakonessenhuis heeft [naam1] gehoord, de hiervoor genoemde e-mail en whatsappberichten beoordeeld en vervolgens [verzoeker] uitgenodigd om zijn visie op het gebeurde gegeven. De camerabeelden waren toen nog niet beschikbaar en het Diakonessenhuis heeft haar besluit daarop niet gebaseerd. Die hoefden dan ook niet eerst aan [verzoeker] getoond te worden, zoals hij stelt.

beoordeling van de gebeurtenissen op 29 oktober 2020

3.9

De kantonrechter heeft geoordeeld dat voor de vraag of sprake is van een dringende reden doorslaggevend is of [verzoeker] de borsten van [naam1] heeft aangeraakt en heeft het Diakonessenhuis opgedragen dat te bewijzen. Het Diakonessenhuis heeft [naam1] als getuige laten horen. [verzoeker] heeft geen tegenbewijs aangebracht. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het Diaonessenhuis in haar bewijsopdracht is geslaagd. [verzoeker] is het met dat oordeel niet eens. Hij ontkent stellig dat hij de borsten van [naam1] heeft aangeraakt. Hij heeft de videobeelden van de bewakingscamera’s laten analyseren door deskundigen en daaruit blijkt volgens hem dat het aanraken ook niet heeft kunnen plaatsvinden. Het hof heeft op de zitting de videobeelden bekeken en daarover gesproken met (de advocaten van) partijen. Het hof oordeelt net als de kantonrechter dat Het Diakonessenhuis is geslaagd in het bewijs dat [verzoeker] de borst van [naam1] heeft aangeraakt en licht dat oordeel toe.

3.10

Vooropstaat dat bij de beoordeling van de bewijsmiddelen geen absolute zekerheid hoeft te bestaan, maar dat het erom gaat dat er een redelijke mate van zekerheid bestaat dat een bepaalde gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

3.11

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat het verhaal van [naam1] vanaf het begin af aan consistent is geweest. Zij heeft direct na het incident een e-mail gestuurd aan [verzoeker] waarin zij schrijft dat hij aan haar borst heeft gezeten. Zij heeft melding gemaakt van het incident in een telefonisch contact met de leidinggevende van [verzoeker] . Daarna heeft zij op verzoek van Het Diakonessenhuis in een e-mail van 10 november 2020 haar verhaal op papier gezet. Daarin schrijft zij dat [verzoeker] , nadat zij was ingestapt, nog iets zei dat zij niet verstond, waarop zij haar raam open deed. Hierna greep hij [naam1] in haar auto in haar borst en zei dat zij wel lekkere dubbele airbag had. Op de videobeelden (die [naam1] toen nog niet had gezien) is inderdaad te zien dat [verzoeker] , nadat hij al wegliep van de auto, nog terugkeert en zich vooroverbuigt. Dit detail van het einde van het gesprek en nog een nieuwe ontmoeting (los van wat er toen gezegd en gedaan is, want dat is niet te zien op de beelden) klopt dus. De kantonrechter heeft [naam1] onder ede gehoord en als getuige heeft [naam1] ditzelfde verklaard. De kantonrechter heeft haar getuigenverklaring, gelet op deze consistentie, terecht geloofwaardig geacht waar het gaat om de aanraking van haar borst.

3.12

[verzoeker] voert aan dat [naam1] het voorval aangrijpt om hem in een zwart daglicht te stellen, zodat het Diakonessenhuis kan komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Volgens [verzoeker] is het Diakonessenhuis daar al vanaf 2013 op uit. Het hof ziet geen objectieve aanknopingspunten voor deze stelling. [naam1] heeft het incident juist klein gehouden. Zij heeft pas op doorvragen van de leidinggevende van [verzoeker] verteld wat er gebeurd was. Zij heeft geen accent gelegd op de dingen die [verzoeker] volgens haar nog meer gezegd heeft op 20 oktober 2020. Daarover heeft [naam1] geschreven en verklaard dat hij haar aan het einde van het gesprek vroeg naar haar liefdesleven en of ze een vibrator gebruikte. [verzoeker] bestrijdt die uitlatingen. Maar ook van de wel vaststaande opmerking over de airbags maakt [naam1] geen punt. Zij appt daarover dat een grap kan, maar aanraken niet. Als [naam1] erop uit zou zijn om [verzoeker] een hak te zetten zou het te verwachten zijn dat zij de gebeurtenissen op 29 oktober 2020 in volle omvang voor het voetlicht zou brengen. Dat heeft zij niet gedaan, omdat voor haar (pas) met de fysieke aanraking de grens van het toelaatbare was overschreden. Dat heeft zij ook in haar whatsappberichten direct na het voorval kenbaar gemaakt. Bovendien was [naam1] aanvankelijk niet van plan om er een formele klacht van te maken en is de zaak pas aan het rollen gekomen nadat de leidinggevende daar na een terloopse opmerking van [naam1] op heeft doorgevraagd.

3.13

Het gedrag en de verklaringen van [verzoeker] zijn daarentegen niet consistent geweest. In reactie op de beschuldiging van [naam1] op 29 oktober 2020 heeft hij de aanraking op dat moment niet ontkend. Zoals hiervoor vermeld heeft [naam1] direct na het incident een e-mail aan [verzoeker] gestuurd waarin zij schrijft zij dat [verzoeker] aan haar borst heeft gezeten. In de daarop volgende whatsappberichten herhaalt [naam1] dat een aantal maal. In zijn reacties schrijft [verzoeker] op geen moment dat die beschuldiging onjuist is. [verzoeker] stelt dat zijn reactie “Oké goed begrepen” (waarin de kantonrechter een erkenning heeft gelezen) niet slaat op de waarschuwing van [naam1] : een grap maken kan, maar handen thuis, maar op de daarop volgende app van [naam1] dat zij weer verder moet, een hoop te regelen heeft. Ook als dat klopt, dan valt nog niet goed te begrijpen waarom [verzoeker] op de herhaalde mededeling van [naam1] dat hij aan haar borst heeft gezeten niet reageert met een bericht dat hij dat niet heeft gedaan. Het hof heeft [verzoeker] daarnaar op de zitting gevraagd en zijn antwoord was dat hij niet iets ontkent wat hij niet heeft gedaan, omdat [naam1] hem daarop anders zou aanvallen. Die uitleg overtuigt niet. Het zou juist een logische en te verwachten reactie zijn om een herhaalde beschuldiging te ontkrachten als die in de visie van degene tot wie de beschuldiging gericht is onjuist is.

3.14

Bovendien heeft [verzoeker] aanvankelijk verklaard dat de auto niet op het parkeerterrein van het Diakonessenhuis stond en dat hij met [naam1] meeliep omdat hij toch naar een ander gebouw moest dat op de route lag. Dat was onjuist omdat uit de videobeelden bleek dat de auto wel op het parkeerterrein stond en dat hij na het gesprek met [naam1] bij haar auto omdraaide en terugliep naar het gebouw waar hij vandaan kwam. Tijdens de zitting bij de kantonrechter verklaarde [verzoeker] daarnaast,op een vraag van de kantonrechter of hij bij het raam was komen staan, dat hij niet bij de opening van het raam was geweest. Ook dat is niet juist; uit de videobeelden blijkt dat hij geruime tijd bij de auto van [naam1] heeft staan praten, deels met de deur tussen [naam1] en [verzoeker] in en dat hij daarna voorovergebogen bij het raam van de auto heeft gestaan. Het hof heeft [verzoeker] hiernaar gevraagd tijdens de zitting. Hij zei daarover dat het maar de vraag is wat je als dichtbij de auto beschouwt. Ook dit antwoord overtuigt niet. Het hof begrijpt dat [verzoeker] gespannen was op de zitting bij de kantonrechter, maar ook als dat wordt meegenomen valt zijn antwoord moeilijk te rijmen met de lange duur van het gesprek vlakbij de auto(portier). Het feit dat [verzoeker] en zijn advocaat de videobeelden niet voorafgaand aan de zitting hebben gekregen van het Diakonessenhuis doet aan dit alles niet af.

3.15

De videobeelden kunnen de lezing van [naam1] niet ontkrachten. Daarop is te zien dat [verzoeker] en [naam1] ongeveer tien minuten staan te praten bij de auto van [naam1] . [naam1] stapt in en [verzoeker] loopt weg. Vervolgens loopt hij weer terug en staat voorovergebogen bij het bestuurdersportier. Zijn hoofd blijft buiten de auto. [verzoeker] staat 21 seconden in deze houding en gaat weer rechtop staan. Hierna rijdt [naam1] weg en loopt [verzoeker] terug. De aanraking van de borst is volgens de verklaring van [naam1] in die laatste situatie gebeurd. [verzoeker] heeft twee deskundigen ingeschakeld om videobeelden te analyseren. Er zijn bewerkingen van de originele beelden overgelegd (uitvergroot en op ware snelheid). Het Diakonessenhuis heeft ook een deskundige geraadpleegd. Deze laatste heeft bevestigd dat alle opnames zijn afgeleid van de originele opname, zodat dat vaststaat. Het hof heeft alle opnames bekeken.

3.16

Volgens [verzoeker] en de door hem ingeschakelde deskundigen blijkt uit de videobeelden dat het raam van het autoportier zowel voorafgaand aan het moment waarop [verzoeker] vooroverbuigt als daarna (bij het wegrijden) voor minimaal 90% gesloten is. Dat is te zien aan de weerspiegeling van het raam. Deze waarneming wordt niet gedeeld door de deskundige van het Diakonessenhuis en het hof heeft dat ook niet met voldoende zekerheid kunnen vaststellen. Dit is voor het hof echter geen aanleiding om nog een deskundige in te schakelen, zoals [verzoeker] verzoekt. Partijen zijn het er namelijk wel over eens dat de positie van het raam tijdens het gesprek waar het om gaat niet zichtbaar is, omdat [verzoeker] (voorovergebogen) helemaal voor het raam staat. Ook als het juist zou zijn dat, zoals [verzoeker] stelt, het raam zowel voorafgaand als na het gesprek voor minimaal 90% gesloten was, kan het zijn dat [naam1] het raam tijdens het gesprek open heeft gedaan. De stelling van [verzoeker] dat het voor [naam1] niet nodig was het raam te openen om hem te verstaan als het raam 10% open was kan hem evenmin baten. Ook dan kan [naam1] het raam hebben opengedaan (wat ook logisch is als zij de laatste opmerking van [verzoeker] niet goed kon verstaan, zoals zij heeft verklaard). Overigens betekent ‘voor minimaal 90% gesloten’ niet dat het raam dus voor 10% openstond. Het andere punt waar partijen het niet over eens zijn bij de analyse van de videobeelden is de positie van de linkerarm van [verzoeker] tijdens het gesprek. Volgens de deskundige van [verzoeker] is zichtbaar dat zijn arm langs zijn linkerbeen hangt en de deskundige van het Diakonessenhuis bestrijdt dat. Het hof acht de positie van de linkerarm niet van belang, omdat de aanraking ook met de rechterarm kan hebben plaatsgevonden.

3.17

Het hof concludeert dus dat voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] op 29 oktober 2020, naast de opmerking over de dubbele airbags, de borst van [naam1] heeft aangeraakt.

vormen deze gedragingen een dringende reden voor ontslag op staande voet?

3.18

Voor beantwoording van de vraag of dat handelen ook een dringende reden oplevert, die maakt dat van het Diakonessenhuis in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. De gedragingen zijn buitengewoon ernstig. De opmerking over de dubbele airbags is al zeer dubieus, ook als rekening wordt gehouden met de (niet vaststaande) context waarin die opmerking volgens [verzoeker] is gemaakt. Hij stelt dat de opmerking, die hij als grap bedoelde, volgde op een opmerking van [naam1] over zijn toegenomen gewicht waarover zij gezegd zou hebben dat hij zij-airbags heeft gekregen. [naam1] bestrijdt dat zij dat gezegd heeft. Hoe dan ook, de aanraking van de borst tegen de wil van [naam1] is zonder meer grensoverschrijdend en zeer ernstig. [naam1] heeft daar ook aanzienlijke psychische gevolgen van ondervonden: zij is arbeidsongeschikt geraakt en onder behandeling. Het hof passeert het verweer van [verzoeker] bij gebrek aan wetenschap dat er geen verband tussen het voorval en deze gevolgen bestaat, omdat vaststaat dat [naam1] na het voorval arbeidsongeschikt is geraakt. [verzoeker] heeft ook gehandeld in strijd met beleid van het Diakonessenhuis op het gebied van ongewenste omgangsvormen. Anders dan [verzoeker] aanvoert is dit beleid duidelijk en toegankelijk en het Diakonessenhuis heeft bovendien aannemelijk gemaakt dat zij dit beleid ook op actieve wijze onder de aandacht heeft gebracht van haar medewerkers. Het hof neemt daarnaast in aanmerking dat [verzoeker] in 2017 na een schorsing van een week een formele waarschuwing heeft gekregen in verband met grensoverschrijdend gedrag. Hij heeft in maart 2017 een pornografische afbeelding en filmpje gestuurd naar een leidinggevende, naar hij stelt per ongeluk. In de brief die [verzoeker] over dit voorval heeft gekregen staat met zoveel woorden dat het de laatste formele waarschuwing is en dat bij een eerstvolgende negatieve melding ontslag op staande voet of een beëindiging van de arbeidsovereenkomst anderszins zal volgen.

3.19

Het hof begrijpt dat de gevolgen van het ontslag op staande voet voor [verzoeker] zeer groot zijn. Hij is 58 jaar, is zijn baan kwijt en tijdens de zitting had hij (ondanks sollicitaties) nog geen nieuw werk. Daarnaast stelt hij dat dit voorval de druppel was in zijn relatie en hij in een echtscheidingssituatie terecht is gekomen, waardoor hij ook zijn huis dreigt te verliezen. Ook als het hof rekening houdt met deze ingrijpende persoonlijke belangen van [verzoeker] , oordeelt het dat de gedragingen van [verzoeker] dusdanig ernstig zijn dat deze een dringende reden opleveren die het ontslag op staande voet rechtvaardigen.

heeft [verzoeker] recht op de transitievergoeding?

3.20

[verzoeker] vindt dat hij aanspraak heeft op uitbetaling van de wettelijke transitievergoeding. Met zijn handelwijze zoals hiervoor beschreven heeft [verzoeker] naar het oordeel van het hof ernstig verwijtbaar gehandeld. Voor de motivering van dat oordeel verwijst het hof naar wat hiervoor is overwogen. Op grond van de wet heeft [verzoeker] daarom geen aanspraak op de transitievergoeding. [verzoeker] stelt ook nog dat het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (en beroept zich daarmee op artikel 7:673 lid 8 BW). Hij onderbouwt dat beroep niet (apart) met concrete feiten of omstandigheden. Voor zover hij zijn persoonlijke situatie en de gevolgen van het ontslag daaraan ten grondslag heeft willen leggen oordeelt het hof dat deze omstandigheden niet maken dat het niet toekennen van een transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij is van belang dat de rechter een beroep op het genoemde artikellid met terughoudendheid moet toepassen.

conclusie

3.21

De conclusie luidt dus dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De verzoeken van [verzoeker] die zijn gebaseerd op de onrechtmatigheid van het ontslag en het verzoek tot toekenning van de transitievergoeding worden afgewezen.

4 Slotsom

4.1

Het principaal hoger beroep van [verzoeker] slaagt niet. Het hof bekrachtigt beschikkingen van de kantonrechter. Aan de behandeling van het incidenteel hoger beroep van het Diakonessenhuis komt het hof niet toe, omdat het Diakonessenhuis daarbij geen belang heeft. Dat incidenteel hoger beroep is nodeloos is ingesteld omdat de verzoeken van [verzoeker] door de kantonrechter zijn afgewezen en het Diakonessenhuis dus geheel in het gelijk is gesteld. Volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt er in het incidenteel hoger beroep geen kostenveroordeling.

4.2

[verzoeker] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Deze kosten worden principaal beroep vastgesteld op € 772,- aan griffierecht en € 2.228,- (2 punt tarief II) aan salaris voor de advocaat volgens het liquidatietarief.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende:

bekrachtigt de beschikkingen van 26 maart 2021 en 28 juli 2021 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht;

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van het Diakonessenhuis vastgesteld op € 772,- griffierecht en € 2.228,- aan salaris volgens het liquidatietarief;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, J.H. Kuiper en A. Elgersma en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2022.