Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:4251

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-05-2022
Datum publicatie
03-06-2022
Zaaknummer
21/00483
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2021:1070, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet tegemoetkomingen loondomein. Loonkostenvoordeel oudere werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 3-6-2022
FutD 2022-1617
V-N Vandaag 2022/1379
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 21/00483

uitspraakdatum: 24 mei 2022

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de vennootschap onder firma [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 maart 2021, nummer AWB 20/5106, ECLI:NL:RBGEL:2021:1070, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 18 juli 2019 heeft de Inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 4.2 van de Wet tegemoetkomingen loondomein (hierna: Wtl)) ten name van belanghebbende een verzoek om een loonkostenvoordeel op grond van de Wtl voor 2018 afgewezen (hierna: de beschikking Wtl).

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2022. Namens belanghebbende is verschenen [naam1] , bijgestaan door de gemachtigde mr. C. Bol. Namens de Inspecteur is verschenen [naam2] . Van de zitting is een procesverbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[naam1] (hierna: [naam1] ) dreef onder de naam [belanghebbende] in de vorm van een eenmanszaak een onderneming gericht op het bewerken van edelstenen en het vervaardigen van sieraden.

2.2.

Op 1 maart 2018 treedt [naam3] (hierna: [naam3] ), geboren [in] 1957, in dienst van [naam1] . Tot die datum had [naam3] een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.

2.3.

Met dagtekening 26 april 2018 is ten name van [naam3] een doelgroepverklaring op grond van artikel 2.3 van de Wtl afgegeven. Deze luidt onder meer als volgt:

“Geachte mevrouw [naam3] ,

Wij hebben op 24 april 2018 uw aanvraag voor een doelgroepverklaring LKV voor oudere werknemers van 56 jaar of ouder ontvangen. Deze brief is de doelgroepverklaring en is geldig van 1 maart 2018 tot en met 28 februari 2021. Met deze doelgroepverklaring heeft onderstaande werkgever voor u recht op het loonkostenvoordeel (LKV). Bewaar deze brief daarom goed.

Doelgroepverklaring LKV voor oudere werknemers van 56 jaar of ouder

Naam werknemer: [naam3]

(…)

Naam werkgever: [naam1] . [belanghebbende]

(…)

Begin dienstverband: 1 maart 2018

Wij sturen een kopie naar uw werkgever

In het aanvraagformulier heeft u aangegeven dat wij een kopie van deze beslissing aan uw werkgever mogen sturen. Uw werkgever ontvangt daarom van ons een kopie. Hiermee heeft uw werkgever recht op het LKV.”

2.4.

Op 7 mei 2018 is belanghebbende in het handelsregister ingeschreven met als vennoten [naam1] en zijn echtgenote [naam4] . Daarbij is vermeld dat belanghebbende per 1 januari 2018 [belanghebbende] voortzet.

3 Het geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende voor [naam3] recht heeft op een loonkostenvoordeel oudere werknemer als bedoeld in artikel 2.2 van de Wtl.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 2.2, eerste lid, van de Wtl (tekst 2018) luidt:

“Een werkgever die een verzoek als bedoeld in artikel 2.1 heeft gedaan, heeft recht op een loonkostenvoordeel oudere werknemer indien bij deze werkgever een werknemer in een of meerdere dienstbetrekkingen is die:

a. in de kalendermaand voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking:

1°. recht had op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, (…); of

2°. recht had op arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

b. op het moment van aanvang van de dienstbetrekking 56 jaar of ouder was;

c. niet op enig moment in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van indiensttreding bij deze werkgever in dienstbetrekking is geweest; en

d. een geldige doelgroepverklaring als bedoeld in artikel 2.3 aan de werkgever heeft verstrekt.”

4.2.

Niet in geschil is dat is voldaan aan de voorwaarden vermeld onder b en c.

4.3.

De Inspecteur betwist dat is voldaan aan de voorwaarde onder a. Hij stelt dat de dienstbetrekking tussen belanghebbende en de werknemer aanving op 7 mei 2018. In de kalendermaand daaraan voorafgaand had [naam3] geen van de onder 1° en 2° vermelde rechten. In de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het aldus verwoord dat sprake moet zijn van een indiensttreding of een herplaatsing om in aanmerking te komen voor een loonkostenvoordeel.

4.4.

Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, in mei 2018 de onderneming van de eenmanszaak overgegaan op (de gezamenlijke vennoten van) belanghebbende als bedoeld in artikel 7:662 van het BW. Dan vloeit uit artikel 7:663 van het BW voort dat alle uit de arbeidsovereenkomst met [naam3] voortvloeiende rechten en verplichtingen voor [naam1] overgaan op (de gezamenlijke vennoten van) belanghebbende. De dienstbetrekking blijft bestaan, zij het dat de werkgever wordt vervangen. Deze dienstbetrekking ving aan op 1 maart 2018 en in de daaraan voorafgaande kalendermaand had [naam3] recht op een werkloosheidsuitkering. Aan de voorwaarde a wordt voldaan. Daaraan doet niet af dat het recht van de werkgever op loonkostenvoordeel niet voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst met de betreffende werknemer, maar uit een beschikking van de inspecteur waarbij dat recht is vastgesteld, zodat dit recht als zodanig niet valt binnen het bereik van artikel 7:663 BW. Evenmin doet daaraan af dat voor de Wtl onder werkgever wordt verstaan de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 en dat als gevolg van de overgang van de onderneming op belanghebbende de inhoudingsplichtige (en daarmee de werkgever) is gewijzigd. Het een noch het ander maakt dat van een ander (later) aanvangsmoment van de dienstbetrekking moet worden uitgegaan.

4.5.

De Inspecteur betwist tevens dat is voldaan aan de voorwaarde onder d. Doordat de doelgroepverklaring is aangevraagd en verkregen door een andere inhoudingsplichtige dan belanghebbende voldoet de doelgroepverklaring niet aan de eis van geldigheid en daarmee voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarde voor het recht op een loonkostenvoordeel, aldus de Inspecteur.

4.6.

Artikel 2.3 van de Wtl bepaalt dat de doelgroepverklaring op diens verzoek wordt verstrekt aan de werknemer. Het uitgangspunt van de Inspecteur dat de doelgroepverklaring door een inhoudingsplichtige zou zijn aangevraagd en verkregen is derhalve onjuist. De doelgroepverklaring is niet beperkt in die zin dat deze – ook na overgang van een onderneming – alleen gelding zou hebben voor de oorspronkelijke werkgever/‌inhoudingsplichtige. Dat is niet anders als in de doelgroepverklaring de naam van die oorspronkelijke werkgever/‌inhoudingsplichtige zou zijn vermeld. Op grond van artikel 2.2, aanhef en onderdeel d, van de Wtl moet de werknemer de doelgroepverklaring aan de werkgever verstrekken. Niet vereist is dat het UWV deze verklaring aan of op naam van de werkgever verstrekt. Aan voorwaarde d is derhalve eveneens voldaan.

4.7.

Conclusie is dat belanghebbende recht heeft op een loonkostenvoordeel oudere werknemer. Uit het dossier (bijlage 12 bij het verweer in eerste aanleg) volgt en tussen partijen is ook niet in geschil dat het loonkostenvoordeel voor de maanden mei tot en met december € 3.392 (1.112 uren à € 3,05) bedraagt.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Omdat het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, bepaalt het Hof dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep voor beroepsmatige rechtsbijstand heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 269 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt (bezwaarschrift)  wegingsfactor 1  € 269), € 1.518 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 759) en € 1.518 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 759), ofwel in totaal op € 3.305.

De reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting bij de Rechtbank (beide vennoten) en bij het Hof zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op € 100.

De totale proceskostenvergoeding komt daarmee op € 3.405.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– wijzigt de beschikking Wtl in de zin dat een loonkostenvoordeel oudere werknemer van € 3.392 wordt toegekend,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.405 en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 354 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 541 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van drs. M.T.M. Hennevelt als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2022.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De voorzitter,

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 mei 2022.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.