Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:4181

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-05-2022
Datum publicatie
26-05-2022
Zaaknummer
200.275.092/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2019:1130, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Vordering afnemer wordt toegewezen. Vordering vanwege advisering door Spaar Select. Dexia had behoren te weten van advisering. Geen vordering op grond van buitengerechtelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.275.092/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden: 6775823)

arrest van 24 mei 2022

in de zaak van

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

bij de kantonrechter: gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie,

hierna: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer uit Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

bij de kantonrechter: eiseres in conventie en verweerder in voorwaardelijke reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.B. Maliepaard uit Rotterdam.

1 De procedure bij de kantonrechter

Voor het verloop van de procedure bij de kantonrechter verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 26 maart 2019 dat de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 24 juni 2019,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- de akte uitlaten producties van Dexia,

- de akte uitlating jurisprudentie van [geïntimeerde] ,

- de akte uitlaten jurisprudentie van Dexia.

2.2

Vervolgens heeft Dexia de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

De kantonrechter heeft in het vonnis van 26 maart 2019 de feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling zijn geen grieven aangevoerd. Het hof gaat ook van die feiten uit. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.

Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds zijn twee effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen. Het betreft de volgende overeenkomsten:

Nr.

Contract

Datum

Naam

Leasesom

Looptijd

Vooruit-betaling

Termijn-bedrag (61ste t/m de 180ste maand)

1

[nummer1]

06-06-2001

Overwaarde Effect

€ 32.697,00

180 maanden

€ 8.719,20

€ 181,65

2

[nummer2]

06-06-2001

Overwaarde Effect

€ 32.697,00

180 maanden

€ 8.719,20

€ 181,65

3.3.

Bij de totstandkoming van de overeenkomsten is Spaar Select als tussenpersoon opgetreden. Namens Spaar Select heeft de heer [de vertegenwoordiger van Spaar Select] tijdens een aantal huisbezoeken met [geïntimeerde] gesproken over haar financiële situatie en wensen. [geïntimeerde] heeft aangegeven haar maandlasten te willen verlagen. Op grond hiervan heeft [de vertegenwoordiger van Spaar Select] een Persoonlijk Financieel Plan (hierna: PFP) opgesteld en aan [geïntimeerde] toegelicht. In het PFP wordt onder meer voorgesteld om de overwaarde in de woning te gebruiken voor het afsluiten van een nieuwe hypotheeklening, waarmee de aandelenleaseovereenkomsten zouden kunnen worden bekostigd.

3.4.

In het door Dexia overgelegde financiële overzicht is vermeld dat [geïntimeerde] op grond van de overeenkomsten in totaal € 17.801,70 aan vooruitbetaling en maandtermijnen aan Dexia heeft betaald en dat [geïntimeerde] een bedrag van € 2.847,42 aan dividenden heeft ontvangen en dat een bedrag van € 728,68 is verrekend. De overeenkomsten zijn in maart 2007 met een restschuld van in totaal € 5.636,29 geëindigd. De restschuld heeft [geïntimeerde] deels aan Dexia voldaan. Thans staat volgens het overzicht een restschuld open van € 5.273,42.

3.5.

Bij brief van 9 oktober 2006 heeft Leaseproces B.V. (hierna: Leaseproces) namens [geïntimeerde] aan Dexia bericht dat zij de nietigheid van de overeenkomsten inroept wegens het ontbreken van een vergunning als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het Consumentenkrediet, althans de overeenkomsten worden vernietigd, althans worden ontbonden, op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en/of dwaling en is Dexia gesommeerd binnen twee weken alle door [geïntimeerde] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente, terug te betalen.

3.6.

Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de zogeheten “Duisenberg-regeling” voor aandelenleaseproducten algemeen verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (hierna: WCAM).1 [geïntimeerde] heeft door middel van een “opt-out” verklaring in de zin van artikel 7:908 lid 2 BW aangegeven niet aan de voornoemde regeling gebonden te willen zijn.

3.7.

In zijn arresten van 28 maart 2008 en 5 juni 2009 heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de rechtsregels en de beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken als de onderhavige.2 Op 1 december 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een viertal arresten de uitspraak van de Hoge Raad uitgewerkt in het zogeheten “hofmodel”.3 In zijn arrest van 29 april 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven.4

3.8.

Bij brieven van 9 oktober 2009 en 23/24 januari 2012 heeft Leaseproces namens meerdere afnemers, waaronder [geïntimeerde] , aan Dexia bericht dat [geïntimeerde] zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.

3.9.

Bij brief van 8 november 2016 heeft Leaseproces namens [geïntimeerde] Dexia gesommeerd, in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016, over te gaan tot terugbetaling van alle door [geïntimeerde] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[geïntimeerde] heeft gevorderd voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten en Dexia te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen zij onder de overeenkomsten heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast heeft [geïntimeerde] gevorderd voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] geen restschulden verschuldigd is en dat Dexia aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden hypotheekschade vermeerderd met wettelijke rente, alsook vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

4.2.

Dexia heeft de vorderingen van [geïntimeerde] bestreden en in voorwaardelijke reconventie, onder de voorwaarde dat het in conventie opgenomen verweer met betrekking tot de klachtplicht en verjaring wordt verworpen, gevorderd [geïntimeerde] te bevelen een kopie van het procesdossier van Leaseproces, althans van het (de) intakeformulier(en) aan Dexia te verstrekken en voorts (onvoorwaardelijk) een verklaring voor recht gevorderd dat de overeenkomsten rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet bloot staan aan vernietiging, alsook dat [geïntimeerde] niet heeft blootgestaan aan het risico van een onaanvaardbaar zware financiële last en dat Dexia aan [geïntimeerde] niets meer verschuldigd is. Ook vordert Dexia dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 3.349,33, vermeerderd met wettelijke rente, aan Dexia te betalen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.3.

De kantonrechter heeft in conventie voor recht verklaard dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] , zowel vanwege schending van artikel 41 Nadere Regeling 1999 (hierna: NR 1999) als vanwege schending van haar zorgplicht. Daarnaast heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen de door haar betaalde inleg minus eventuele dividenduitkeringen en het fiscale voordeel ad € 1.011,53, vermeerderd met wettelijke rente. De kantonrechter heeft voorts voor recht verklaard dat [geïntimeerde] de restschuld niet verschuldigd is. Dexia is tevens veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 968,00. De vordering tot vergoeding van de hypotheekkosten is afgewezen. In reconventie heeft de kantonrechter alle vorderingen van Dexia afgewezen. Dexia is veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 De beoordeling

5.1.

Dexia is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de kantonrechter en heeft daartegen zeven grieven aangevoerd. In hoger beroep gaat het om de volgende punten:

- De verjaring van de vorderingen van [geïntimeerde] (grief I)

- De advisering door Spaar Select als cliëntenremisier (grieven II tot en met IV)

- Werkzaamheden van Spaar Select als orderremisier? (grief V)

- De buitengerechtelijke incassokosten (grief VI)

- De proceskostenveroordeling (grief VII)

5.2.

De grieven kunnen niet slagen naar het oordeel van het hof. Het hof zal uitleggen waarom het tot dit oordeel gekomen is.

Verjaring

5.3.

Het beroep van Dexia op verjaring van de vorderingen van [geïntimeerde] gaat in deze zaak niet op. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter op dit punt. De vordering van [geïntimeerde] is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Een dergelijke vordering verjaart na verloop van vijf jaar vanaf het moment waarop [geïntimeerde] daadwerkelijk bekend was geworden met de schade en de aansprakelijke persoon of personen (artikel 3:310 lid 1 BW). De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht behoudt (artikel 3:317 lid 1 BW).

5.4.

[geïntimeerde] heeft Dexia een brief gestuurd op 9 oktober 2006, waarin (onder meer) een beroep wordt gedaan op onrechtmatige daad en waarin ondubbelzinnig het recht wordt voorbehouden om alsnog via een gerechtelijke procedure schadevergoeding te vorderen. Daarna heeft Leaseproces namens [geïntimeerde] zijn vorderingen gestuit bij brieven van 9 oktober 2009 en 23/24 januari 2012.

5.5.

Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] vijf jaar eerder dan de brief van 9 oktober 2006, dus op 9 oktober 2001, bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Integendeel, Dexia stelt dat [geïntimeerde] uiterlijk bij de beëindiging van de overeenkomst op de hoogte was van de schade, derhalve in 2007. Op grond van de brief van 9 oktober 2006 moet het voor Dexia duidelijk zijn geweest dat [geïntimeerde] Dexia aansprakelijk hield voor haar handelwijze met betrekking tot de totstandkoming van de overeenkomsten, daaronder begrepen een schending van de op Dexia jegens [geïntimeerde] rustende zorgplichten in de precontractuele fase. In het licht van deze brief, mede beschouwd tegen de achtergrond van de Duisenberg-regeling en de daaropvolgende WCAM-procedure, moet het voor Dexia ook duidelijk zijn geweest dat met de daaropvolgende stuitingsbrieven van 9 oktober 2009 en 23/24 januari 2012 werd beoogd de verjaring van deze rechtsvordering te stuiten. De stelling van Dexia dat deze brieven onvoldoende specifiek waren wordt door het hof verworpen, zoals het hof reeds in eerdere zaken heeft geoordeeld.5 Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW niet de eis worden gesteld dat daarin een precieze feitelijke en juridische inkleding wordt gegeven waarop het vorderingsrecht zijn grondslag vindt. Van verjaring van de op onrechtmatige daad gegronde vordering van [geïntimeerde] op Dexia is dan ook geen sprake. De stelling van Dexia dat in ieder geval het beroep op schending van artikel 41 NR 1999 is verjaard, gaat evenmin op, omdat dit beroep op deze schending kan worden behandeld in het kader van de bij een beroep van Dexia op eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerde] in acht te nemen billijkheidsafweging.6

beroep op billijkheidscorrectie - advisering

5.6.

In de rechtspraak van de Hoge Raad is geoordeeld dat er reden is voor afwijking van het aanbod van Dexia tot afwikkeling van de door haar aan een afnemer toegebrachte schade conform het hofmodel in de situatie dat een cliëntenremisier zonder vergunning een (beleggings)advies aan de afnemer heeft verstrekt en Dexia hiervan wist dan wel behoorde te weten.7 Deze afwijking vindt haar grondslag in een beroep op de billijkheidscorrectie van artikel 6:101, lid 1, slotzin, BW wegens schending van artikel 41 NR 1999. Volgens Dexia heeft de kantonrechter ten onrechte het beroep van [geïntimeerde] op de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW aanvaard.

5.7.

Uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van verboden advisering is dat de tussenpersoon een cliëntenremisier was en niet beschikte over een vergunning om (beleggings)adviezen te mogen geven. Blijkens de overgelegde cliëntenremisierovereenkomst tussen Dexia en Spaar Select trad Spaar Select in die rechtsverhouding op als cliëntenremisier voor Dexia en stond zij als zodanig geregistreerd in het STE-register. Tussen partijen staat vast dat Spaar Select niet over de benodigde vergunning beschikte om als adviseur op te treden. Als maatstaf geldt voorts dat sprake moet zijn van een op de specifieke situatie van de particuliere belegger toegesneden advies. Dit moet worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Uit de arresten van dit hof van 3 november 20208 blijkt op welke wijze het hof invulling heeft gegeven aan dit toetsingskader.

5.8.

[geïntimeerde] heeft met betrekking tot de advisering aan haar door Spaar Select onder meer het volgende aangevoerd. In 2001 is [geïntimeerde] ongevraagd telefonisch benaderd door een medewerker van Spaar Select met het voorstel om een afspraak te maken met een financiële adviseur van Spaar Select om de financiële situatie van [geïntimeerde] door te nemen. [geïntimeerde] heeft hiermee ingestemd. [de vertegenwoordiger van Spaar Select] heeft namens Spaar Select een huisbezoek afgelegd bij [geïntimeerde] en heeft tijdens dit eerste gesprek geïnformeerd naar de financiële wensen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] had de wens om lagere maandlasten te realiseren. [de vertegenwoordiger van Spaar Select] heeft vervolgens op 13 april 2001 een PFP opgesteld dat in een tweede gesprek is toegelicht. In het PFP is uiteengezet dat de financiële wensen van [geïntimeerde] konden worden gerealiseerd door middel van het afsluiten van het effectenleaseproduct “Overwaarde Effect” bij (de rechtsvoorganger van) Dexia. Ter financiering van dit product zou de overwaarde in de woning worden aangewend voor het afsluiten van een nieuwe hypotheek voor een bedrag van NLG 82.000,-. Hieruit zou een bedrag van NLG 64.500,- worden gereserveerd voor betalingen van de aandelenleaseovereenkomst. De rest kon worden gebruikt voor de aflossing van een doorlopend krediet en persoonlijke lening. Een in het PFP opgenomen berekening laat zien dat de maandlasten van NLG 1.264,- verlaagd zouden worden tot een bedrag van NLG 849,-.

5.9.

Dexia betwist dat deze feiten leiden tot de conclusie dat Spaar Select verstrekkender heeft geadviseerd dan haar op grond van haar vrijstelling was toegestaan. Het hof overweegt als volgt.

5.10.

[geïntimeerde] betoogt – onderbouwd met stukken – dat [de vertegenwoordiger van Spaar Select] haar financiële situatie met [geïntimeerde] heeft besproken. [geïntimeerde] heeft [de vertegenwoordiger van Spaar Select] daarbij inzage gegeven in haar jaarinkomsten, de omvang van de hypotheek, overige financiële regelingen en de omvang van de maandlasten. Daarop heeft [de vertegenwoordiger van Spaar Select] [geïntimeerde] geadviseerd de effectenleaseovereenkomsten “Overwaarde Effect” af te sluiten. [de vertegenwoordiger van Spaar Select] heeft [geïntimeerde] een constructie geadviseerd die inhield dat zij een deel van de overwaarde in haar woning zou aanwenden voor de aanbetaling van NLG 38.429,18 (€ 17.438,40) in totaal voor de producten [nummer1] en [nummer2] . Dat [geïntimeerde] een deel van de overwaarde in haar woning heeft benut, wordt ondersteund door de aanvraagformulieren van [geïntimeerde] van 31 mei 2001 waarbij onder het onderdeel ‘vooruitbetaling voor 5 jaar’, behorend bij het product ‘Overwaarde Effect’, een handgeschreven bedrag van tweemaal NLG 19.200,- (€ 8.727,27) staat vermeld. Uit het aanvraagformulier voor een tweede hypotheek d.d. 11 april 2001, waarbij [de vertegenwoordiger van Spaar Select] staat vermeld als adviseur, volgt dat [geïntimeerde] (aanvankelijk) een hypotheekaanvraag heeft gedaan voor een bedrag van NLG 82.000,-. Uit de notarisafrekening van 8 juni 2001 blijkt vervolgens dat [geïntimeerde] een hypothecaire lening van NLG 60.000,- heeft afgesloten.

5.11.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] met het door haar gestelde voldoende onderbouwd dat de medewerker van Spaar Select met haar heeft gesproken over haar persoonlijke financiële situatie en in dat verband heeft geadviseerd meerdere producten van Dexia aan te schaffen. Daaruit leidt het hof af dat de medewerker van Spaar Select in het gesprek met [geïntimeerde] verder is gegaan dan het slechts algemeen informeren van [geïntimeerde] over de kenmerken van het product in kwestie en dat [geïntimeerde] ertoe is bewogen de overwaarde in haar woning aan te wenden voor het afsluiten van een nieuwe hypothecaire lening en die vervolgens te benutten om een tweetal Overwaarde Effect producten aan te schaffen. Met name de aanbeveling om de overwaarde in de woning anders te benutten dan [geïntimeerde] daarvoor deed, maakt dat de medewerker van Spaar Select een op zijn persoon toegesneden advies heeft uitgebracht.

5.12.

Anders dan Dexia stelt, is voor het vaststellen dat van advies sprake is geen expliciete adviesovereenkomst of een uitdrukkelijke betaling voor adviesdiensten vereist. Ook bij het ontbreken van deze elementen kan sprake zijn van advisering. Dat medewerkers van Dexia en andere tussenpersonen hebben verklaard dat zij geen (beleggings)advies gaven, doet er niet aan af dat in de onderhavige situatie dit wel kan worden vastgesteld. De stelling van Dexia dat [geïntimeerde] het advies van de medewerker van Spaar Select niet (volledig) heeft opgevolgd voor wat betreft de looptijd, het aantal overeenkomsten en de hoogte van het geldbedrag, wat daarvan ook zij, doet niet af aan het feit dat er wel degelijk een advies is gegeven door Spaar Select in verband met de in geding zijnde Dexiaproducten. Spaar Select is bij de twee Overwaarde Effect overeenkomsten als tussenpersoon opgetreden, zo blijkt uit de effectenleaseovereenkomsten en de aanvraagformulieren waarin Spaar Select en [de vertegenwoordiger van Spaar Select] als adviseur wordt benoemd. Bovendien heeft Dexia zelf gesteld dat het niet anders kan zijn dan dat Spaar Select het invullen van het formulier waarmee de aandelenleaseovereenkomsten worden gesloten heeft besproken met [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft als reden voor het feit dat de overeenkomsten voor een lager bedrag zijn afgesloten aangevoerd dat zij geen hogere hypotheeklening dan een bedrag van NLG 60.000,- heeft kunnen afsluiten. [geïntimeerde] heeft die stelling onderbouwd met een hypotheekaanvraagformulier waarin het oorspronkelijk in het PFP genoemde bedrag van NLG 82.000,- werd genoemd en de nota van afrekening waaruit blijkt dat een hypothecaire lening van NLG 60.000,- is afgesloten. Dexia heeft slechts in algemene bewoordingen betwist dat [geïntimeerde] geen hogere hypothecaire lening kon verkrijgen. Het had op de weg van Dexia gelegen om haar (blote) betwisting handen en voeten te geven, hetgeen zij heeft nagelaten. Het hof zal Dexia daarom niet toelaten tot (tegen)bewijslevering op dit punt en gaat daarom uit van de stelling van [geïntimeerde] dat zij geen hogere hypothecaire lening heeft kunnen verkrijgen, waardoor de overeenkomsten voor een lager bedrag zijn afgesloten. Ten aanzien van de looptijd geldt dat het hof uit andere Dexia-zaken bekend is geworden dat de effectenleaseovereenkomsten die door Dexia werden aangeboden na vijf jaren konden worden opgezegd door de afnemer, maar daarna ook mochten worden voortgezet voor een langere periode.

5.13.

Dexia heeft tot slot slechts in algemene bewoordingen betwist dat de afspraak met [de vertegenwoordiger van Spaar Select] heeft plaatsgevonden en dat een hypotheeklening is afgesloten en dat dit niet kan worden bewezen door de door [geïntimeerde] overgelegde nota van afrekening. Gelet op de gemotiveerde stellingen van [geïntimeerde] had het op de weg van Dexia gelegen om haar betwistingen nader te substantiëren en omstandigheden aan te voeren waaruit zou kunnen blijken dat er geen gesprek is gevoerd of dat er geen hypotheek zou zijn afgesloten. Dit heeft Dexia nagelaten. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting komt het hof daarom niet toe aan het (tegen)bewijsaanbod van Dexia.

Wetenschap advisering bij Dexia

5.14.

Voor het beroep op de billijkheidscorrectie is naast het vereiste van advisering door de tussenpersoon ook vereist dat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon in kwestie – Spaar Select – [geïntimeerde] zodanig heeft geadviseerd dat zij buiten de grens van haar vrijstelling is getreden. Dit hof heeft in zijn arresten van 3 november 2020 wetenschap bij Dexia aangenomen bij zaken waarin onder meer Spaar Select heeft geadviseerd. In die arresten is uiteengezet waarop dit oordeel gebaseerd is. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak de vereiste wetenschap ook aanwezig was bij Dexia. Voor zover door Dexia in deze zaak meer of andere producties zijn overgelegd dan in de bedoelde zaken van 3 november 2020 acht het hof deze onvoldoende overtuigend om tot een ander oordeel te komen. Het hof verwijst voor de redenering naar de hiervoor genoemde arresten die bij Dexia en – via Leaseproces – bij de afnemers bekend zijn. 9

Orderremisier

5.15.

Omdat het hof oordeelt dat Spaar Select verstrekkender heeft geadviseerd dan haar op grond van haar vrijstelling was toegestaan en Dexia dit wist of behoorde te weten, komt het hof niet toe aan de vraag of Spaar Select als orderremisier is opgetreden. Grief V behoeft daarom geen bespreking meer.

Buitengerechtelijke incassokosten

5.16.

Tot slot grieft Dexia tegen de beslissing van de kantonrechter dat [geïntimeerde] een vordering heeft op Dexia in verband met door Leaseproces verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. In de rechtspraak is beslist dat de door Leaseproces voor opdrachtgevers zoals [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden – advisering over de kansen en mogelijkheden van een schikking of procedure in verband met de Duisenberg-regeling, de arresten van het gerechtshof Amsterdam en van de Hoge Raad uit 2009 en de relevante rechtspraak nadien en het opstellen en versturen van de “opt-out” verklaring, een sommatiebrief en brieven ter stuiting van de verjaring – niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Met verwijzing naar eerdere rechtspraak van de Hoge Raad oordeelt het hof dat de werkzaamheden die Leaseproces heeft verricht in deze zaak niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen.10 Dat geldt ook voor de overige door [geïntimeerde] aangevoerde werkzaamheden, nu dit ook werkzaamheden zijn die moeten worden verricht ter voorbereiding op een procedure en die derhalve onder artikel 6:96 lid 2 BW (oud) en artikel 241 Rv vallen. Dit betekent dat grief VI van Dexia slaagt.

Omvang schade

5.17.

Uit het voorgaande volgt dat de schade van [geïntimeerde] , bestaande uit de door haar betaalde inleg minus de buitengerechtelijke incassokosten, volledig door Dexia moet worden vergoed. Tussen partijen is geen geschil over de omvang van de schade en Dexia heeft geen grief gericht tegen de wijze waarop de kantonrechter de schade van [geïntimeerde] , met inbegrip van de door haar genoten voordelen, in het vonnis heeft toegekend.

6 De slotsom

6.1.

De grieven I tot en met IV falen. Grief V behoeft geen bespreking. Grief VI over de buitengerechtelijke incassokosten slaagt. Het bestreden vonnis zal uitsluitend op dat punt worden vernietigd.

6.2.

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof Dexia in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 332,-

- salaris advocaat € 1.671,- (1,5 punt x tarief II € 1.114,-)

Totaal € 2.003,-

6.3.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en het nasalaris toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 26 maart 2019, behalve voor zover Dexia in de buitengerechtelijke kosten van [geïntimeerde] is veroordeeld, vernietigt dit vonnis op dat punt en doet in zoverre opnieuw recht;

wijst de vordering van [geïntimeerde] tot veroordeling van Dexia in de buitengerechtelijke kosten van [geïntimeerde] alsnog af;

veroordeelt Dexia in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 332,- voor griffierecht en op € 1.671,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Dexia in het nasalaris, begroot op € 163,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- in geval Dexia niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.M.A. Wind en I. Tubben en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

24 mei 2022.11

1 Gerechtshof Amsterdam 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033.

2 Hoge Raad 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815.

3 Gerechtshof Amsterdam 1 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK:4978, BK4981, BK4982 en BK4983.

4 Hoge Raad 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003.

5 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10565 en 27 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8709.

6 HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, rov 3.6.5.

7 HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en ECLI:NL:HR:2016:2015 en HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.

8 Zie o.m. Hof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8984.

9 Zie o.m. Hof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8984.

10 HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

11 Deze zaak is wel geschikt voor publicatie.