Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:4052

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-05-2022
Datum publicatie
27-05-2022
Zaaknummer
21/00713
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2021:2456, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet tegemoetkomingen loondomein. Loonkostenvoordeel oudere werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-5-2022
V-N Vandaag 2022/1354
NLF 2022/1133
FutD 2022-1649 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 21/00713

uitspraakdatum: 17 mei 2022

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 mei 2021, nummer AWB 20/4606, in het geding tussen

[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij beschikking van 25 juli 2019 is op grond van de Wet tegemoetkomingen loondomein aan belanghebbende voor het jaar 2018 een loonkostenvoordeel oudere werknemer toegekend van € 5.805 (hierna: de beschikking Wtl).

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 juli 2020 de beschikking Wtl gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 12 mei 2021, nummer AWB 20/4606, ECLI:NL:RBGEL:2021:2456, het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de Inspecteur opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen en een vergoeding van de proceskosten en het griffierecht toegekend van respectievelijk € 1.598 en € 354.

1.4.

De Inspecteur heeft op 22 juni 2021 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Belanghebbende heeft op 4 november 2021 een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft op 18 maart 2022 een nader stuk ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2022. Namens belanghebbende is verschenen [naam1] , werkzaam bij [naam2] B.V. te [plaats1] . Namens de Inspecteur is verschenen [naam3] . Van de zitting is een procesverbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Op 1 november 2017 is de heer [naam4] bij belanghebbende in dienst getreden. [naam4] is geboren [in] 1955, en had tot de datum van indiensttreding recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

2.2.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) heeft met dagtekening 12 december 2017 ten name van [naam4] een zogenoemde ‘doelgroepverklaring ten behoeve van premiekorting oudere werknemer’ in de zin van artikel 47 Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) verstrekt.

2.3.

Naar aanleiding van deze doelgroepverklaring heeft belanghebbende op 28 maart 2018 een correctiebericht voor de loonheffingen ingediend waarin de aangiften over de aangiftetijdvakken november en december 2017 zijn aangevuld door op de bedragen van die aangiften alsnog de betreffende premiekorting op grond van de Wfsv in mindering te brengen.

2.4.

Belanghebbende heeft in de loonaangiften voor het jaar 2018 ter zake van [naam4] verzocht om een loonkostenvoordeel oudere werknemer.

2.5.

Blijkens de voorlopige berekening van het UWV van 12 maart 2019 is ter zake van [naam4] geen loonkostenvoordeel oudere werknemer toegekend. Belanghebbende heeft naar aanleiding van deze berekening niet gereageerd.

2.6.

Bij de beschikking Wtl van 25 juli 2019 heeft de Inspecteur voornoemd loonkostenvoordeel geweigerd.

2.7.

In de bezwaarfase heeft belanghebbendes gemachtigde in een e-mailbericht van 24 februari 2020 het volgende aan de Inspecteur geschreven:

“Naar aanleiding van het hoorgesprek op 5 februari j.l. inzake de afwijzing van de LKV (Hof: loonkostenvoordeel) van dhr. [naam4] (…) doe ik u de volgende reactie toekomen.

Inmiddels hebben wij de vraag bij onze loonsoftware leverancier neergelegd en ze hebben de correctie-aangiften technisch bekeken. Hun reactie richting ons vindt u in de bijlage. Hieruit kan worden vastgesteld dat wij geen fouten hebben gemaakt ten aanzien van verkeerd gebruik van de software echter blijkt helaas om software-technische redenen dat er wel een collectief deel maar geen nominatief deel met een Ja vermelding is ingezonden in de digitale aangifte. Hierdoor is de premiekorting in 2017 overigens wel toegekend ten behoeve van deze werknemer en werkgever.

Echter door het ontbreken van deze indicatie in de correctie aangifte over 2017, ivm een technische fout in de software, zou echter ons inziens niet moeten leiden tot een afwijzing van de LKV in 2018.”

2.8.

Als bijlage bij voornoemd e-mailbericht is gevoegd een e-mailbericht van [naam5] B.V. van 14 februari 2020, waarin het volgende aan belanghebbendes gemachtigde is geschreven:

“Wij hebben uw backup bekeken. Uit de correctie na afloop loonjaar blijkt inderdaad dat het ‘collectieve’ deel is gecorrigeerd en dat per abuis geen ‘nominatief’ deel van de werknemer is gecorrigeerd. Dit kunt u zien bij het overzicht aangifte loonheffingen.

Wanneer een nominatief deel van de werknemer gecorrigeerd wordt, dan is deze correctie meteen zichtbaar tijdens het draaien van de correctie en daarna nog in het overzicht aangifte loonheffingen. (…)

Helaas komt de situatie nu pas aan het licht, na het verstrijken van de termijn om dit gegeven te kunnen corrigeren. Vanuit Belastingdienst en of UWV is blijkbaar niet gecommuniceerd welke LKV gegevens er bekend zijn bij dit bedrijf over 2017 voor het fotomoment in mei 2018? Over de gegevens van het loonjaar 2018 is dit namelijk wel het geval, zodat er voor de werkgever nog een mogelijkheid is om gegevens te corrigeren voor het fotomoment.”

2.9.

Ter zitting van de Rechtbank heeft [naam6] van [naam5] B.V. onder meer het volgende verklaard:

“Ik constateer dat er iets over het hoofd gezien is. Er is aangegeven dat er een vinkje moest worden gezet, dat hebben wij niet gedaan, dat zit echt in de software. [Belanghebbendes gemachtigde] heeft niets fout gedaan. Volgens mij is het duidelijk hoe de procedure is verlopen. De werknemer valt in de doelgroep en de werkgever valt onder de strekking van de wet. (…) De werkgever is volledig te goeder trouw en heeft alles zo goed mogelijk ingestuurd, toch krijgt hij na twaalf maanden te horen dat de aangifte niet goed was en er geen mogelijkheid is tot correctie. (…) Foutloos werken met complexe wetgeving is niet mogelijk. Fouten zullen er altijd blijven en wij zullen die met elkaar moeten oplossen. Het kan niet zo zijn dat dit enige vinkje leidt tot het niet ontvangen van zo'n groot bedrag. Wij benadrukken dat een foutcorrectie onmogelijk is gemaakt.”

2.10.

De Rechtbank heeft overwogen dat met de inwerkingtreding van de Wet tegemoetkomingen loondomein (hierna: Wtl) per 1 januari 2018 de premiekorting voor oudere werknemers op grond van de Wfsv is komen te vervallen, dat met ingang van die datum werkgevers op grond van de Wtl aanspraak kunnen maken op loonkostenvoordeel oudere werknemers, dat in artikel 6.2 Wtl een overgangsregeling is getroffen voor de werknemers waarvoor in 2017 al gebruik is gemaakt van de premiekorting, dat belanghebbende ter zake van [naam4] aan alle voorwaarden van de overgangsregeling heeft voldaan behalve dan dat in het correctiebericht van 28 maart 2018 de indicatie voor premiekorting niet is opgenomen, dat deze omissie niet aan belanghebbende is te wijten maar aan een probleem in het loonsoftwareprogramma, dat deze omissie op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht moet kunnen worden hersteld, dat de Inspecteur aan belanghebbende die gelegenheid niet heeft gegeven, en dat dit reden is voor vernietiging van de uitspraak op bezwaar.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur terecht ter zake van [naam4] een loonkostenvoordeel oudere werknemer heeft geweigerd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2.

De Inspecteur betoogt dat de indicatie voor premiekorting ouderen voor [naam4] niet was aangegeven in de loonaangifte december 2017, dat dit door belanghebbende niet was aangevuld in het correctiebericht van 28 maart 2018, dat daarom niet aan de voorwaarden voor een loonkostenvoordeel in de zin van de overgangsregeling van artikel 6.2 Wtl is voldaan en dat dit ook niet meer kan worden hersteld, zodat terecht een loonkostenvoordeel ter zake van [naam4] is geweigerd.

3.3.

Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat de omissie omtrent de indicatie voor premiekorting zich voor herstel leent. Gelet daarop had de Inspecteur het verzoek om loonkostenvoordeel ter zake van [naam4] niet mogen afwijzen uitsluitend op grond van deze omissie, zodat dat loonkostenvoordeel voor het jaar 2018 moet worden toegekend. Steun voor dit betoog ontleent belanghebbende aan de uitspraak van Hof Amsterdam van 30 november 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:4304, waarin in een soortgelijk geval is geoordeeld dat herstel mogelijk moet zijn ter afwending van de verstrekkende gevolgen voor de werkgever en dat een andere uitkomst in strijd zou komen met het rechtsbeginsel van evenredigheid.

3.4.

Partijen zijn eensluidend van mening dat het toegekende loonkostenvoordeel met 1.664 uren x € 3,05, ofwel € 5.076 moet worden verhoogd als belanghebbende in het gelijk wordt gesteld.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot verhoging van het toegekende loonkostenvoordeel voor het jaar 2018 tot een bedrag van € 10.881. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van zijn uitspraak op bezwaar.

4 Beoordeling van het geschil

Wettelijke regeling

4.1.

Ingevolge artikel 2.2 Wtl heeft een werkgever recht op een loonkostenvoordeel oudere werknemer indien bij hem een werknemer in dienst is die (i) in de kalendermaand voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking een uitkering genoot op grond van onder meer de Werkloosheidswet, (ii) op het moment van aanvang van de dienstbetrekking 56 jaar of ouder was, (iii) niet op enig moment in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van indiensttreding bij deze werkgever in dienstbetrekking is geweest, en (iv) een geldige doelgroepverklaring als bedoeld in artikel 2.3 Wtl aan de werkgever heeft verstrekt.

4.2.

Met de inwerkingtreding van de loonkostenvoordelen van de Wtl per 1 januari 2018 zijn de premiekortingen van de Wfsv komen te vervallen. In artikel 6.2 Wtl is het overgangsrecht neergelegd voor de lopende premiekortingen voor oudere werknemers. Dit artikel luidt voor zover van belang als volgt:

“Een werkgever die:

a. voor een werknemer een verzoek doet als bedoeld in artikel 2.1;

b. over het voor de werkgever van toepassing zijnde aangiftetijdvak direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 5.1 voor de werknemer, bedoeld in onderdeel a, een premiekorting op grond van de artikelen 47, 49, 122a, 122b of 122l van de Wet financiering sociale verzekeringen, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel 5.1 heeft toegepast in de aangifte over dat tijdvak of uiterlijk op de in artikel 4.1, tweede of zevende lid, bedoelde datum van het jaar waarin artikel 5.1 in werking is getreden in een correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964 met betrekking tot die aangifte; en

c. in de loonaangifte over het laatste aangiftetijdvak van het jaar voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel 5.1 de indicatie voor de premiekorting, bedoeld in onderdeel b, heeft aangegeven, dan wel uiterlijk op de in artikel 4.1, tweede of zevende lid, bedoelde datum van het jaar waarin artikel 5.1 in werking is getreden, de aangifte over dat aangiftetijdvak door middel van een correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft aangevuld met een indicatie voor de premiekorting, bedoeld in onderdeel b;

heeft met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel 5.1 aanspraak op het overeenkomstige loonkostenvoordeel op grond van deze wet, waarbij de reeds verstreken duur van de premiekorting, bedoeld in onderdeel b, wordt afgetrokken van de maximale duur van de toepassing van het loonkostenvoordeel. (…)”

Wetsgeschiedenis

4.3.

In de parlementaire geschiedenis van de Wtl is onder meer het volgende opgenomen:

“Bij het ontwikkelen van een nieuw instrument ter vervanging van de huidige premiekortingen is als uitgangspunt gehanteerd dat op basis van informatie die al beschikbaar is binnen de overheid moet kunnen worden beoordeeld of aan de voorwaarden van de tegemoetkoming wordt voldaan. Alleen dan is geautomatiseerd – ook een uitgangspunt voor het nieuwe instrument – vast te stellen of voldaan wordt aan de voorwaarden. Zo zijn bijvoorbeeld de doelgroepen van de huidige premiekortingen al bekend bij uitkeringsinstanties als het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) of gemeenten. De kenmerken van de dienstbetrekking zijn af te leiden uit de loonaangifte, net zoals de leeftijd van de werknemer, de hoogte van het loon of de verloonde uren. De beschikbaarheid van de relevante informatie bij de overheid biedt bij uitstek de kans om tot geautomatiseerde behandeling te komen. (…)

Omdat wordt aangesloten bij de bestaande gegevensset van de loonaangifte behoeft voor het nieuwe instrument geen nieuw gegeven aan die gegevensset te worden toegevoegd. De beschikbare gegevens zijn op hoofdlijnen geschikt om, met instandhouding van doel en strekking van de premiekortingsregelingen, de aansluiting met de vormgeving van de nieuwe regelingen mogelijk te maken.”

(TK 2015-2016, 34 304, nr. 3 , p. 4-5)

“Voor het overgangsrecht met betrekking tot de lopende premiekorting ouderen en premiekorting arbeidsgehandicapten is het uitgangspunt dat deze met ingang van 1 januari 2017 worden omgezet in een LKV voor de resterende periode. De reeds verstreken duur van de premiekorting voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding, wordt afgetrokken van de maximale duur van het LKV. (…) Het overgangsrecht is alleen van toepassing indien het toepassen van de desbetreffende premiekorting blijkt uit de indicatie in de loonaangifte van het laatste aangiftetijdvak van het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding. Ook indien het overgangsrecht van toepassing is, moet de werkgever een verzoek doen voor een LKV. Het LKV blijft uiteraard slechts doorlopen zolang aan de voorwaarden wordt voldaan. (…)”

(TK 2015-2016, 34 304, nr. 3 , p. 35-36)

“De leden van de fractie van de PvdA vragen of een werkgever die vergeet een vinkje [Hof: bedoeld is het verzoek in de zin van artikel 2.1 Wtl] aan te zetten, dit alsnog kan rechtzetten. Dat is inderdaad het geval. Hij kan door een correctiebericht in te sturen zijn vergissing ongedaan maken. Uiteraard is het van belang dit zo snel mogelijk na ontdekking te doen. Met correctieberichten die zijn ingediend tot uiterlijk 1 mei van het kalenderjaar volgend op het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, wordt rekening gehouden. (…)

Voor het overgangsrecht met betrekking tot de lopende premiekorting ouderen en premiekorting arbeidsgehandicapten is het uitgangspunt dat deze worden omgezet in een LKV voor de resterende periode. De reeds verstreken duur van de premiekorting voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding wordt afgetrokken van de maximale duur van het LKV. Het overgangsrecht is alleen van toepassing indien het toepassen van de desbetreffende premiekorting blijkt uit de indicatie in de loonaangifte van het laatste aangiftetijdvak van het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding. Het is daarom van belang dat werkgevers in 2017 zorgvuldig de nog geldende premiekortingen toepassen en administreren, en vervolgens de juiste informatie over deze dienstbetrekkingen en premiekortingen doorgeven via de loonaangifte. Het ligt in de bedoeling werkgevers in de loop van 2018 te informeren over de vaststelling van deze “oude” rechten.

(TK 2015-2016, 34 304, nr. 6, p. 23 en 27)

4.4.

In de parlementaire geschiedenis van de Verzamelwet SZW 2018, waarin onder meer artikel 6.2 Wtl is gewijzigd, is onder meer het volgende opgenomen:

“In het overgangsrecht in artikel 6.2 wordt geregeld dat indien voor de inwerkingtredingsdatum van de loonkostenvoordelen een premiekorting werd toegepast, de verstreken duur van de toepassing van de premiekorting wordt afgetrokken van de maximale duur van de toepassing van het loonkostenvoordeel.

Voor de werkgever die eind 2017 de premiekorting al toepaste geldt daarbij op grond van onderdeel c de voorwaarde dat hij in de aangifte over de laatste periode van 2017 de indicatie voor de premiekorting moet hebben aangegeven in de loonaangifte over dat tijdvak en op grond van onderdeel b de voorwaarde dat hij tevens in die loonaangifte de premiekorting moet hebben toegepast, dat wil zeggen in mindering hebben gebracht op de premies voor de werknemersverzekeringen. Voor werknemers die pas eind 2017 in dienst zijn getreden zou dit ertoe kunnen leiden dat er mogelijk te weinig tijd is om een doelgroepverklaring aan te vragen en te beoordelen of aanspraak bestaat op een premiekorting voor die werknemers. Om die reden wordt er in artikel 6.2, onderdelen b en c, in voorzien dat het voor een werkgever ook mogelijk is voor die werknemers uiterlijk op 1 mei van het jaar van inwerkingtreding van de bepalingen over loonkostenvoordelen een correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de loonbelasting in te dienen, waarin de aangifte over het laatste aangiftetijdvak in 2017 wordt aangevuld met een indicatie voor de betreffende premiekorting en tevens over die aangifte alsnog de betreffende premiekorting in mindering wordt gebracht op de premies voor de werknemersverzekeringen.”

(TK 2016-2017, 34 766, nr. 3, p. 47)

Indicatie voor premiekorting

4.5.

Belanghebbende heeft ter zake van [naam4] geen recht op een loonkostenvoordeel oudere werknemer op grond van artikel 2.2 Wtl, reeds omdat aan [naam4] geen doelgroepverklaring als bedoeld in artikel 2.3 Wtl is afgegeven. Niettemin komt belanghebbende voor een dergelijk loonkostenvoordeel in aanmerking, indien zij voldoet aan de voorwaarden van de overgangsregeling zoals beschreven in artikel 6.2 Wtl.

4.6.

Uit de tekst van artikel 6.2 Wtl (zie 4.2) volgt dat de overgangsregeling toepassing vindt indien (a) daar om wordt verzocht door de werkgever die (b) in de aangifte over het laatste aangiftetijdvak van 2017 de premiekorting heeft toegepast en (c) in die loonaangifte de indicatie voor de premiekorting heeft aangegeven. Verder volgt uit deze wettekst dat voor deze werkgever ook de mogelijkheid bestaat om uiterlijk op 1 mei 2018 een correctiebericht voor de loonheffingen in te dienen, waarin de hiervoor bedoelde aangifte alsnog met de indicatie voor premiekorting wordt aangevuld.

4.7.

Vast staat dat belanghebbende ter zake van [naam4] voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.2, onderdelen a en b, Wtl.

4.8.

In het onderhavige geval staat verder vast dat bij het correctiebericht van 28 maart 2018, zoals bij de Belastingdienst binnengekomen, de aangifte loonheffingen over het aangiftetijdvak december 2017 ten aanzien van [naam4] niet is aangevuld met een indicatie voor de premiekorting. Het Hof acht niettemin aannemelijk dat belanghebbende in dat correctiebericht ten aanzien van [naam4] een vinkje heeft gezet bij ‘premiekorting oudere werknemer’, dat dit vinkje ertoe heeft geleid dat in het bij de Belastingdienst binnengekomen XML-bestand wat betreft het collectieve deel van het correctiebericht de premiekorting oudere werknemer is verwerkt, maar dat in het nominatieve deel ten aanzien van [naam4] geen indicatie voor de premiekorting is vermeld. Voorts acht het Hof aannemelijk dat laatstgenoemde omissie niet aan belanghebbende is te wijten, maar aan een probleem in het loonsoftwareprogramma. Bij deze bewijsoordelen kent het Hof gewicht toe aan de als bijlage 9 bij het nader stuk van belanghebbende in eerste aanleg gevoegde screenprint van het correctiebericht van 28 maart 2018 waaruit blijkt dat belanghebbende ten aanzien van [naam4] een vinkje heeft gezet bij ‘premiekorting oudere werknemer’, alsmede aan de erkenning van de fout in het loonsoftwareprogramma door de softwareleverancier (zie 2.9 en 2.10).

4.9.

Gelet op het hiervoor overwogene heeft belanghebbende ten aanzien van [naam4] niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 6.2, onderdeel c, Wtl. Aan de Inspecteur moet worden toegegeven dat dit gegeven op grond van louter de tekst van artikel 6.2 Wtl aan toepassing van het overgangsrecht in de weg staat. Dat neemt echter niet weg dat een wettelijke regeling moet worden uitgelegd met inachtneming van doel en strekking van die regeling. Met name indien een uitleg naar de letter van de wet leidt tot onevenredige gevolgen, dient te worden onderzocht of de wetgever deze onevenredigheid heeft voorzien en gewild.

4.10.

De wetgever heeft de Wtl ingevoerd met als doel te komen tot een wat betreft vormgeving nieuwe regeling om efficiënter, fraudebestendiger en geautomatiseerd invulling te geven aan doel en strekking van de daarvóór bestaande premiekortingsregelingen, namelijk het bevorderen van de arbeidsparticipatie van specifieke kwetsbare groepen, waaronder ouderen (TK 2015-2016, 34 304, nr. 3, p. 3 en 5). Met deze intenties strookt de daarbij gemaakte keuze om ten aanzien van werknemers waarvoor tot 1 januari 2018 recht bestond op de premiekorting oudere werknemer, eveneens het loonkostenvoordeel oudere werknemer open te stellen. In het licht van deze intenties moet eveneens de keuze van de wetgever worden gezien om in beginsel als eis te stellen dat uit de bij de overheid beschikbare informatie, waaronder de aangifte loonheffingen over het laatste aangiftetijdvak van 2017, eenvoudig moet kunnen worden afgeleid of recht bestaat op het loonkostenvoordeel. In dat licht valt, naar de Inspecteur ook ter zitting heeft erkend, evenwel niet in te zien waarom die aangifte voor de toepassing van het overgangsrecht niet ook ná 1 mei 2018 zou mogen worden gecorrigeerd of waarom niet ook op andere wijze zou mogen worden aangetoond dat tot 1 januari 2018 op het niveau van een individuele werknemer de premiekorting werd toegepast, bijvoorbeeld in het kader van bezwaar en beroep tegen de beschikking Wtl 2018.

4.11.

Zulke herstelmogelijkheden kunnen het systeem weliswaar minder efficiënt maken, doch aan de intenties van de wetgever zou naar het oordeel van het Hof onvoldoende recht worden gedaan indien zou worden aanvaard dat toepassing van het overgangsrecht zou zijn uitgesloten in een geval, zoals het onderhavige, waarin aan de voorwaarde van artikel 6.2, onderdeel c, Wtl, niet (tijdig) is voldaan uitsluitend ten gevolge van een (software)fout waarvan de werkgever op 1 mei 2018 niet op de hoogte was, waarvan hij op die datum ook redelijkerwijs niet op de hoogte hoefde te zijn en waarvan hem ook overigens geen verwijt kan worden gemaakt. Uit de geschiedenis van de Wtl kan immers met name niet worden afgeleid dat de wetgever uitdrukkelijk de afweging heeft gemaakt dat zelfs in een dergelijk geval het belang van een efficiënte uitvoering dient te prevaleren boven het belang van een materieel juiste toekenning van het loonkostenvoordeel, terwijl expliciete vermelding daarvan gelet op de verstrekkende onevenwichtigheid van een dergelijke afweging wel in de rede had gelegen. Daarbij is ook van belang dat zonder nadere toelichting niet duidelijk is waarom 1 mei 2018 als fatale datum voor herstel zou moeten gelden. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat een redelijke toepassing van het overgangsrecht in een geval zoals hiervoor beschreven meebrengt dat dat overgangsrecht toch van toepassing is, mits de werkgever desgevraagd kan aantonen dat aan alle overige voorwaarden daarvoor is voldaan.

4.12.

Gelet op het voorgaande moet aan belanghebbende ten aanzien van [naam4] het loonkostenvoordeel worden toegekend, gelijk de Rechtbank heeft beslist. Nu partijen zich voor dat geval evenwel eensluidend op het standpunt hebben gesteld dat het Hof het loonkostenvoordeel oudere werknemer zelf kan vaststellen (zie 3.4), blijft de uitspraak van de Rechtbank in zoverre niet in stand.

Slotsom
Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond.

5 Proceskosten en griffierecht

5.1.

Nu de Inspecteur hoger beroep heeft ingesteld en de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, wordt van hem geen griffierecht geheven.

5.2.

Het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond. Daarom ziet het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt die kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.518 (1 punt voor verweerschrift, 1 punt voor bijwonen zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 759).

6 Beslissing

Het Hof:

­ vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht,

­ vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

­ wijzigt de beschikking Wtl in de zin dat een tegemoetkoming loonkostenvoordeel oudere werknemer van € 10.881 wordt toegekend en

­ veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.518.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van drs. M.T.M. Hennevelt als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2022.

De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,

te ondertekenen.

(A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 mei 2022.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.