Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:3826

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-05-2022
Datum publicatie
17-05-2022
Zaaknummer
K21/210210
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aardgaswinning Groningen. Artikel 12-procedure. Verzoek van de officier van justitie tot bewilliging als bedoeld in artikel 240, eerste lid, Wetboek van Strafvordering Sv, naar aanleiding van eerder door het hof gegeven beschikking tot vervolging van beklaagde in verband met verdenking artikel 170, onder tweede, van het Wetboek van Strafrecht.

Omvang klacht, reikwijdte bevel vervolging, omvang van het naar aanleiding van bevel vervolging verrichte onderzoek en omvang verzoek tot bewilliging.

Voor een deel is het ter uitvoering van de beschikking van het hof verrichte onderzoek niet volledig geweest. Verzoek in zoverre afgewezen. Het hof bepaalt dat nader onderzoek moet plaatsvinden.

Het onderzoek gaat voor een deel kader bevel vervolging te buiten. Volgt in zoverre niet-ontvankelijkverklaring in het verzoek.

Ten aanzien van deel klagers ontbreekt voldoende bewijs voor vervolging. Verzoek in zoverre toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Klachtnummer 21/210210

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Bewilligingsverzoek 21/210210

Beschikking d.d. 17 mei 2022 op het verzoek van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland om bewilliging als bedoeld in artikel 240, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering betreffende de vervolging van

de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM),

hierna te noemen beklaagde,

gevestigd te Assen,

ten aanzien waarvan het hof op 20 april 2017 de vervolging heeft bevolen naar aanleiding van een klacht ter zake van het uitblijven daarvan, ingediend door

Vereniging van schadelijders van de bodembeweging door gaswinning in Groningen (Groninger Bodem Beweging) , [naam1] , [naam2] , [naam3] , [naam4] , [naam5] , [naam6] , [naam7] , [naam8] , [naam9] , [naam10] , [naam11] , [naam12] en [naam13] ,

hierna te noemen klagers,

allen vestigingsplaats dan wel woonplaats kiezende ten kantore van mr. G. Spong en/of mr. E. van Reydt, beiden advocaat te Amsterdam.

Het procesverloop na de eerdere beschikking

Op 27 december 2017 heeft de officier van justitie van het Functioneel Parket te 'sHertogenbosch gevorderd dat de rechter-commissaris in het arrondissement Noord-Nederland onderzoekshandelingen verricht in de strafzaak tegen beklaagde in de zaak met parketnummer 08/996055-18.

De rechter-commissaris heeft gevolg gegeven aan die vordering.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onderzoek onvoldoende bewijsmateriaal heeft opgeleverd zodat de kans op een succesvolle vervolging gering moet worden geacht. Bij brief van 22 maart 2021 heeft de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland het hof verzocht om erin te bewilligen dat de vervolging wordt beëindigd.

Klagers hebben op 19 juli 2021 de gelegenheid gekregen om in raadkamer op het bewilligingsverzoek te reageren. Een aantal van hen en hun gemachtigde, mr. Spong, hebben ten overstaan van het hof het woord gevoerd.

Beklaagde heeft op 29 november 2021 de gelegenheid gekregen om in raadkamer op het bewilligingsverzoek te reageren. Haar vertegenwoordiger, [naam14] , alsmede haar gemachtigden, mr. M. Bakker en mr. A. Werts, hebben ten overstaan van het hof het woord gevoerd.

Ten slotte zijn klagers op 21 februari 2022 in raadkamer in de gelegenheid gesteld een laatste reactie te geven op hetgeen namens beklaagde naar voren is gebracht. Bij die gelegenheid hebben mr. Spong en mr. Van Reydt het woord gevoerd.

Inleiding

1. Het hof heeft in zijn beschikking van 20 april 2017 overwogen dat strafrechtelijk ingrijpen geboden kan zijn wanneer blijkt dat voor een of meer klagers als gevolg van door gaswinning veroorzaakte schade levensgevaar te duchten is geweest. Of voor dat strafbare feit - artikel 170, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) - voldoende bewijs voorhanden is, kon ten tijde van die beschikking niet worden beoordeeld, omdat het openbaar ministerie naar aanleiding van de aangifte van klagers geen strafrechtelijk onderzoek had ingesteld. Het hof heeft in zijn beschikking dit onderzoek alsnog gelast in de vorm van een bevel tot vervolging van de NAM met toepassing van artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het hof heeft verder overwogen dat een vervolging ter zake het veroorzaken van gemeen gevaar voor goederen (artikel 170, aanhef en onder 1, Sr) niet opportuun is. Daarbij heeft het hof met name meegewogen dat er voor het verhalen van financiële schade die klagers hebben geleden (inmiddels) voldoende civielrechtelijke mogelijkheden voorhanden zijn.

2. Naar aanleiding van de beschikking van het hof heeft onder leiding van de officier van justitie van het Functioneel Parket en met tussenkomst van de rechter-commissaris een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden. Het resultaat daarvan is een omvangrijk strafdossier waarop klagers en beklaagde in raadkamer hebben kunnen reageren. Het hof heeft nu op basis van dit dossier te beoordelen of verdere vervolging ter zake van artikel 170, aanhef en onder 2, Sr haalbaar en opportuun is, of dat, zoals het openbaar ministerie voorstelt, de bevolen vervolging moet worden stopgezet.

3. De hoofdofficier van justitie verzoekt het hof te bewilligen in niet verdere vervolging van beklaagde, omdat het onderzoek in de visie van het openbaar ministerie geen wettig en overtuigend bewijs heeft opgeleverd voor het feit waarvoor de vervolging is bevolen.

De visie van partijen

De conclusie van de officier van justitie

4. De officier van justitie verdedigt het bewilligingsverzoek. Beklaagde hield zich bezig met een toegestane gedraging, te weten het winnen van aardgas uit de bodem. Tussen deze gedraging en een te duchten levensgevaar bestaat geen direct oorzakelijk verband, nu niet na iedere winningshandeling een aardbeving ontstaat en niet na iedere beving schade aan gebouwen ontstaat. Bovendien kan een legale en vergunde gedraging, wat de aardgaswinning is, geen strafbare handeling opleveren. Daar komt bij dat beklaagde op geen enkel moment de intentie heeft gehad ernstige schade te veroorzaken, laat staan levensgevaar. Een situatie van concreet levensgevaar, waarbij voor de ernstige mogelijkheid van een noodlottige afloop moest worden gevreesd, heeft zich niet voorgedaan. Uit alle opgemaakte rapportages in de loop van de jaren bleek slechts dat materiële, maar beperkte schade aan gebouwen en infrastructuur als gevolg van aardbevingen door gaswinning voorzienbaar was. Levensgevaar werd niet als logisch gevolg van deze bevingen ingeschat. Van daadwerkelijk levensgevaarlijke situaties is ook niet gebleken. Hoewel zich in de periode 2012 tot begin 2016 vierendertig bevingen met een magnitude van boven de 2.0 R hebben voorgedaan, is er geen lichamelijk letsel ontstaan, laat staan dat er dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Dit impliceert dat met de kennis van achteraf te meer duidelijk is geworden dat er geen concreet gevaar voor letsel of levensgevaar te duchten is geweest.

5. Ook de gegevens die beschikbaar zijn ten aanzien van de concrete casus, de panden die zijn onderzocht en in het dossier beschreven, bieden geen grond voor de stelling dat de bewoners ervan levensgevaar te duchten hebben gehad.

6. De officier van justitie wijst verder op de bijzondere positie van beklaagde. De NAM maakt deel uit van het zogeheten 'aardgasgebouw', een constructie die bestaat uit verschillende publieke en private instanties die betrokken zijn bij de gaswinning. Hoewel beklaagde formeel als enige verantwoordelijkheid droeg voor de veiligheid, was in de praktijk sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid. Beklaagde was als concessiehouder voortdurend bevoegd om conform het door de Minister van Economische Zaken goedgekeurde jaarlijkse winningsplan aardgas te winnen. Aan de winning zijn altijd voorschriften verbonden geweest die betrekking hebben op veiligheids- en milieuaspecten. Verder bevat artikel 33 van de Mijnbouwwet een brede zorgplicht die blijkens de Memorie van Toelichting dient als vangnetbepaling. De ruime formulering staat aan strafrechtelijke sanctionering ervan in de weg. Beklaagde heeft altijd uiterste zorgvuldigheid betracht, maar heeft er geen rekening mee kunnen en hoeven houden dat een normale winning, die onvermijdelijk bodembewegingen meebrengt, niet meer mogelijk zou zijn.

7. De officier van justitie deelt de conclusie van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat de betrokken partijen onzorgvuldig zijn omgegaan met de veiligheid van de inwoners van Groningen door het veiligheidsrisico steeds als verwaarloosbaar te beschouwen. Inderdaad zijn partijen zich achteraf gezien onvoldoende bewust geweest van de risico's die aan de gaswinning waren verbonden, maar dat maakt nog niet dat beklaagde strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarbij wijst de officier van justitie op de gematigde risicoschattingen van zowel het KNMI als TNO, die steeds aangaven het risico niet goed te kunnen duiden, maar wel concludeerden dat het risico beperkt was.

Het advies van de advocaat-generaal

8. De advocaat-generaal heeft het hof geadviseerd het verzoek van de hoofdofficier van justitie toe te wijzen. Uit het onderzoek blijkt dat de aardbevingsschade niet heeft geleid tot het ontstaan van een concrete gevaarlijke situatie, waarin er een reële kans op instorting van een gebouw bestond. Daar komt bij dat voor een bewezenverklaring ter zake van artikel 170 Sr sprake zal moeten zijn van opzettelijke vernieling of beschadiging. De advocaat-generaal betoogt dat het verrichten van een gedraging waaraan risico's zijn verbonden, zoals het winnen van aardgas, onvoldoende is om te concluderen dat er opzet is geweest op het beschadigen of vernielen van bouwwerken, ook niet in voorwaardelijke zin.

Het standpunt van klagers

9. Klagers betwisten dat er onvoldoende bewijs is voor een haalbare strafvervolging. Dat er tot op heden gelukkig geen dodelijke slachtoffers als gevolg van een aardbeving te betreuren zijn geweest, betekent niet dat geen sprake is geweest van te duchten levensgevaar. Klagers wijzen erop dat beklaagde toegeeft dat de aardgaswinning heeft geleid tot acuut onveilige situaties, met onbewoonbaar verklaarde woningen tot gevolg. De term 'acuut onveilige situatie' impliceert een direct veiligheidsrisico voor personen. De door beklaagde en het openbaar ministerie betrokken stelling dat een concreet te duchten levensgevaar is vereist, vindt geen steun in de wettelijke delictsomschrijving en evenmin in jurisprudentie. Voor een bewezenverklaring volstaat dat levensgevaar naar objectieve maatstaven te duchten is geweest, oftewel dat ten tijde van de gevaarzettende gedraging naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat dit gevaar kon intreden. Daarbij gaan klagers uit van voorzienbaarheid voor de 'normale mens', waarbij als maatstaf een 'onverhoedse confrontatie met gevaar ten gevolge van een aardbeving' zou kunnen worden gehanteerd. Een redelijke wetstoepassing leidt ertoe dat ieder potentieel levensgevaar, ongeacht de kans op verwezenlijking daarvan, behoort te worden aangemerkt als een te duchten levensgevaar in de zin van artikel 170 Sr.

10. Beklaagde heeft zich volgens klagers schuldig gemaakt aan een voortdurende overtreding van artikel 170, aanhef en onder 2, Sr. Door de gaswinning voort te zetten vergrootte zij de kans op een zwaardere beving, nu die kans wordt bepaald door de cumulatieve winning in combinatie met de reeds bestaande breuklijnen.

11. Onder meer uit Arup-rapporten uit 2013 en 2016 bleek de noodzaak van preventieve versterking van gebouwen. De rapporten bevatten risicotaxaties ten aanzien van het voorkomen van aardbevingen van verschillende magnitudes en het instortingsgevaar alsmede het aantal potentiële doden en zwaargewonden als gevolg daarvan. In een notitie van de NAM bij het rapport uit 2013 wordt het verminderen van de kans op letsel genoemd als expliciet doel van de verstevigingsacties. Beklaagde was dus van het gevaarzettende karakter van haar handelen op de hoogte, wat ook blijkt uit de door haar ingezette versterkingsoperatie. Klagers verwijzen in dit verband ook naar de feitelijke vaststellingen van de Hoge Raad in de civiele procedure tegen de staat ten aanzien van de bekendheid met de aan de gaswinning verbonden gevaren en risico's.1 Voor zover het hof, ondanks het betoog van klagers dat abstracte gevaarzetting volstaat voor een bewezenverklaring, van oordeel is dat daarvoor concrete gevaarzetting is vereist, bieden de kennelijke noodzaak voor een grootschalige versterking van woningen en de geconstateerde acuut onveilige situaties voldoende grond voor de conclusie dat ook daarvan sprake is geweest, aldus klagers.

12. Volgens klagers miskent beklaagde met haar stelling dat de huidige risico's waaraan de Groningers zijn blootgesteld de zogenoemde Meijdam-norm niet overschrijden dat het bevel tot vervolging ziet op de gaswinning in de periode 1993 - 2015. Het algemeen aanvaarde niveau voor basisveiligheid uit de Meijdam-norm (10-5 per jaar, oftewel een kans van 1 op 100.000 per individu om te overlijden als gevolg van een aardbeving) werd in die periode wel degelijk significant overschreden. In 2015 voldeden 4.000 geïnspecteerde woningen niet aan deze norm. Volgens klagers is naar schatting 2,5 % van de inwoners van Groningen blootgesteld aan onacceptabele risico's. Uit de vele acuut onveilig en onbewoonbaar verklaarde woningen blijkt dat veelvuldig sprake is geweest van voor de bewoners daarvan levensgevaarlijke situaties.

13. Namens klagers is er verder op gewezen dat de rechtspraak tot nu toe een zeer beperkte invulling heeft gegeven aan het bestanddeel 'te duchten levensgevaar', door hieronder alleen concreet gevaarzettende situaties te verstaan. Het vasthouden aan die interpretatie van dit bestanddeel is in het licht van het gevaarlijke handelen van de NAM en de maatschappelijke impact daarvan niet aanvaardbaar. De politiek heeft inmiddels dure lessen getrokken uit de aardbevingsproblematiek en besloten de gaswinning in Groningen te beëindigen. De ontstane maatschappelijke noodsituatie rechtvaardigt wat klagers betreft 'creatieve of actualiserende' wetsuitleg door de rechter.

14. Door klagers is verder het standpunt ingenomen dat, voor zover voor het voltooide delict onvoldoende bewijs zou zijn, in ieder geval kan worden aangenomen dat aan alle wettelijke eisen voor een strafbare poging is voldaan. Beklaagdes handelingen zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op voltooiing van het misdrijf. Van een bewilliging kan, alleen al omdat naar de in het bevel tot vervolging besloten liggende pogingvariant geen onderzoek is gedaan, geen sprake zijn.

15. Klagers leiden ten slotte uit de overwegingen van het hof in de beschikking van 20 april 2017 af dat het hof de vervolging van beklaagde (ook) opportuun acht voor wat betreft het strafbare feit van artikel 170, aanhef en onder 1, Sr (gemeen gevaar voor goederen als gevolg van door de gaswinning veroorzaakte schade). Gezien de volstrekt tekortschietende financiële compensatie van beklaagde voor de door haar aangerichte schade, is ook een vervolging voor dat delict zeker op haar plaats.

Het standpunt van beklaagde

16. Beklaagde heeft erkend verantwoordelijkheid te dragen voor materiële en emotionele schade als gevolg van door gaswinning veroorzaakte bevingen. Zij betwist echter zich aan het strafbare feit van artikel 170, aanhef en onder 2, Sr te hebben schuldig gemaakt. Onder verwijzing naar diverse jurisprudentie betoogt beklaagde dat het bestanddeel 'te duchten levensgevaar' een hoge urgentie veronderstelt, in die zin dat daarvoor een onacceptabel grote kans moet bestaan dat het levensgevaar zich op korte termijn daadwerkelijk voordoet. Er moet sprake zijn van concrete omstandigheden die het levensgevaar reëel maken. Onvoldoende is een gevoelsmatige vrees dat zich in de toekomst aardbevingen van een bepaalde zwaarte kunnen voordoen, waardoor ernstige schade zou kunnen ontstaan die levensgevaar creëert.

17. Beklaagde heeft zich de afgelopen decennia beziggehouden met het vergund winnen van aardgas. Enig te duchten levensgevaar als gevolg van daardoor veroorzaakte schade was naar algemene ervaringsregels niet voorzienbaar. De specifieke schades die zijn onderzocht, kennen in sommige gevallen (deels) andere oorzaken, zodat vermeend levensgevaar niet zonder meer aan de gaswinning valt te relateren. Ook het feit dat preventieve maatregelen zijn genomen ter herstel of voorkoming van ernstiger gevolgen, duidt niet op voorzienbaar te duchten levensgevaar. Deze maatregelen dragen er juist in een vroeg stadium aan bij dat het niet komt tot een eventueel gevaarlijke situatie, terwijl onzeker is of die situatie zonder ingrijpen wel zou zijn ontstaan. Bovendien geldt bijvoorbeeld voor de regeling met betrekking tot 'acuut onveilige situaties' en onbewoonbaarverklaringen dat de causaliteitsvraag daarbij niet wordt betrokken.

18. Met betrekking tot de individuele dossiers van klagers concludeert beklaagde dat, hoewel de bewoners zich begrijpelijkerwijs vaak onveilig hebben gevoeld, telkens geen sprake is geweest van te duchten levensgevaar als bedoeld in artikel 170 Sr. Ten aanzien van de dossiers van de additioneel onderzochte woningen stelt beklaagde zich primair op het standpunt dat deze buiten de omvang van het bewilligingsverzoek vallen, nu de klacht niet op deze dossiers betrekking had en de officier van justitie ten aanzien van deze dossiers ook geen beslissing heeft genomen om (niet) te vervolgen. Subsidiair betoogt beklaagde dat klagers geen belang hebben bij een vervolging van beklaagde ten aanzien van deze dossiers en dat zij in zoverre in hun klacht niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Meer subsidiair is beklaagde van mening dat ook ten aanzien van de additionele schadedossiers telkens geen sprake is geweest van te duchten levensgevaar als bedoeld in artikel 170 Sr.

19. Los van de concrete schadedossiers wordt in het dossier aandacht besteed aan gevaarzetting in algemene zin. Zo zijn daarin rapporten met betrekking tot veiligheidsnormen, inschatting van toekomstige bevingsrisico's en vergelijkingen met andere risicodomeinen opgenomen. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat deze algemene rapporten en normstellingen juist contra-indicaties bevatten voor te duchten levensgevaar. Beklaagde verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de ingeschatte kansen op overlijden als gevolg van een aardbeving. Daarnaast wijst zij op het feit dat ondanks honderden bevingen in een gebied waar ongeveer 250.000 woningen staan geen lichamelijk letsel is ontstaan, laat staan dat dodelijke slachtoffers te betreuren zijn geweest. Daaruit leidt beklaagde af dat te duchten levensgevaar niet voorzienbaar was en dat naar algemene ervaringsregels bevingsschade geen concreet levensgevaar doet ontstaan. De rapportages van ARUP uit 2013 en 2016 leiden niet tot een andere conclusie. ARUP beschrijft een 'worst case'-scenario zonder direct te verwoorden dat de kans dat dit scenario zich voordoet zeer laag is. De deterministische benadering die ARUP heeft gekozen levert daardoor onrealistische resultaten op.

20. In algemene zin heeft beklaagde gewezen op de zgn. Meijdam-norm, die voorschrijft dat de kans op overlijden als gevolg van een bepaald risico in de loop van een jaar niet groter dan 1 op 100.000 mag zijn. Aan die norm wordt in Groningen voldaan. De Meijdam-norm wordt ook in andere veiligheidsdomeinen gehanteerd en is dus algemeen aanvaard als een niveau voor basisveiligheid. Het feit dat aan deze norm wordt voldaan, levert een contra-indicatie op voor de stelling dat er voor omwonenden van gaswinningslocaties een ernstige mogelijkheid van een noodlottige afloop aanwezig is.

21. Beklaagde wijst er verder op dat de beslissing om aardgas te (blijven) winnen telkens opnieuw en in samenspraak met alle betrokken (overheids)partijen is genomen. Steeds is op basis van de beschikbare gegevens geconcludeerd dat de gaswinning op een voldoende veilige en verantwoorde wijze kon worden voortgezet. Daar komt nog bij dat voor beklaagde sprake was van een winningsplicht, wat door de minister van Economische Zaken meermalen expliciet is benadrukt. Zowel ter zake de beslissingen tot het winnen van aardgas als de (recent genomen) beslissing tot het stopzetten daarvan, heeft beklaagde geen andere keus dan daaraan gevolg te geven. Ook daarom kan het in haar visie niet zo zijn dat dezelfde overheid die dwingt tot het winnen van aardgas beklaagde nu strafrechtelijk aanspreekt voor de vermeende gevolgen daarvan. Zou al tot een vervolging worden gekomen, dan meent beklaagde een geslaagd beroep te kunnen doen op strafuitsluitingsgronden die zien op het ontbreken van wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid.

22. Tot slot heeft beklaagde betoogd dat, mocht toch worden geoordeeld dat sprake is geweest van te duchten levensgevaar ter zake van één of meer woningen, het voortzetten van de bevolen vervolging niet opportuun is, onder meer omdat inmiddels de politieke beslissing is genomen de gaswinning volledig te beëindigen.

Het oordeel van het hof

De omvang van het bevel tot vervolging

23. Zoals hiervoor onder 1. is overwogen, heeft het hof in de beschikking van 20 april 2017 slechts de vervolging bevolen ter zake artikel 170, aanhef en onder 2, Sr. De interpretatie van klagers dat (ook) een vervolging ter zake artikel 170, aanhef en onder 1, Sr opportuun is geacht, berust op een verkeerde lezing van die beschikking.

24. Voor een bewezenverklaring van het delict van artikel 170, aanhef en onder 2, Sr is vereist dat wettig en overtuigend wordt bewezen dat de beklaagde - kort gezegd - een gebouw heeft vernield of beschadigd en dat (als gevolg) daarvan levensgevaar voor een (of meer) ander(en) te duchten is. De delictsomschrijving gaat uit van de opzettelijke vernieling of beschadiging van een concreet bouwwerk, waardoor min of meer concrete omstandigheden ontstaan die een reële vrees voor dodelijke slachtoffers rechtvaardigen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat levensgevaar te duchten is, wanneer dat levensgevaar 'naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was'.2 Commentatoren op artikel 170 Sr duiden dit artikel aldus dat dit gevaar bestaat wanneer 'naar de gewone loop der dingen zonder buitengewone omstandigheden de ernstige mogelijkheid van noodlottige afloop aanwezig is'.3 In de rechtspraak is het criterium ook wel op die manier toegepast.4 Er moet, met andere woorden, een reële kans zijn dat het gevolg intreedt.

25. Van belang is verder dat het hof in de vervolgingsbeschikking uitdrukkelijk heeft overwogen dat een vervolging (alleen dan) opportuun kan worden geacht wanneer nader onderzoek voldoende bewijs oplevert dat beklaagde een vernieling of beschadiging heeft aangericht én er (als gevolg daarvan) ten aanzien van klagers levensgevaar te duchten is geweest. Het hof heeft het nader onderzoek bevolen om te kunnen vaststellen of er ten aanzien van iedere individuele klager voldoende bewijs voor overtreding van artikel 170, aanhef en onder 2 Sr, kan worden verzameld. Het hof heeft de vervolgings- en onderzoeksopdracht dus uitdrukkelijk beperkt tot de individuele klagers. Gezien het karakter van de artikel 12 Sv-procedure, waarin slechts een rechtstreeks belanghebbende beklag kan doen over het niet vervolgen van een vermeend strafbaar feit, is een ruimere vervolgingsopdracht ook niet denkbaar. Overigens zou een dergelijk ruime vervolging zich ook niet verhouden met het vereiste van artikel 261 Sv dat in een (eventueel te formuleren) tenlastelegging het aan de beklaagde gemaakte verwijt in voldoende mate moet zijn geconcretiseerd.

26. Uit het voorgaande volgt dat het standpunt van klagers, namelijk dat de vervolging ziet op beklaagdes handelen in ruime zin en de eventuele (abstracte) risico's daarvan voor (willekeurige) inwoners van de provincie Groningen, niet strookt met de gegeven vervolgingsbeslissing. Ook de vraag of voor specifieke derden, bijvoorbeeld voor bewoners van bepaalde acuut onveilig verklaarde woningen, levensgevaar te duchten is geweest, valt buiten de omvang van het bevel tot vervolging en dus ook buiten het bestek van het verzoek tot bewilliging. Voor een (voortzetting van de) vervolging van beklaagde kan alleen grond zijn wanneer er een redelijk vermoeden bestaat dat ten aanzien van een of meer individuele klagers levensgevaar te duchten is geweest als gevolg van de door beklaagde veroorzaakte vernieling c.q. beschadiging van gebouwen.

27. Naast de schadedossiers van klagers zijn door het openbaar ministerie zes andere dossiers onderzocht. De eerste vijf daarvan betreffen de panden van [naam15] , [naam16] , [naam17] , [naam18] en [naam19] . Het hof begrijpt uit het bewilligingsverzoek dat het openbaar ministerie zich ook ten aanzien van deze vijf casus op het standpunt stelt dat de vervolging moet worden gestaakt. De vervolgings- en onderzoeksopdracht van het hof beperkt zich echter tot de vraag of ten aanzien van klagers levensgevaar te duchten is geweest. In aanmerking genomen dat deze personen niet als klager in de procedure zijn betrokken en zij evenmin door de Groninger Bodem Beweging worden vertegenwoordigd, heeft het hof dus niet de vervolging van beklaagde bevolen ten aanzien van deze vijf personen. Dat brengt mee dat de hoofdofficier van justitie ten aanzien van die personen niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn verzoek om in het staken van de vervolging te bewilligen.

De dossiers van de individuele klagers

28. Het dossier bevat met betrekking tot de individuele klagers die natuurlijke personen zijn verschillende schaderapporten en fotomateriaal. Ook zijn al deze klagers door de rechter-commissaris gehoord. Het hof vat hieronder de in het dossier opgenomen bevindingen samen en oordeelt vervolgens of het onderzoek voldoende bewijs voor (verdere) vervolging heeft opgeleverd.

29. Ten aanzien van de woning van klager [naam13] is door onderzoeksbureau Arcadis geconcludeerd dat de samenhang van de draagconstructie nog voldoende is. De schade als gevolg van de aardbevingen is 'hoogstens zeer gering'. In een contra-expertise van Vergnes BV wordt gesproken van constructieve schade. Zwaardere bevingen zouden voor een 'serieus veiligheidsrisico' zorgen. Arcadis heeft in reactie daarop laten weten bij haar eerdere conclusies te blijven. Deze onderzoeken hebben dus in onderling tegenstrijdige conclusies geresulteerd. Aanvullende stukken die (objectief) steunbewijs bevatten voor één van beide inschattingen, zijn niet achterhaald.

30. Ten aanzien van de woning van [naam7] en [naam8] heeft Arcadis geconcludeerd dat de veiligheid van de constructies niet in het geding is. De schades kunnen bij nieuwe bevingen 'hoogstens verergeren'. Hoewel de schoorsteen voldoende sterk lijkt en geen gebreken vertoont, wordt preventieve verwijdering met het oog op mogelijke heftiger bevingen in overweging gegeven. Het Centrum Veilig Wonen heeft de situatie als 'niet acuut onveilig' gekwalificeerd.

31. Over de woning van [naam6] en [naam5] is gerapporteerd door W2N en Antea Group. W2N ziet geen reden om aan te nemen dat de constructieve veiligheid onvoldoende is. Antea Group acht het risico op gehele of gedeeltelijke instorting 'gering' en concludeert dat er geen direct te treffen constructieve maatregelen nodig zijn.

32. Jonkman Expertise heeft ten aanzien van het pand van [naam9] gerapporteerd over scheuren die in verband staan met de beving. Er is echter volgens het onderzoeksbureau geen veiligheidsrisico aanwezig. Arcadis concludeert dat de kapconstructie doorbuigt omdat in het verleden te lichte constructiedelen zijn gebruikt. Trillingen hebben op het doorbuigen geen invloed. Vergnes BV is in een contra-expertise tot andere bevindingen gekomen. De kapconstructie kan de trillingen niet verwerken en bij hevigere bevingen kan de dakkapel bezwijken. De bevindingen van Vergnes BV zijn tegenstrijdig met die van Jonkman Expertise en Arcadis. Aanvullende stukken die (objectief) steunbewijs bevatten voor één van beide visies, zijn niet achterhaald.

33. Aan de gebouwen op het perceel van [naam11] en [naam10] is onderzoek gedaan door Arcadis. Een schuur op het terrein heeft een ontzette kopgevel, wat primair is veroorzaakt door de wijze waarop de kap is uitgebreid. In de zuidgevel bevindt zich een scheur die primair het gevolg is van de bouwwijze. Trillingen zijn van beperkte invloed, maar de veiligheid van de constructie van de schuur is op termijn in het geding. Vergnes BV concludeert dat de schade aan de zijgevels volledig aan bevingen is te relateren. Ten aanzien van de schoorsteen is door het Noordelijk Schade Taxatiebureau 'alleen C-schade' (oftewel niet door aardbevingen veroorzaakte schade) vastgesteld. Het Centrum Veilig Wonen heeft de schoorsteen als 'niet acuut onveilig' gekwalificeerd.

34. Ten aanzien van de woning van [naam12] en [naam1] concluderen ARUP en Arcadis dat de constructie voldoende stabiel is om seismische belasting te weerstaan en er geen directe constructieve maatregelen nodig zijn.

35. Over het pand van [naam2] is gerapporteerd door het Noordelijk Schade Taxatie Bureau, Vergnes BV en Royal HaskoningDHV. De conclusies ten aanzien van de mate van schade en de oorzaak ervan variëren enigszins. Van een gevaarlijke of constructief onveilige situatie blijkt uit de rapporten niet.

36. Het pand van [naam3] en [naam4] is meerdere malen onderzocht door Arcadis. Ook Expertise Bureau Noord heeft over de woning gerapporteerd. Geen van de bureaus komt tot de conclusie dat sprake is van een veiligheidsrisico. Er is enige scheurvorming. Over de vraag of bevingen daarvan de oorzaak zijn geweest, verschillen de bureaus van mening.

37. Uit de hiervoor aangehaalde documenten blijkt telkens in meer of mindere mate dat in of aan woningen en/of bijgebouwen van klagers schade is ontstaan die geheel of gedeeltelijk verband houdt met aardbevingen als gevolg van de gaswinning. Het hof begrijpt uit de verklaringen van de diverse klagers dat zij zich ernstige zorgen hebben gemaakt en wellicht nog steeds maken over hun veiligheid. De bevingen die plaatsvonden en de schade die optrad hebben bij verschillende klagers gevoelens van angst teweeggebracht. Deze reacties zijn zeer voorstelbaar en begrijpelijk. De juridische vraag die het hof heeft te beantwoorden is of van de vernielingen c.q. beschadigingen ten gevolge van aardbevingen objectief gezien levensgevaar te duchten is geweest voor klagers. Voor een positieve beantwoording van deze vraag ten aanzien van de hiervoor opgesomde klagers ontbreekt wettig en overtuigend bewijs.

38. Namens klagers is subsidiair gesteld dat sprake is van een poging tot het plegen van het delict van artikel 170, aanhef en onder 2, Sr. Een poging tot het plegen van dit delict zou veronderstellen dat beklaagde zou hebben geprobeerd een bouwwerk te vernielen of te beschadigen, als gevolg waarvan levensgevaar te duchten was geweest wanneer het tot een voltooid delict was gekomen. Niet in geding is dat zich (voltooide) beschadigingen als gevolg van de gaswinning hebben voorgedaan. Daarom kan ten aanzien van deze beschadigingen niet van een poging tot het veroorzaken ervan worden gesproken. Voor zover klagers stellen dat bepaalde schade die levensgevaar in het leven had kunnen roepen niet is opgetreden, maar dat beklaagde niettemin een begin van uitvoering heeft gegeven aan het aanrichten daarvan, ziet het hof daarvoor in de stukken geen aanknopingspunten.

39. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bewilligingsverzoek ten aanzien van elk van de individuele klagers, natuurlijke personen zijnde, moet worden toegewezen.

Het schadedossier ten aanzien van klaagster GBB

40. De rechtspersoon Groninger Bodem Beweging is door het hof ontvankelijk geacht in haar klacht, zodat de gegeven vervolgingsbeslissing zich mede tot die rechtspersoon uitstrekt. Uit de statuten van de GBB blijkt dat het doel van die vereniging is het opkomen voor de belangen van de leden, voor zover die worden geschaad door directe en indirecte gevolgen van de gaswinning in het Groninger gasveld, alsmede het verrichten van alle verdere handelingen die met het vorenstaande in ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn. Uit de statuten blijkt verder dat de vereniging dit doel onder meer tracht te bereiken door namens alle leden als partij in (juridische) procedures op te treden.

De casus [naam20]

41. De heer [naam20] is lid van de GBB. Gelet daarop omvat de vervolgingsopdracht van het hof tevens zijn pand. Het dossier bevat geen rapportages met betrekking tot het pand van [naam20] . Bij de rechter-commissaris heeft [naam20] verklaard dat een aantal bevingsschades is hersteld en een aantal andere nog in behandeling is. Onder verwijzing naar wat hiervoor onder r.o. 37-38 is overwogen, zal het hof het bewilligingsverzoek ook ten aanzien van [naam20] toewijzen.

De casus [naam21]

42. Namens de GBB is desgevraagd meegedeeld dat ook de heer H. [naam21] lid is van de vereniging. Gelet daarop omvat de vervolgingsopdracht van het hof tevens het pand van de familie [naam21] . Het openbaar ministerie heeft het pand onderwerp gemaakt van het onderzoek en in het dossier diverse documenten opgenomen die er betrekking op hebben.

43. Het pand van de familie [naam21] is een vrijstaand gebouw uit het jaar 1870. Arcadis heeft in 2014 onderzoek gedaan naar het gebouw. Zij heeft geconcludeerd dat het pand een twijfelachtige constructie kent. Eerdere schades aan het pand zijn hersteld. Diverse schades die reeds aanwezig waren, zijn mogelijk verergerd als gevolg van aardbevingen. De samenhang van de draagconstructie is vanwege scheefstand en scheurvorming in de gevels zeer twijfelachtig. Acute instorting wordt niet waarschijnlijk geacht, maar bij bijvoorbeeld een nieuwe hevige beving kan een aanzienlijke toename van de schade niet worden uitgesloten. Die schade zou kunnen bestaan uit gehele of gedeeltelijke instorting. Vergnes BV rapporteert als contra-expertise dat als gevolg van bevingen sprake is van scheurvorming en een complete deformatie van de zij- en achtergevel. Het gebrek aan samenhang van de muren vormt een ernstig veiligheidsrisico bij een eventuele volgende en zwaardere beving. De muren staan niet meer recht onder de sporen van de kapconstructie. Er is sprake van een zorgwekkende situatie. Ingeschat wordt dat bij een geringe verplaatsing van de kapconstructie, bij trilling door een beving, de ondersteuning ernstig in het geding komt en instorting zeer wel mogelijk is. In overweging wordt gegeven de familie 'uit te huizen'. In opdracht van beklaagde heeft ARUP eveneens onderzoek naar het pand gedaan. In een rapportage van januari 2015 kwalificeert zij naar aanleiding van een zgn. ATC-20 Rapid Evaluation Safety Assessment de veiligheid van het gebouw als 'rood'. Het ATC-20 assessment wordt doorgaans uitgevoerd na 'seismische gebeurtenissen'. De categorie rood houdt in dat het onveilig is om het gebouw in zijn huidige toestand te bewonen of te betreden. Evacuatie wordt aangeraden.

43. De hiervoor vermelde rapporten ten aanzien van het pand van [naam21] bevatten aanwijzingen dat voor de bewoners van dit pand mogelijk levensgevaar te duchten is geweest als gevolg van door bevingen ontstane schade. [naam21] is evenwel, anders dan de individuele klagers, niet door de rechter-commissaris gehoord. Nu gezien het voorgaande het horen van [naam21] wel noodzakelijk is, constateert het hof dat het eerder bevolen onderzoek onvolledig is geweest. De heer [naam21] dient alsnog door de rechter-commissaris te worden gehoord, waarbij hem in ieder geval moet worden gevraagd wat de redenen waren voor het verlaten van de woning en onder welke omstandigheden dat heeft plaatsgevonden. Verder acht het hof het noodzakelijk dat [naam21] wordt gevraagd alle aan de (bevings)schade gerelateerde documenten aan de rechter-commissaris over te leggen ter voeging daarvan in het dossier. Ook moet van beklaagde de uitlevering worden gevorderd van alle eventuele aanvullende stukken waarover zij beschikt die, in ruimste zin, verband houden met de casus van [naam21] .

45. Zowel het openbaar ministerie als beklaagde hebben nog andere (dan op de bewijsbaarheid van het bestanddeel 'te duchten levensgevaar' betrekking hebbende) argumenten tegen (verdere) vervolging naar voren gebracht. Het hof zal die argumenten hieronder bespreken.

46. De advocaat-generaal heeft gesteld dat bij beklaagde geen opzet heeft bestaan op het vernielen of beschadigen van bouwwerken, nu de ontstane schades in concrete gevallen in een te ver verwijderd verband staan tot de gaswinning. Het hof constateert dat het dossier aanwijzingen bevat dat (een deel van) de schade aan het pand van [naam21] is opgetreden in de periode dat wetenschappelijke consensus bestond over het bevingsrisico dat de winning van aardgas met zich bracht. Zoals het hof reeds in de beschikking van 20 april 2017 heeft overwogen, was een en ander ook bij beklaagde gevoeglijk bekend, maar heeft zij haar activiteiten desondanks voortgezet, wat tot het voorzienbare gevolg leidde dat de daardoor veroorzaakte bevingen schade aan gebouwen en infrastructuur veroorzaakten. Op basis van deze feiten en omstandigheden zou de strafrechter, wanneer die op enig moment met de behandeling van de zaak wordt belast, tot het oordeel kunnen komen dat beklaagde willens en wetens de aanmerkelijke kans op het beschadigen en/of vernielen van bouwwerken heeft aanvaard door de gaswinning te continueren. Het hof volgt dan ook niet het betoog van de advocaat-generaal dat beklaagde geen (voorwaardelijk) opzet kan hebben gehad op het beschadigen of vernielen van het pand van [naam21] .

46. Beklaagde en de hoofdofficier van justitie hebben betoogd dat het niet zo kan zijn dat een legale activiteit, te weten het vergund winnen van aardgas, waartoe beklaagde bovendien uit hoofde van haar concessie jegens de overheid was verplicht, kan leiden tot een strafrechtelijke aansprakelijkheidstelling door diezelfde overheid. Dit bezwaar treft geen doel. De omstandigheid dat beklaagde over een vergunning voor het winnen van aardgas beschikte, laat onverlet dat het beschadigen van bouwwerken wederrechtelijk is (vgl. de beschikking van 20 april 2017, r.o. 9). Niet gebleken is dat beklaagde onder druk van de overheid niet anders kon dan de aardgaswinning te continueren, waarbij het hof in aanmerking neemt dat evenmin is gebleken dat beklaagde zich ter voorkoming van schade of letsel heeft ingezet om de winning te beëindigen of te verminderen.

48. Het hof volgt niet het standpunt van beklaagde dat de recente politieke besluitvorming ten aanzien van het beëindigen van de gaswinning in Groningen maken dat verdere vervolging niet langer opportuun moet worden geacht. Ten aanzien van beklaagde is de verdenking gerezen dat zij een ernstig strafbaar feit heeft begaan. Deze verdenking rechtvaardigt in beginsel dat beklaagde zich daarvoor tegenover de strafrechter verantwoordt. De omstandigheid dat inmiddels, ná de periode waarop de verdenking ziet, tot gewijzigde politieke inzichten is gekomen ten aanzien van de gaswinning, laat dit onverlet, nog daargelaten dat het volledig afbouwen van de gaswinning slechts een voornemen is dat tot nu toe niet is gerealiseerd.

49. Ook al hetgeen beklaagde en het openbaar ministerie verder nog naar voren hebben gebracht, leidt niet tot het oordeel dat de vervolging moet worden beëindigd.

50. Indien de hoofdofficier van justitie zich nadat de hiervoor vermelde aanvullende onderzoeken zijn verricht op het standpunt stelt dat de vervolging van beklaagde moet worden gestaakt, kan hij te zijner tijd een nieuw daartoe strekkend bewilligingsverzoek indienen.

Beslissing

Het gerechtshof:

wijst toe het verzoek van de hoofdofficier van justitie d.d. 22 maart 2021 om bewilliging als bedoeld in artikel 240, eerste lid, Sv voor zover dit betrekking heeft op de vervolging van beklaagde ten aanzien van de klagers [naam1] , [naam2] , [naam3] ,

[naam4] , [naam5] , [naam6] , [naam7] , [naam8] , [naam9] , [naam10] , [naam11] , [naam12] en [naam13] alsmede het lid van de Groninger Bodem Beweging [naam20]

verklaart de hoofdofficier van justitie niet-ontvankelijk in dit verzoek voor zover dit betrekking heeft op de vervolging van beklaagde ten aanzien van [naam15] , [naam16] , [naam17] , [naam18] en [naam19] ;

wijst het verzoek af voor zover dit betrekking heeft op de vervolging van beklaagde ten aanzien van het lid van de Groninger Bodem Beweging [naam21] ;

draagt de officier van justitie op om in het kader van het lopende onderzoek het hiervoor onder r.o. 44 beschreven nadere onderzoek ten aanzien van het lid van de Groninger Bodem Beweging [naam21] te doen verrichten.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.J. Beswerda, W.M. van Schuijlenburg en P.W.J. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga als griffier. Mr. Sekeris is verhinderd deze beschikking mede te ondertekenen.

1 HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.

2 HR 17 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0594.

3 Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, artikel 157 Sr, aant. 2.

4 Vgl. Hof Den Bosch 27 augustus 2003, NJ 2004, 30, ECLI:NL:GHSHE:2003:AI1508.