Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:3239

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2022
Datum publicatie
02-05-2022
Zaaknummer
200.275.559
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Vordering vanwege advisering door Spaar Select en wetenschap advisering bij Dexia. Geen vordering vanwege buitengerechtelijke incassokosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.275.559

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn: 6952414)

arrest van 26 april 2022

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

bij de rechtbank: gedaagde partij in conventie, eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

bij de rechtbank: eiser conventie, verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 6 februari 2019 dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 26 maart 2019,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- een akte van Dexia,

- een akte van [geïntimeerde] ,

- een antwoordakte van Dexia,

- een antwoordakte van [geïntimeerde] .

3 De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het (bestreden) vonnis van rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 6 februari 2019. Daaraan voegt het hof het volgende toe.

3.2.

Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds zijn de onderstaande effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen (hierna: de overeenkomsten).

Nr.

Contractnr.

Naam overeenkomst

Datum overeenkomst

Betaalde maand-

termijnen/ inleg

Datum eind-

afrekening

Resultaat bij beëindiging overeenkomst

I

[nummer1]

Overwaarde Effect

13-10-2000

€ 10.915,80

20-10-2005

- € 5.056,70

II

[nummer2]

Overwaarde Effect

13-10-2000

€ 5.396,40

20-10-2005

- € 2.499,94

III

[nummer3]

Overwaarde Effect

13-10-2000

€ 5.396,40

20-10-2005

- € 2.499,94

3.3.

Bij de totstandkoming van de overeenkomsten was Spaar Select als tussenpersoon betrokken.

3.4.

[geïntimeerde] heeft gedurende de looptijd van de overeenkomsten in totaal € 4.069,14 aan dividend ontvangen. Het door [geïntimeerde] genoten fiscaal voordeel bedroeg in totaal € 1.588,49. [geïntimeerde] heeft bij beëindiging van de overeenkomsten de restschuld niet aan Dexia betaald.

4 Het geschil en de beslissing bij de rechtbank

4.1.

[geïntimeerde] heeft in conventie een verklaring voor recht gevorderd dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem en/of toerekenbaar is tekortgeschoten en veroordeling van Dexia tot terugbetaling van al hetgeen [geïntimeerde] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast heeft [geïntimeerde] een verklaring voor recht gevorderd dat hij de restschuld niet aan Dexia verschuldigd is. Voorts heeft [geïntimeerde] een verklaring voor recht gevorderd dat Dexia aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden hypotheekschade op te maken bij staat en te vermeerderen met wettelijke rente, alsook vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

4.2.

Dexia heeft de vorderingen van [geïntimeerde] bestreden en in reconventie –samengevat – (voorwaardelijk) gevorderd afgifte van een kopie van het dossier van Leaseproces omtrent [geïntimeerde] , althans van het (de) intakeformulier(en), op straffe van een dwangsom, en voorts (onvoorwaardelijk) een verklaring voor recht dat de overeenkomsten rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet bloot staan aan vernietiging. Daarnaast vordert Dexia [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan Dexia van een bedrag van € 2.907,38, te vermeerderen met wettelijke rente alsook voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] niet heeft blootgestaan aan het risico van een onaanvaardbaar zware financiële last en dat Dexia aan [geïntimeerde] niets meer verschuldigd is, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.3.

De kantonrechter heeft in conventie voor recht verklaard dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door [geïntimeerde] als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat Spaar Select hem niet alleen heeft aangebracht, maar ook persoonlijk heeft geadviseerd en daarvoor geen vergunning bezat. Daarnaast heeft zij voor recht verklaard dat [geïntimeerde] de door Dexia gevorderde restschulden niet meer verschuldigd is. De kantonrechter heeft Dexia voorts veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen de door hem geleden schade, bestaande uit de door [geïntimeerde] betaalde inleg (termijnbetalingen, eventuele aflossingen minus dividenduitkeringen en het fiscale voordeel ad € 1.588,49), vermeerderd met wettelijke rente. Voorts heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. In reconventie heeft de kantonrechter alle vorderingen van Dexia afgewezen. Dexia is veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

omvang hoger beroep

5.1.

Dexia heeft tegen het vonnis van de kantonrechter zeven grieven aangevoerd. De volgende geschilpunten liggen in hoger beroep nog voor:

- de verjaring (grief I);

- de advisering door Spaar Select als cliëntenremisier (grieven II – IV);

- het handelen van Spaar Select als orderremisier (grief V);

- de buitengerechtelijke incassokosten (grief VI);

- de proceskostenveroordeling (grief VII).

verjaring

5.2.

Dexia heeft aangevoerd dat de vorderingen van [geïntimeerde] zijn verjaard. Dit betoog gaat niet op. Tussen partijen staat als niet dan wel onvoldoende weersproken vast dat Leaseproces namens [geïntimeerde] Dexia aansprakelijk heeft gesteld bij brief van 30 november 2005, niet is gebleken dat [geïntimeerde] meer dan vijf jaar voor die datum bekend was met de schade en aansprakelijke persoon. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat de restschulden zich pas in 2005 manifesteerden en niet aanstonds duidelijk was dat de handelwijze van Dexia bij de totstandkoming van de overeenkomsten mede debet was aan het ontstaan van de schade. De verjaring van de vordering is vervolgens gestuit door de “opt-out” verklaring in 2007 en de brieven van 9 oktober 2009, 24 januari 2012 en 17 oktober 2016. De brieven die [geïntimeerde] heeft gestuurd, zijn gelijk aan de brieven die in andere procedures door Leaseproces aan Dexia werden verzonden. In die procedures heeft het hof de inhoud van de brieven voldoende specifiek geacht en heeft het hof het beroep op verjaring verworpen.1 Dexia heeft in deze zaak geen standpunten ingenomen die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Voor zover Dexia ook bedoelt te stellen dat het beroep op schending van artikel 41 Nadere Regeling 1999 (hierna: NR 1999) is verjaard, faalt dat omdat dat beroep kan worden behandeld in het kader van de bij het beroep op eigen schuld in acht te nemen billijkheidsafweging.2 Grief I van Dexia faalt.

beroep op billijkheidscorrectie - advisering
5.3. In de rechtspraak van de Hoge Raad is geoordeeld dat er reden is voor afwijking van het aanbod van Dexia tot afwikkeling van de door haar aan een afnemer toegebrachte schade conform het hofmodel in de situatie dat een cliëntenremisier zonder vergunning een (beleggings)advies aan de afnemer heeft verstrekt en Dexia hiervan wist dan wel behoorde te weten.3 Deze afwijking vindt haar grondslag in een beroep op de billijkheidscorrectie van artikel 6:101, lid 1, slotzin, BW wegens schending van artikel 41 NR 1999. Volgens Dexia heeft de kantonrechter ten onrechte het beroep van [geïntimeerde] op de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW aanvaard.

5.4.

Uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van verboden advisering is dat de tussenpersoon een cliëntenremisier was en niet beschikte over een vergunning om (beleggings)adviezen te mogen geven. Niet betwist is dat Spaar Select optrad als cliëntenremisier voor Dexia en als zodanig was geregistreerd in het STE-register. Tussen partijen staat ook vast dat Spaar Select niet over de nodige vergunning beschikte om tevens als adviseur op te treden. Als maatstaf geldt voorts dat sprake moet zijn van een op de specifieke situatie van de particuliere belegger toegesneden advies. Dit moet worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Dit moet worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Uit de arresten van dit hof van 3 november 2020 en daarna blijkt op welke wijze het hof invulling heeft gegeven aan dit toetsingskader.4

5.5.

[geïntimeerde] heeft met betrekking tot de advisering aan hem door Spaar Select onder meer het volgende aangevoerd:

- [geïntimeerde] is destijds ongevraagd benaderd door een adviseur van Spaar Select, de heer [de medewerker van Spaar Select] (hierna: [de medewerker van Spaar Select] ) die voor de deur aanbood om een financieel adviesgesprek te voeren. [geïntimeerde] heeft hiermee ingestemd.

- [de medewerker van Spaar Select] informeerde naar de wensen en de financiële situatie van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] gaf aan vermogen op te willen bouwen, voor zijn pensioen. [de medewerker van Spaar Select] adviseerde [geïntimeerde] om Overwaarde Effect producten van Dexia af te sluiten. Hij adviseerde [geïntimeerde] om in totaal drie Overwaarde Effect producten af te sluiten voor een betere spreiding. [de medewerker van Spaar Select] raadde daarbij aan om de overwaarde van de woning van [geïntimeerde] op te nemen middels een nieuwe hypothecaire lening. Deze lening werd vervolgens gebruikt om de vooruitbetalingen van de Overwaarde Effect producten te financieren. Met de Overwaarde Effect producten zou [geïntimeerde] aanzienlijk vermogen opbouwen. Volgens [de medewerker van Spaar Select] was dit mogelijk zonder extra maandlasten. [de medewerker van Spaar Select] toonde voornoemd resultaat aan met rekenvoorbeelden. [geïntimeerde] was geïnteresseerd en heeft een afspraak gemaakt voor een tweede huisbezoek.

- [de medewerker van Spaar Select] heeft naar aanleiding van het eerste gesprek met [geïntimeerde] een persoonlijk financieel plan opgesteld. Dit persoonlijke financieel plan heeft hij bij het tweede huisbezoek nader toegelicht. [de medewerker van Spaar Select] adviseerde een nieuwe hypotheek af te sluiten van NLG 55.000,-. Hij stelde daarbij zelf het bedrag van NLG 55.000,- voor. Van dit bedrag kon vervolgens NLG 48.000,- worden gebruikt voor de vooruitbetaling van de Overwaarde Effect producten. Het overige deel kon worden aangewend voor de hypotheekkosten en als buffer. Na vijf jaar zou dit ‘spaarplan’ een kapitaal van NLG 83.000,- opleveren. Hiervan kon de oude hypotheek worden afgelost, waarna [geïntimeerde] een bedrag van NLG 28.000,- zou overhouden.

- Vervolgens is [de medewerker van Spaar Select] voor een derde keer bij [geïntimeerde] op huisbezoek geweest. De Overwaarde Effect overeenkomsten zijn toen ondertekend.

- [geïntimeerde] besloot het advies van [de medewerker van Spaar Select] op te volgen. [de medewerker van Spaar Select] heeft de hypotheek bij de Postbank geregeld

5.6.

[geïntimeerde] heeft zijn stellingen onderbouwd met een document getiteld ‘Persoonlijk Financieel Plan’ dat is voorzien van het logo van Spaar Select en de naam van [de medewerker van Spaar Select] . Onder het kopje ‘Spaar Select Advies’ is de wens van [geïntimeerde] opgenomen om in een korte periode van vijf jaar een aanzienlijk vermogen op te bouwen. Dit is volgens Spaar Select mogelijk doormiddel van een Overwaarde Effect product. Onder het kopje ‘Conclusie’ is onder andere opgenomen: ‘Door gebruik te maken van de overwaarde op uw woning, spaart u op korte termijn, middels een Overwaarde Effect, een bedrag van zo’n f 28.000,- bij elkaar. (…) Voor het opstarten van een Overwaarde Effect is een inleg van f 48.000,- nodig. Dit financieren we middels een extra hypotheek van f 55.000,-. Het verschil van f 7.000,- is voor de kosten van de hypotheek (Notaris en taxatie) en een startkapitaal. U spaart dus in vijf jaar tijd f 28.000,- bij elkaar en het kost u niets!’ Vervolgens worden de bedragen op de laatste pagina van het Persoonlijk Financieel Plan doorgerekend. Op de drie ‘Aanvraagformulieren Aandelenlease’ staat bovenaan het stempel van Spaar Select en staat het product ‘Overwaarde Effect zonder herbelegging’ aangekruist. Op het eerste aanvraagformulier staat daarachter bij ‘vooruitbetaling voor 5 jaar’ handgeschreven ‘f 24.000,-’ en op het tweede en derde aanvraagformulier ‘f 12.000,-’ (totaal: NLG 48.000,-). Uit de notariële afrekening van 31 oktober 2000 volgt dat een hypotheek bij de Postbank is afgesloten voor NLG 55.000,-. Van dit bedrag is NLG 47.859,46 overgeboekt op de rekening van Bank Labouchere. Uit de financiële afrekening van Dexia volgt dat [geïntimeerde] op 2 november 2000,- in totaal € 21.708,60 (NLG 47.839,46,-) heeft ingelegd in de effectenleaseovereenkomsten Overwaarde Effect, hetgeen nagenoeg overeenkomt met de door [geïntimeerde] gestelde aanbetaling van NLG 48.000,-.

5.7.

Dexia betwist de door [geïntimeerde] gestelde feiten en betwist dat een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en Spaar Select. Dexia weerspreekt in hoger beroep voorts de door [geïntimeerde] uit voormelde gang van zaken getrokken conclusie, namelijk dat Spaar Select verstrekkender heeft geadviseerd dan haar op grond van haar vrijstelling was toegestaan. Naar het oordeel van het hof had het gegeven de gedetailleerde onderbouwing van de stellingen door [geïntimeerde] , op de weg van Dexia gelegen om deze stellingen te betwisten met op de situatie van [geïntimeerde] toegespitste feiten en omstandigheden. Dexia heeft dat naar het oordeel van het hof onvoldoende gedaan. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom uit de tekst van het door [geïntimeerde] overgelegde stuk, getiteld ‘Persoonlijk Financieel Plan’ niet blijkt dat een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en een verkoper van Spaar Select. Het hof wijst daarbij op de gedetailleerde informatie over de situatie en wensen van [geïntimeerde] onder het kopje ‘Spaar Select Advies’ gecombineerd met het (tamelijk formele) taalgebruik. Het hof zal daarom – als niet dan wel onvoldoende bestreden –uitgaan van de juistheid van hetgeen door [geïntimeerde] is gesteld (artikel 149 Rv). Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] met het door hem gestelde voldoende onderbouwd dat de medewerker van Spaar Select met hem heeft gesproken over zijn persoonlijke financiële situatie en in dat verband heeft geadviseerd de Overwaarde Effect producten van Dexia aan te schaffen. Daaruit leidt het hof af dat de medewerker van Spaar Select in het gesprek met [geïntimeerde] verder is gegaan dan het slechts algemeen informeren van [geïntimeerde] over de kenmerken van het product in kwestie en dat [geïntimeerde] ertoe is bewogen de overwaarde in zijn huis te benutten om de Overwaarde Effect producten aan te schaffen. Daarbij betreft met name het aanwenden van de overwaarde in zijn woning bij uitstek de persoonlijke financiële situatie van [geïntimeerde] . Dat medewerkers van Dexia en andere tussenpersonen hebben verklaard dat zij geen (beleggings)advies gaven, doet er niet aan af dat in de onderhavige situatie dit wel kan worden vastgesteld. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting komt het hof niet toe aan het (tegen)bewijsaanbod van Dexia.

5.8.

Voor het beroep op de billijkheidscorrectie is naast het vereiste van advisering door de tussenpersoon ook vereist dat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon in kwestie – Spaar Select – [geïntimeerde] zodanig heeft geadviseerd dat zij buiten de grens van haar vrijstelling is getreden.

5.9.

Dit hof heeft in zijn arresten van 3 november 2020 en daarna waarin verboden advisering is aangenomen op basis van de discussie tussen partijen in die zaken en de daarbij overgelegde documenten omtrent de vereiste wetenschap bij Dexia geoordeeld dat zij wist dan wel behoorde te weten dat de tussenpersonen in die zaken, waaronder met name ook Spaar Select, de afnemers regelmatig niet slechts algemeen over deze producten informeerden, maar de producten ook onderdeel lieten zijn van een specifiek op de persoon toegesneden advies en dat het daarom op de weg van Dexia als vergunninghoudende financiële instelling lag om te verifiëren of de bij haar aangebrachte cliënt in die zin was geadviseerd. Nu zij dat naliet en het risico van verboden advisering zich verwezenlijkte, oordeelde het hof dat Dexia wetenschap had van de advisering of dat behoorde te weten. Het hof verwijst naar deze zaken die bij Dexia en – via Leaseproces – bij de afnemers bekend zijn.5

5.10.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] in de onderhavige zaak (op basis van dezelfde stukken als in de zaken van 3 november 2020 en daarna naar voren zijn gebracht) voldoende aangetoond dat Dexia in algemene zin wist, althans behoorde te weten dat Spaar Select haar klanten regelmatig adviseerde en dat Dexia kan worden verweten dat zij onder de gegeven omstandigheden heeft nagelaten om te controleren of sprake was van verboden advisering bij [geïntimeerde] . Weliswaar heeft [geïntimeerde] zich niet beroepen op het jaarverslag over het jaar 2001 van Labouchere, maar op basis van de andere overgelegde producties, komt het hof ook tot het oordeel dat Dexia wist althans behoorde te weten van de advisering door Spaar Select. Nu Dexia de aan de overgelegde stukken ontleende citaten en de conclusies die [geïntimeerde] hieraan verbindt onvoldoende gemotiveerd en concreet heeft tegengesproken, moet er in rechte van worden uitgegaan dat Dexia wetenschap had behoren te hebben van de advisering door Spaar Select.

5.11.

De conclusie luidt dat het beroep van [geïntimeerde] op de billijkheidscorrectie slaagt. Het gevolg hiervan is dat de schade van [geïntimeerde] volledig door Dexia moet worden vergoed. De grieven II t/m IV van Dexia falen.

omvang schade

5.12.

Uit het voorgaande volgt dat de schade van [geïntimeerde] , bestaande uit de door hem betaalde inleg (rente, aflossing en kosten), volledig door Dexia moet worden vergoed. Tussen partijen is geen geschil over de omvang van de schade en Dexia heeft geen grief gericht tegen de wijze waarop de kantonrechter de schade van [geïntimeerde] , met inbegrip van de door hem genoten voordelen, in het vonnis heeft toegekend.

buitengerechtelijke kosten

5.13.

Dexia heeft een grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij buitengerechtelijke kosten verschuldigd is (grief VI). [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en heeft – samengevat – gesteld dat de door Leaseproces verrichte werkzaamheden wel in aanmerking komen voor vergoeding als buitengerechtelijke kosten. Het hof heeft meermaals geoordeeld dat de werkzaamheden, zoals deze door [geïntimeerde] zijn genoemd, niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen en verwijst naar die uitspraken en daaraan ten grondslag liggende jurisprudentie.6 [geïntimeerde] heeft in deze zaak geen standpunten ingenomen die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Grief VI slaagt.

6 De slotsom

6.1.

De conclusie is dat grief VI slaagt en de overige grieven van Dexia falen (deels bij gebrek aan belang). Het bestreden vonnis zal, behoudens voor zover daarin onder 7.4 Dexia is veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten, worden bekrachtigd. Het hof zal het vonnis op dit punt vernietigen en opnieuw rechtdoende deze vordering alsnog afwijzen.

6.2.

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof Dexia in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Grief VII van Dexia faalt ook. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 324,-

- salaris advocaat € 2.884,- (2 punten x appeltarief III)

6.3.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 6 februari 2019, behoudens voor zover daarin onder 7.4 Dexia is veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten, vernietigt dit vonnis en zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

wijst de vordering van [geïntimeerde] tot betaling door Dexia van € 462,50 wegens buitengerechtelijke kosten af;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van het bedrag van € 462,50 aan Dexia, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling door Dexia aan [geïntimeerde] tot aan de dag van terugbetaling door [geïntimeerde] aan Dexia;

veroordeelt Dexia in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde [geïntimeerde] vastgesteld op € 324,- voor griffierecht en op € 2.884,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Dexia in de nakosten, begroot op € 163,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- en de explootkosten van betekening van de uitspraak in geval Dexia niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, B.J. Engberts en W.C. Haasnoot en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 april 2022.

1 Zie onder meer Hof Arnhem-Leeuwarden 10 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10565 en 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8989.

2 Zie HR 5 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.

3 HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en ECLI:NL:HR:2016:2015 en HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.

4 Zie o.m. Hof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8992, ECLI:NL:GHARL:2020:8984 en ECLI:NL:GHARL:2020:8990.

5 Zie o.m. Hof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8984.

6 HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.