Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:3026

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-04-2022
Datum publicatie
21-04-2022
Zaaknummer
200.285.947
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop van een paard. Weens Koopverdrag, geen consumentenkoop, geen non-conformiteit, geen wanprestatie, dwaling of ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2022, afl. 3, p. 111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.285.947/01

(zaaknummers rechtbank Gelderland, zittingsplaatsen Nijmegen en Arnhem, 7782105 \ CV EXPL 19-2300 en C/05/362230 / HA ZA 19-175)

arrest van 19 april 2022

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats1] , Verenigde Staten van Amerika,

appellant,

hierna aan te duiden als: [appellant],

advocaat: mr. S.A. Wensing,

tegen:

[geïntimeerde] ,

handelende onder de naam [naam1],

wonende te [woonplaats2] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als: [geïntimeerde],

advocaat: mr. B.E.J. Loeffen.

1 Kern van de zaak en de beslissing

1.1.

Deze zaak gaat over de vraag of het paard [het paard] (hierna: [het paard] of het paard) ten tijde van de levering door de verkoper, [geïntimeerde] , aan de koper, [appellant] , al dan niet geschikt was voor gebruik in de hoge dressuursport en aan de koopovereenkomst beantwoordde. Die vraag moet het hof beoordelen naar Nederlands recht, met inbegrip van het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken (Weens Koopverdrag). Van een consumentenkoop waarvoor het Weens Koopverdrag een uitzondering maakt en in dat geval toepassing mist, is naar het oordeel van het hof geen sprake. Dit brengt met zich dat [appellant] zich niet kan beroepen op het ten gunste van consumentkopers in artikel 7:18 lid 2 BW neergelegde bewijsvermoeden. [appellant] dient te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat het paard ten tijde van de levering niet aan de overeenkomst beantwoordde. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd gesteld om hiertoe te kunnen concluderen. Ook het beroep van [appellant] op wanprestatie, dwaling en ongerechtvaardigde verrijking faalt. Het hof komt dan ook net als de rechtbank tot het oordeel dat de vorderingen van [appellant] afgewezen moeten worden.

1.2.

Hierna legt het hof uit hoe het tot zijn beslissing komt.

2 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

2.1.

Het hof verwijst naar de inhoud van het tussenarrest van 30 november 2021, waarbij

een digitale mondelinge behandeling is bepaald.

2.2.

Het verdere verloop blijkt uit het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 14 maart 2022, met de daaraan gehechte spreekaantekeningen van de advocaten van beide partijen.

2.3.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Medio september 2018 is [appellant] naar Nederland afgereisd om meerdere

paarden te bekijken en mogelijk een of meerdere paarden te kopen.

3.2.

Op 21 en 23 september 2018 heeft [appellant] samen met een tussenpersoon het aan [geïntimeerde] in eigendom toebehorende paard [het paard] bezichtigd. [appellant] heeft het paard beide keren bereden. Enige weken later hebben partijen overeenstemming bereikt over een koopprijs voor het paard van € 350.000,00.

3.3.

Op 8 november 2018 heeft de heer [naam2] (hierna: [naam2] ), dierenarts in [plaats1] , het paard gekeurd. In het keuringsrapport staat vermeld dat het paard “Clinical and radiological acceptable” is.

3.4.

Voor de afwikkeling van de koop heeft [appellant] vervolgens mevrouw [naam3] (hierna: [naam3] ) naar voren geschoven. Op haar verzoek heeft [geïntimeerde] de factuur voor de koop van het paard op naam van het bedrijf Fatinatio SA de CV (hierna: Fatinatio) in Mexico gesteld. [geïntimeerde] heeft de factuur op of omstreeks 18 november 2018 aan Fatinatio gestuurd.

3.5.

Na betaling van de factuur heeft paardentransportbedrijf Horses2fly (hierna: Horses2fly) het paard op 21 december 2018 opgehaald en op haar bedrijf gestald. Op 5 januari 2019 heeft Horses2fly het paard naar de Verenigde Staten van Amerika vervoerd.

3.6.

Op 28 januari 2019 heeft de heer [naam4] (hierna: [naam4] ), dierenarts bij Palm Beach Equine Clinic in Wellington, Florida, Verenigde Staten van Amerika, schriftelijk verklaard dat hij het paard heeft onderzocht en dat “Lameness exam revealed a horse mildly lame on the left hind limb, poor pushing behind from both hind limbs and excessive downward movement of both hind fetlocks when the horse bears weight.”

3.7.

Op 29 januari 2019 heeft mevrouw [naam5] (hierna: [naam5] ), eveneens

werkzaam als dierenarts bij Palm Beach Equine Clinic in Florida, schriftelijk verklaard dat zij het paard op 23 januari 2019 heeft onderzocht en dat “At baseline, the horse is lame in both hindlimbs and positive to distal limb flexion.”

3.8.

Partijen, althans hun advocaten, hebben vervolgens (per e-mail) gecorrespondeerd

over het paard, maar zij zijn niet tot een oplossing gekomen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank

Gelderland, zittingsplaats Nijmegen. [appellant] heeft gevorderd primair de koopovereenkomst te ontbinden, subsidiair de koopovereenkomst te vernietigen en zowel primair als subsidiair [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 350.000,00 en verdere kosten, op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente. Een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de buitengerechtelijke incassokosten en in de proceskosten.

4.2.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en hij heeft bij incidentele conclusie gevorderd [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de zaak te verwijzen naar de rechtbank.

4.3.

Bij het bestreden vonnis in incident van 27 september 2019 heeft de kantonrechter de zaak verwezen naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem.

4.4.

Bij het bestreden eindvonnis van 13 mei 2020 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

vordering

5.1.

[appellant] heeft bij memorie van grieven, onder aanvoering van zes grieven, gevorderd de bestreden vonnissen te vernietigen en, opnieuw recht doende, zijn vorderingen alsnog toe te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

5.2.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

Nederlandse rechter, Nederlands recht

5.3.

Het hof stelt vast dat [appellant] in de Verenigde Staten van Amerika woont en dat de factuur voor de koop van het paard op naam van een bedrijf in Mexico is gesteld. Het geschil heeft dan ook internationale aspecten, zodat allereerst de vraag beantwoord moet worden of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.

5.4.

Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Op grond van artikel 4 lid 1 van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Vo Brussel I-bis) was de rechtbank bevoegd over het geschil te beslissen. Daarmee is ook de rechtsmacht van het hof - als beroepsinstantie van de rechtbank - gegeven.

5.5.

De rechtbank heeft het geschil, kennelijk in navolging van de wil van partijen, beoordeeld naar Nederlands recht. Daartegen is geen grief gericht. Ook het hof zal daarom

Nederlands recht toepassen.

bestreden vonnissen

5.6.

Grief I is gericht tegen het vonnis in incident van 27 september 2019, waarbij de kantonrechter de zaak heeft verwezen naar de rechtbank.

5.7.

De verwijzing betreft een tussenvonnis, waarvan - in afwijking van het in artikel 71 lid 5 Rv bepaalde - tegelijk met het hoger beroep van het bestreden eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld (artikel 337 lid 2 Rv).

5.8.

De overige grieven van [appellant] zijn gericht tegen het eindvonnis van 13 mei 2020.

5.9.

Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk bespreken.

koper

5.10.

Daarbij zal het hof er veronderstellenderwijs van uitgaan dat [appellant] als koper van het paard aangemerkt moet worden (grief II).

Weens Koopverdrag

5.11.

Het hof stelt voorop dat voor grensoverschrijdende koopovereenkomsten betreffende roerende zaken als de onderhavige, waarop Nederlands recht van toepassing is en beide partijen woonachtig zijn in lidstaten aangesloten bij het Weens Koopverdrag, in beginsel het Weens Koopverdrag geldt. Krachtens het bepaalde in artikel 2 onder a Weens Koopverdrag is dit verdrag niet van toepassing “op de koop van roerende zaken gekocht voor persoonlijk gebruik (…), tenzij de verkoper te eniger tijd vóór of bij het sluiten van de overeenkomst niet wist of had behoren te weten dat de zaken voor zodanig gebruik werden gekocht”.

5.12.

Daarbij moet de koper aantonen dat de koop een consumentenkoop was en de verkoper moet aantonen dat hij niet wist en ook niet behoefde te weten dat de koper in zijn hoedanigheid van consument contracteerde.

geen consumentenkoop

5.13.

[appellant] voert in dat verband het volgende aan. Hij is universitair student en amateur ruiter. Het doel van de koop was om met [het paard] deel te nemen aan dressuurwedstrijden. [appellant] heeft geld moeten lenen om het paard te kunnen kopen. Hij wijst op een schriftelijke verklaring van de accountant van zijn familie, die - aldus [appellant] - verklaart dat [appellant] niet beroeps- en/of bedrijfsmatig handelt, dat hij geen vermogen heeft en dat zijn ouders in zijn levensonderhoud voorzien.

5.14.

Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat [appellant] op hoog niveau actief is in de internationale dressuursport, dat hij daartoe beschikt over meerdere paarden en dat hij ook [het paard] heeft gekocht om in te zetten in de hoge dressuursport. Niet in geschil is dat de paarden die op dat niveau worden ingezet een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen - in dit geval bedraagt de koopsom € 350.000,00 - en dat de kosten gemoeid met de hoge dressuursport aanzienlijk zijn. Met de rechtbank komt het hof tot de conclusie dat deelname aan internationale wedstrijden op hoog niveau daarom doorgaans niet binnen het (financiële) bereik van een particulier ligt en dat het doorgaans bedrijfsmatig handelende partijen zijn die zich daarmee bezig houden. Weliswaar heeft [appellant] aangevoerd dat consumenten arm en rijk kunnen zijn en kleine en grote uitgaven kunnen doen, maar dit betoog doet

- hoewel op zichzelf genomen juist - niet af aan voormelde conclusie van het hof. Het laat immers onverlet dat de hoge dressuursport aanzienlijke kosten met zich brengt. Niet in geschil is verder dat van de zijde van [appellant] voor de afwikkeling van de koop [naam3] , die werkzaam is voor de familie van [appellant] , naar voren werd geschoven en dat op haar verzoek de factuur voor de koop van het paard op naam van het bedrijf Fatinatio is gesteld. Ook dit duidt naar het oordeel van het hof op een beroeps- of bedrijfsmatige koop. Dat van de zijde van [appellant] vervolgens is gevraagd of de factuur zo nodig ook op een andere naam gezet zou kunnen worden, maakt dit niet anders.

5.15.

Ook als het hof uitgaat van de juistheid van de stellingen van [appellant] dat hij student is en geld heeft moeten lenen om het paard te kopen, is dit onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een consumentenkoop. Dat [appellant] student is, sluit niet uit dat hij daarnaast beroeps- of bedrijfsmatig actief is in de hoge dressuursport. Dat [appellant] geld heeft moeten lenen om het paard te kopen, duidt veeleer op een beroeps- of bedrijfsmatige koop. Het ligt immers niet voor de hand dat een consument een lening afsluit, laat staan voor een bedrag van € 350.000,00, om zijn hobby te kunnen beoefenen. De verklaring van de accountant overtuigt het hof niet. Anders dan [appellant] stelt, verklaart de accountant slechts dat [appellant] “doesn’t have any income derived from any activity related to professional horse riding since he does not exercise the hypism in a lucrative way”. Ook verklaart de accountant dat “the living, health, education an horse riding expenses are totally covered by his parents.” Dat [appellant] geen inkomen genereert uit zijn activiteiten in de paardensport, sluit niet uit dat het om beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten kan gaan. Dat de ouders van [appellant] zijn activiteiten in de dressuursport financieel ondersteunen, is moeilijk te rijmen met de stelling van [appellant] dat hij geld heeft moeten lenen om het paard te kopen en met de tenaamstelling van de factuur voor de koop van het paard. Maar zelfs als het hof uitgaat van de juistheid van deze stelling, is deze, alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van een consumentenkoop. Deze financiële ondersteuning staat immers niet in de weg aan een beroeps- of bedrijfsmatige beoefening van de hoge dressuursport door [appellant] .

5.16.

Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat [appellant] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld om te kunnen concluderen dat hij de hoge dressuursport slechts hobbymatig beoefent en dat sprake is van een consumentenkoop. [appellant] is naar het oordeel van het hof niet als consument te beschouwen in de zin van een veelal zwakkere contractspartij die bescherming verdient ten opzichte van een professionele verkoper.

5.17.

Dit betekent dat het Weens Koopverdrag van toepassing is op de koopovereenkomst

Dit betekent ook dat de kantonrechter de zaak terecht heeft verwezen naar de rechtbank.

geen wetenschap [geïntimeerde] - geen beroep op artikel 7:18 lid 2 BW

5.18.

Zelfs als het hof veronderstellenderwijs ervan uit zou gaan dat wel sprake zou zijn geweest van koop van het paard door [appellant] voor persoonlijk - hobbymatig - gebruik en dus van een consumentenkoop waarop het Weens Koopverdrag in beginsel niet van toepassing is, is het hof van oordeel dat de overeenkomst alsnog binnen de reikwijdte van het Weens Koopverdrag zou vallen. De rechtbank heeft in het bestreden eindvonnis overwogen dat [geïntimeerde] onbestreden heeft gesteld dat hij ermee bekend was dat [appellant] op hoog niveau deelneemt aan internationale wedstrijden. [appellant] heeft daartegen geen grief aangevoerd. Deze wetenschap bezien tegen de achtergrond dat deelname aan internationale wedstrijden op hoog niveau doorgaans niet binnen het (financiële) bereik van een particulier ligt en dat het doorgaans bedrijfsmatig handelende partijen zijn die zich daarmee bezig houden, is naar het oordeel van het hof reeds voldoende om te concluderen dat [geïntimeerde] niet voor of bij het sluiten van de koopovereenkomst wist of had behoren te weten dat het paard door [appellant] voor persoonlijk gebruik werd gekocht. Dat brengt mee dat zelfs als sprake zou zijn van een consumentenkoop [appellant] zich niet kan beroepen op van het interne Nederlandse recht deel uitmakende regelingen van consumentenbescherming, zoals het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW.

stelplicht en bewijslast non-conformiteit

5.19.

Op grond van het bepaalde in artikel 35 lid 2, aanhef en onder b Weens Koopverdrag en artikel 36 lid 1 Weens Koopverdrag is het aan [appellant] om te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat het paard op het tijdstip waarop het risico op hem is overgegaan niet geschikt was voor het doel dat aan [geïntimeerde] ter kennis is gebracht. [appellant] dient, kort gezegd, te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat het paard ten tijde van de levering niet geschikt was voor gebruik in de hoge dressuursport en niet aan de overeenkomst beantwoordde.

geen non-conformiteit

5.20.

[appellant] beroept zich op de verklaringen van de dierenartsen uit Florida.

5.21.

[naam4] verklaart dat “physical exam revealed a horse with a hind end straight hocks low fetlock conformation”, dat “Lameness exam revealed a horse mildly lame on the left hind limb, poor pushing behind from both hind limbs and excessive downward movement of both hind fetlocks when the horse bears weight” en dat naar zijn mening de bouw van de achterhand van het paard “increases the chances of lameness presentation associated with hind fetlocks, surrounding and adjacent ligaments.” [naam5] verklaart dat het paard een bouw heeft die afwijkt van het ideaal, dat een afwijking niet per se problematisch hoeft te zijn, tenzij de afwijking “causes undo stress on the surrounding structures.” Zij verklaart verder dat het paard een ““straight hock, long pastern” conformation in the hindlimbs” heeft, dat “There is a significant correlation between a straight hock conformation and proximal suspensory disease. As well, horses with long pasterns have increased hyperflexion of the fetlock joint and surrounding structures which can result in an increased probability of lameness associated issues.” en dat het paard “At baseline (…) is lame in both hindlimbs and positive to distal limb flexion.”

5.22.

Uit deze verklaringen maakt het hof op dat het paard ten tijde van de onderzoeken door deze dierenartsen in januari 2019 (licht) kreupel is aan een of beide achterbenen, dat het paard volgens deze dierenartsen niet over een ideaal gebouwde achterhand beschikt en dat dit voor klachten (kreupelheid) kan zorgen. Deze verklaringen zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om daaruit te kunnen concluderen dat het paard ten tijde van de levering niet beantwoordde aan de overeenkomst. Vast staat immers dat beide verklaringen (en de onderzoeken die onderwerp zijn van deze verklaringen) dateren van na de levering van het paard, zodat hieruit niet kan worden afgeleid dat het paard ten tijde van de levering kreupel was. Bovendien verklaren beide dierenartsen slechts dat de afwijkende bouw van het paard klachten kán veroorzaken, zodat hieruit niet kan worden afgeleid dat de bouw van het paard ten tijde van de levering voor (chronische) klachten zorgde en het paard daardoor niet voor de hoge dressuursport geschikt was.

5.23.

[appellant] beroept zich verder op een door hem in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van de heer [naam6] (hierna: [naam6] ), dierenarts in [plaats2] , van 12 februari 2020.

5.24.

[naam6] heeft - zo begrijpt het hof - op 11 februari 2020 de röntgenfoto’s van de aankoopkeuring door [naam2] van 8 november 2018 (hierna: foto’s uit 2018) en de röntgenfoto’s van (een van) de dierenartsen uit Florida van januari 2019 (door [naam6] aangeduid als: My Rad 801, hierna: foto’s uit 2019) met elkaar vergeleken. [naam6] verklaart ten aanzien van de foto’s uit 2018 onder meer: “- kogel LA LM: mogelijks fragment plant kroongewricht (…) - Kogel LM RA: mogelijks calcificatie plant mid level P1, minimale reactie dorsaal kroongewricht (…) - sprong LA AP: oedeem thv proximale pijp --> koppeling met klinisch beeld (…) - kogel LM LA : mogelijks minimaal fragmentje plant thv kroongewricht”. Over de foto’s uit 2019 verklaart hij onder meer: “- schuine kogel links: mogelijks dorsaal fragment kroongewricht - kogel LM rechts: calcificatie buigpees mid-level plantar P1 - kogel LM links: fragment plant kroongewricht”. Verder verklaart [naam6] : “Diagnose: Gezien de beperkte identificatie op de ‘my rad 801’ rontgenset en dus moeilijk vergelijk tussen beide sets. Is het duidelijk te stellen dat op de set van 2019 LA botoedeem thv aanhechting van de tussenpees te zien is en met grote waarschijnlijkheid een calcificatie RA”.

5.25.

Het hof stelt vast dat deze verklaring merendeels ‘mogelijke’ bevindingen betreft, die onvoldoende zijn om daaruit te kunnen concluderen dat het paard ten tijde van de levering niet aan de overeenkomst beantwoordde. De enkele bevindingen zonder voorbehoud (foto’s uit 2018: - Kogel LM RA: (…) minimale reactie dorsaal kroongewricht, - sprong LA AP: oedeem thv proximale pijp, foto’s uit 2019: - kogel LM rechts: calcificatie buigpees mid-level plantar P1 - kogel LM links: fragment plant kroongewricht” en diagnose: “LA botoedeem thv aanhechting van de tussenpees en met grote waarschijnlijkheid een calcificatie RA”) zijn - ook bezien in samenhang met de beide andere verklaringen - eveneens onvoldoende om daaruit te kunnen concluderen dat het paard ten tijde van de levering niet aan de overeenkomst beantwoordde. Niet alleen valt uit deze verklaring niet, althans onvoldoende op te maken of en zo ja, op welke wijze de bevindingen zonder voorbehoud ter zake de foto’s uit 2018 en 2019 zich tot elkaar verhouden, ook valt uit de verklaring niet op te maken dat de bevindingen zonder voorbehoud ter zake de foto’s uit 2018 aan de kogel van het rechter achterbeen (minimale reactie dorsaal kroongewricht) en de sprong van het linker achterbeen van het paard (oedeem) klachten veroorzaken, laat staan chronische kreupelheid, waardoor het paard ten tijde van de levering niet aan de overeenkomst beantwoordde.

5.26.

Daarbij betrekt het hof nog dat tegenover de verklaring van [naam6] het keuringsrapport van [naam2] staat, die ook van de foto’s uit 2018 is uitgegaan en die heeft verklaard dat het paard “Clinical and radiological acceptable” is. Verder weegt het hof mee de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van mevrouw [naam7] (hierna: [naam7] ) van 22 juli 2019, de e-mail van Horses2fly van 29 juli 2019 en het whatsappbericht van [appellant] van 18 januari 2019. [naam7] verklaart dat zij het paard vanaf september 2015 heeft gereden en opgeleid en dat het paard altijd goed heeft gefunctioneerd en dat er op wedstrijden en in de trainingen nooit problemen zijn geweest. Horses2fly meldt dat het paard bij haar nooit kreupel is geweest en [appellant] laat kort na de levering weten dat het paard “is doing really good”.

5.27.

Weliswaar stelt [appellant] dat alleen al een verhoogde kans op klinische problemen (kreupelheid) als gevolg van radiologische veranderingen gekwalificeerd moet worden als een gebrek, waardoor een paard niet aan de overeenkomst beantwoordt, ook als het paard op dat moment niet kreupel is, maar deze stelling is zonder nadere toelichting, die [appellant] niet geeft, te algemeen en leidt het hof alleen al daarom niet tot een ander oordeel.

5.28.

De conclusie is dat [appellant] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld wat er schort aan het paard en in het bijzonder waarom het paard niet geschikt zou zijn voor gebruik in de hoge dressuursport en ten tijde van de levering niet aan de overeenkomst beantwoordde. Het hof dient het er dan ook voor te houden dat van non-conformiteit van het paard geen sprake is.

geen wanprestatie

5.29.

Voor zover [appellant] zich in hoger beroep nog beroept op wanprestatie in de zin van artikel 6:74 BW, overweegt het hof als volgt.

5.30.

Hiervoor heeft het hof reeds overwogen dat het Weens Koopverdrag van toepassing is. Slechts waar het Weens Koopverdrag niet van toepassing is of geen oplossing biedt, kan het interne Nederlandse recht in beeld komen.

5.31.

Het hof begrijpt het beroep van [appellant] op wanprestatie dan ook als een beroep op artikel 25 Weens Koopverdrag.

5.32.

Artikel 25 Weens Koopverdrag bepaalt wanneer sprake is van een wezenlijke tekortkoming. Voor een wezenlijke tekortkoming moet enerzijds aan de niet-tekortkomende partij in aanmerkelijke mate worden onthouden wat zij uit hoofde van de overeenkomst mag verwachten en anderzijds moet de tekortkomende partij wetenschap hebben van die verwachting, welke wetenschap wordt gemeten aan de hand van hetgeen een redelijk handelend persoon van dezelfde hoedanigheid in dezelfde omstandigheden zou hebben voorzien.

5.33.

Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over de non-conformiteit volgt al dat [appellant] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld om te kunnen concluderen dat hem in aanmerkelijke mate wordt onthouden wat hij krachtens overeenkomst mocht verwachten. Reeds daarop stuit het beroep op wanprestatie af.

5.34.

Overigens zou om dezelfde reden het beroep op wanprestatie ook falen als het interne Nederlandse recht van toepassing zou zijn.

dwaling en ongerechtvaardigde verrijking

5.35.

In hoger beroep beroept [appellant] zich ook nog op dwaling en ongerechtvaardigde verrijking.

geen dwaling

5.36.

Het Weens Koopverdrag kent geen regeling voor wilsgebreken. Te gelden heeft echter dat dwaling over de conformiteit van een gekochte zaak aangemerkt moet worden als een door artikel 35 Weens Koopverdrag geregelde non-conformiteitskwestie. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over de non-conformiteit, volgt dat het beroep op dwaling faalt.

5.37.

Dit zou overigens ook het geval zijn als het interne Nederlandse recht (artikel 6:228 BW) van toepassing zou zijn op het beroep op (wederzijdse) dwaling. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ten overvloede heeft overwogen en geoordeeld over de door [appellant] gestelde - en door [geïntimeerde] betwiste - mededeling van [geïntimeerde] , dat het paard geschikt is voor de hoge dressuursport in verband met artikel 6:228 lid 2 BW.

geen ongerechtvaardigde verrijking

5.38.

Bij ongerechtvaardigde verrijking gaat het om een niet-contractuele verhouding, zodat het op dit beroep toepasselijke recht moet worden bepaald aan de hand van de verwijzingsregels in Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Vo Rome II). Krachtens artikel 10 lid 1 van deze verordening moet dit beroep worden beoordeeld naar intern Nederlands recht, omdat dit beroep nauw samenhangt met de koopovereenkomst en die overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht.

5.39.

Artikel 6:212 lid 1 BW bepaalt dat van ongerechtvaardigde verrijking sprake is indien de ene partij ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een andere partij. Voor zover redelijk dient de verrijkte partij de schade van de verarmde partij te betalen.

5.40.

Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over de non-conformiteit, valt naar het oordeel van het hof niet in te zien dat sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking van [geïntimeerde] . Het beroep daarop faalt dan ook.

veeggrief

5.41.

Grief VI is gericht tegen de afwijzing van de vordering van [appellant] en de proceskostenveroordeling. Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft om die reden geen nadere behandeling.

bewijslevering

5.42.

Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. [appellant] heeft onvoldoende gesteld om aan bewijslevering toe te komen en hij heeft in hoger beroep bovendien niets aangevoerd dat tot andere conclusies aanleiding kan geven.

6 De slotsom

slotsom, proces- en nakosten

6.1.

De slotsom is dat het hoger beroep faalt. De bestreden vonnissen dienen te worden bekrachtigd.

6.2.

Overeenkomstig de daartoe strekkende conclusie van [geïntimeerde] zal het hof [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Deze kosten worden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.727,00 aan griffierecht en € 8.128,00 voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (2 punten, tarief VI in hoger beroep à € 4.064,00 per punt). Ook de door [geïntimeerde] gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proces- en nakosten zullen worden toegewezen als hierna in de beslissing vermeld.

7 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis in incident van 27 september 2019, gewezen door de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen;

bekrachtigt het bestreden eindvonnis van 13 mei 2020, gewezen door de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.727,00 aan griffierecht en op € 8.128,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 163,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,00 ingeval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het (in hoger beroep) meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, H.K.N. Vos en C.B.M. Scholten

van Aschat en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 april 2022.