Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:2464

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-03-2022
Datum publicatie
30-03-2022
Zaaknummer
200.306.824
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof oordeelt dat sprake is van een inhumane situatie omdat het meisje al langere tijd uit ‘veiligheid’ wordt opgesloten in het kader van een uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2022-0089
Jeugdrecht.nl JR-2022-0025
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.306.824/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 271987)

beschikking van 30 maart 2022

in het hoger beroep van:

[verzoekster] ( [verzoekster] ),

verblijvende bij [naam1] te [plaats1] ,

verzoekster,

advocaat: mr. T.H. Westerhof-Dijkstra te Zwolle.

Belanghebbenden zijn:

1. de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI),

gevestigd te Zwolle,

2. [de moeder] (de moeder), en

3. [de vader] (de vader),

beiden wonende te [woonplaats1] .


In zijn adviserende en/of toetsende taak is gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

regio Overijssel, locatie Zwolle.

1 Korte samenvatting

Een minderjarige (15 jaar) verblijft al meer dan twee jaar op basis van machtigingen van de kinderrechter in gesloten accommodaties van jeugdhulpaanbieders. Zij is op verschillende groepen en accommodaties geplaatst geweest. Inmiddels verblijft zij nu ruim een jaar op de afdeling [naam2] . Dat is een afdeling bedoeld voor zeer korte intensieve observatie en stabilisatie van jongeren met een acuut veiligheidsrisico. De minderjarige ontvangt, met uitzondering van medicatie, geen behandeling. De accommodatie waar zij verblijft is handelingsverlegen. Tot op heden is geen passende behandelplek voor de minderjarige gevonden. De kinderrechter heeft (opnieuw) een machtiging tot plaatsing in een gesloten accommodatie verleend voor de periode van 10 november 2021 tot 10 mei 2022. De minderjarige is het daar niet mee eens en is van die beslissing in hoger beroep gekomen.

Het hof oordeelt dat gelet op de langdurige vrijheidsbeneming en de zeer forse vrijheidsbeperkende maatregelen, waarbij niet lijkt te worden voorzien in elementaire basisbehoeften van een kind, sprake is van een inhumane situatie. Het (primaire) verzoek van de minderjarige wordt toegewezen, omdat de rechten van haar om zich in veiligheid te ontwikkelen en in geborgenheid op te groeien met de hulp die zij daarvoor nodig heeft in de gesloten jeugdzorg niet wordt geboden en elk zicht op perspectief daarop ontbreekt.

2. De beslissing van de kinderrechter

De beslissing van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van

10 november 2021, luidt als volgt:

De kinderrechter:

verleent een machtiging gesloten jeugdhulp met ingang van 10 november 2021 tot

10 mei 2022 betreffende de minderjarige [verzoekster] , met dien verstande dat de geldigheidsduur eindigt op het moment dat voor [verzoekster] een zorgmachtiging is afgegeven en zij conform is geplaatst.”

3 De rechtszaak bij het hof

3.1

[verzoekster] heeft op 10 februari 2022 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kinderrechter van 10 november 2021. Zij heeft bij dat beroepschrift bijlagen ingediend en op 28 februari 2022 één bijlage opnieuw ingediend. De GI heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.

3.2

De raad heeft het hof op 28 februari 2022 een brief gestuurd en kenbaar gemaakt dat zij niet op de zitting aanwezig zal zijn.

3.3

Op 22 maart 2022 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoekster] is eerst alleen en in aanwezigheid van haar advocaat door de voorzitter gehoord. Aansluitend heeft de behandeling plaatsgevonden in aanwezigheid van:

- [verzoekster] , met haar advocaat en haar begeleider ( [naam3] );

- [naam4] , namens de GI;

- de vader en de moeder van [verzoekster] , bijgestaan door een beëdigd tolk.

4 Belangrijke informatie

4.1

[verzoekster] is geboren [in] 2006. Zij groeide in gezinsverband op bij haar ouders [---] . De vader en de moeder hebben samen het gezag over [verzoekster] . Vanaf groep zeven (2016) zijn er zorgen ontstaan over het gedrag van [verzoekster] . Zij raakte in toenemende mate betrokken bij ruzies en vechtpartijen. In 2019 is er ook sprake van alcohol- en drugsgebruik en raakt het Centrum voor Jeugd en Gezin betrokken. Er is hulpverlening in de thuissituatie maar ook op de middelbare school ingezet.

4.2

[verzoekster] staat onder toezicht van de GI vanaf 26 november 2019 en is, op een korte periode na, vanaf die tijd ook uit huis geplaatst. Na opname in 2019 in een (open) instelling ontstaan al snel incidenten. Omdat er op dat moment geen plek is binnen de gesloten jeugdzorg mag [verzoekster] vervolgens weer enige tijd naar huis, maar zij wordt daar diverse malen aangehouden omdat zij betrokken is bij geweldsdelicten. In februari 2020 wordt zij gesloten geplaatst op een groep, bij de [naam5] in [plaats2] ( [naam5] ).

In april 2020 geeft [verzoekster] aan dat zij door haar ouders in ernstige mate fysiek is mishandeld. Door Veilig Thuis (advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling) is onderzoek ingesteld en geconcludeerd dat er te weinig signalen zijn dat wat [verzoekster] verklaart, waar is. In juli 2020 wordt [verzoekster] overgeplaatst naar de afdeling [naam2] ( [naam2] ) van de [naam5] . Na diverse incidenten volgt op 30 september 2020 een overplaatsing naar [naam1] , een JeugdzorgPlus accommodatie in [plaats1] , omdat de [naam5] handelingsverlegen was. Zij wordt daar aanvankelijk geplaatst op een Individuele Behandelafdeling. Na een geweldsincident wordt zij (ook daar) overgeplaatst naar de afdeling [naam2] . Inmiddels verblijft [verzoekster] vanaf

19 februari 2021 op de afdeling [naam2] van [naam1] .

4.3

De maatregel tot ondertoezichtstelling is telkens verlengd en geldt tot

26 februari 2023. De voorlaatste machtiging tot gesloten plaatsing gold tot

20 november 2021.

4.4

[verzoekster] is onderzocht door drs. [naam6] , Geestelijke Gezondheidszorg-psycholoog ( [naam6] ). Zij concludeert op 9 juli 2021 onder meer het volgende.
[verzoekster] functioneert cognitief op een gemiddeld intelligentieniveau (101-112), sociaal-emotioneel is er een licht vertraagde ego-ontwikkeling en onveilige/angstige gehechtheid. Zij heeft een laag gevoel van eigenwaarde. Eind basisschoolperiode ontstaat een gedragsverandering. Er ontstaat een neergaande lijn in haar ontwikkeling, waarbij plots opkomende en extreme agressie gericht naar mensen, maar ook zelfbeschadigend en suïcidaal gedrag op de voorgrond komen. Een gedragsmatige aanpak leidt niet tot afname van de problemen. Vanwege een angstige aanleg en gebrek aan zelfregulatievaardigheden, raakt zij bij spanningen gemakkelijk de controle kwijt over haar denken en voelen en wordt zij overspoeld door achterdocht, agressie, angsten en verwarring in het denken. De ontregeling in gedrag en emoties komt voort uit een nog niet nader te specificeren psychotische stoornis. [verzoekster] lijdt al sinds jonge leeftijd aan wanen en hallucinaties, die in toenemende mate een agressieve en paranoïde inhoud hebben gekregen en daardoor hebben geleid tot vergaand agressief en grensoverschrijdend risicovol gedrag en verslechtering van haar sociale, emotionele en schoolse functioneren, overmatige interpersoonlijke sensitiviteit en groot wantrouwen. De psychotische problematiek wordt negatief beïnvloed door posttraumatische herbelevingen, waar [verzoekster] vanuit onveiligheid geen duidelijkheid over kan geven, en het loyaliteitsconflict dat [verzoekster] ervaart tussen ouders en hulpverlening. In het algemeen is belangrijk dat [verzoekster] in de leefsituatie wordt ondersteund door begeleiders met kennis van psychotische problematiek bij jeugdigen.

Behandeling: Het is belangrijk dat [verzoekster] leert om op een goede manier met haar angstige kwetsbaarheid en psychotische ontregeling om te gaan, zodat de angsten kunnen afnemen en zij meer controle kan behouden op haar denken en waarnemingen:

medicatie is noodzakelijk om angsten te verminderen en de ontregeling in het denken tegen te gaan en om ervoor te zorgen dat [verzoekster] ook beter van therapie kan profiteren;

psychologische behandeling (cognitieve gedragstherapie, specifiek gericht op psychotische problemen) maar ook gesprekken met vertrouwde dagelijks begeleiders zijn noodzakelijk voor [verzoekster] om op een goede manier te leren met haar kwetsbaarheid, angst, wantrouwen en verwarrende gedachten om te gaan;

een traject van traumabehandeling wordt aanbevolen, een eerst aanbevolen therapie is Eye Movement Desensitization and Reprocesing (EMDR) omdat de verwachting is dat oplopende spanningen vanuit beladen herinneringen zullen verminderen, wat een gunstig effect heeft op het algehele welbevinden van [verzoekster] .

4.5

Drs. [naam7] , gekwalificeerd gedragswetenschapper, heeft op 4 november 2021 ingestemd met het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging om [verzoekster] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven.

Informatie van [verzoekster]

4.6

heeft tijdens haar gesprek met de voorzitter het volgende verteld:
“Ik zit al een hele tijd gesloten, 22 uur per dag op mijn kamer, ik heb eigenlijk geen activiteiten. Ik mag af en toe heel kort op de groep. Ik eet op mijn kamer. Ik ga niet naar de interne school, ik krijg per dag 25 minuten individueel onderwijs. Ik heb een telefoon, een IPad en een televisie op mijn kamer. Vanaf december ga ik, als ik geluk heb omdat er tijd is, ongeveer één keer in de twee weken met twee begeleiders naar buiten voor een wandeling van ongeveer tien minuten. Ik krijg medicatie, dat gaat goed. Ik heb minder psychoses. Ik krijg geen behandeling. Ik word wakker gemaakt als er iemand van de begeleiders tijd heeft, soms is dat om tien uur en soms om elf uur. Dan gaat de deur open, vijftien minuten douchen, vijftien minuten eten, naar mijn kamer tot twee uur ‘s middags, dan nog even op de groep een half uurtje (maar soms van twee uur ’s middags tot zeven uur op mijn kamer) en om half acht uur ‘s avonds is mijn dag voorbij. Mijn ouders, broer en zus komen elke week twee uur op bezoek. Ik vind het heel zwaar en heel moeilijk om er te zijn. Het duurt ontzettend lang. Ik krijg er veel stress van en mijn gedrag wordt dan anders. Eigenlijk is alles beter dan de plek waar ik nu zit. Er is een aanvraag screening gedaan. Ik hoop dat ik over kan naar kliniek [naam8] , maar er is een wachtlijst van drie maanden. Ik ben wel door de screening heen. Ik wil ter overbrugging op een crisisplek in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) geplaatst worden. Ik heb begrepen dat er vorige week of deze week een zorgmachtiging is aangevraagd. Er is ook eerder een zorgmachtiging aangevraagd maar die is afgewezen.”

Standpunt [verzoekster] zoals verwoord door haar advocaat

4.7

[verzoekster] vindt dat aan haar geen jeugdhulp wordt verleend als bedoeld in de wet. Zij vindt daarom dat er geen machtiging tot gesloten plaatsing kan worden verleend. Zij verblijft al vanaf 25 februari 2020 met een gesloten machtiging in verschillende accommodaties. Vanaf 19 februari 2021 verblijft zij op de [naam2] afdeling van [naam1] in [plaats1] . Zij geeft aan dat zij grotendeels in afzondering op haar kamer verblijft (22 uur), dat er niets gebeurt en zij haar ‘tijd’ uitzit. [verzoekster] wil graag naar school en behandeling voor haar problematiek. Juist omdat er niets gebeurt lopen de spanningen bij haar op en vinden er incidenten plaats vanuit haar psychotische beleving. Zij wijst erop dat vorig jaar juli 2021 een diagnose is gesteld en vanaf die tijd duidelijk is dat de gesloten jeugdzorg niet de juiste plek voor haar is. Zij moet met een zorgmachtiging opgenomen kunnen worden in een psychiatrische behandelsetting die zorg gericht op haar problematiek kan bieden. Daar zijn [naam1] en de GI het ook over eens. Een zorgmachtiging is echter eerder afgewezen en de status van de vorige week aangevraagde machtiging is onduidelijk. Mogelijk is er over drie maanden plek in een kliniek die geestelijke gezondheidszorg biedt, maar [verzoekster] is bang dat er straks weer niets is gebeurd en dat de machtiging opnieuw verlengd gaat worden en zij nog langer ‘gevangen’ zit. Het voortduren van haar situatie is in strijd met het bepaalde in de artikelen 3, 10 en 37 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind1.

Informatie van de GI

4.8

[verzoekster] verblijft al meer dan twee jaren in geslotenheid. Door haar (onvoorspelbare en agressieve) gedrag is een overplaatsing naar een open voorziening niet mogelijk gebleken. Uit uitgebreide diagnostiek door [naam6] is duidelijk geworden dat zij kampt met een psychiatrisch ziektebeeld. De GI zoekt een passende plek waar [verzoekster] langere tijd kan verblijven en behandeling kan ontvangen. De instellingen voor geestelijke gezondheidszorg die mogelijk passend zijn voor [verzoekster] wijzen haar af op basis van haar hoge mate van agressie en complexiteit van de psychotische stoornis. Een passende plek is nog niet gevonden, de aanmeldingen die zijn gedaan zijn afgewezen. Het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) is gevraagd mee te denken om een passende plek voor [verzoekster] te vinden, maar het CCE heeft aangegeven dat zij de vraag niet kunnen beantwoorden omdat hun advies geen meerwaarde heeft bij de onderzoeken die er al liggen. Ook de regionale zorgmakelaar is door de GI betrokken met de vraag intensief mee te denken over een vervolgplek.

[naam2] is normaliter bedoeld voor een kortdurende plaatsing. [verzoekster] verblijft al langer dan een jaar op de [naam2] afdeling van [naam1] . Daarvoor heeft zij ook enige tijd op de [naam2] afdeling van de [naam5] verbleven. Behandeling wordt niet geboden omdat de expertise daarvoor ontbreekt. De GI vindt die situatie onwenselijk. Het is binnen de jeugdzorg niet goed geregeld, en [verzoekster] wordt daarvan de dupe. Er zit niets tussen de GGZ en de jeugdproblematiek. Ook bij de GI hebben problemen gespeeld waardoor er een tijd geen contact met [verzoekster] is geweest. De groep waar zij verblijft, staat met de rug tegen de muur. De GGZ heeft haar eerder afgewezen omdat men haar gedrag niet vond kloppen met de diagnose. [verzoekster] zou bepaald gedrag bewust inzetten. De eerdere zorgmachtiging is om die reden niet doorgezet. Er is nu weer een verzoek tot het afgeven van een zorgmachtiging gedaan. Er heeft een screening plaatsgevonden en naar het lijkt kan [verzoekster] over drie maanden terecht bij [naam8] (een centrum voor orthopsychiatrie en forensische jeugdpsychiatrie), maar garanties kunnen niet worden gegeven. In de tussentijd zou de GGZ [naam1] kunnen ondersteunen met een plan van aanpak, zodat [verzoekster] wel op haar huidige groep kan blijven. Dat is allemaal nog in een beginstadium. Op dit moment betekent dat wel dat zij daarbij vooral op haar kamer zit. Tot het moment dat er een passend alternatief gevonden is, blijft een plaatsing in de gesloten jeugdzorg noodzakelijk omdat haar situatie te instabiel is voor een plaatsing thuis of op een open groep.

Informatie van de ouders

4.9

De ouders weten dat [verzoekster] nu gevaarlijk is voor haar omgeving, maar [verzoekster] heeft thuis nooit iemand iets aangedaan. De problemen zijn volgens hen begonnen na de opname. Er is ook veel tegenstrijdigheid in de dossiers. Met name over wat er met [verzoekster] aan de hand zou zijn. De ouders geven aan dat zij haar nu nog steeds opvoeden en aanwijzingen geven als zij belt, tot zij ophangt. Zij adviseren [verzoekster] wat zij wel en niet moet doen. De ouders komen elk weekend bij haar op bezoek. Volgens hen dienen zij meer betrokken te worden en dient er meer gekeken te worden naar wat zij zouden kunnen doen. Zij geloven dat het dan beter zou gaan met [verzoekster] ; beter worden zit volgens hen voor de helft in liefde van hen en de helft in medicatie. Zorgelijk is het dat dit spelletje al tweeëneenhalf jaar zo gaat en dat het steeds slechter met [verzoekster] gaat. De zorg is ook slecht, [verzoekster] heeft een beugel maar zij is al meer dan twee jaar niet meer naar de tandarts geweest.

5 Verzoek van [verzoekster] in hoger beroep

5.1

[verzoekster] is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter (in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle) van 10 november 2021. Zij vraagt het hof (zoals nader toegelicht op de zitting) om die beslissing te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI om een machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen primair toe te wijzen voor nu nog een zo kort mogelijke periode van maximaal vier weken en subsidiair het verzoek alsnog af te wijzen.

5.2

De GI is het eens met de beslissing van de kinderrechter en vraagt het hof de beslissing te bekrachtigen.

6 Beoordeling

6.1

Uit artikel 6.1.1 lid 2 van de Jeugdwet2 blijkt dat de kinderrechter een machtiging tot plaatsing in een gesloten accommodatie kan verlenen wanneer naar het oordeel van de kinderrechter jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen. In de Jeugdwet is in artikel 1.1 uitgelegd wat onder jeugdhulp moet worden verstaan3.

6.2

Gesloten jeugdhulp heeft als doel jeugdigen met ernstige gedragsproblemen te behandelen en een dusdanige gedragsverandering te bewerkstelligen dat deze jeugdigen weer kunnen deelnemen aan de maatschappij. Het is een zeer zware en intensieve vorm van gespecialiseerde jeugdhulp waarbij de vrijheden van de jeugdige kunnen worden ingeperkt, om te voorkomen dat de jeugdige zich onttrekt of onttrokken wordt aan de hulp die nodig is.

6.3

Over het gedrag van [verzoekster] bestaan al jarenlang forse zorgen. In al die tijd is het de professionals niet gelukt om het gedrag van [verzoekster] in voldoende mate positief te keren. Er is sprake geweest van vele en ernstige incidenten met ook meermalen een verblijf van [verzoekster] in een politiecel. Zo is zij verbaal en fysiek agressief geweest naar de groepsleiding waarbij ook met een mes is gegooid en is gedreigd met een stuk glas en een schaar, heeft zij meerdere groepsgenoten en begeleiders aangevallen en een mentor in het gezicht verwond met blijvend letsel tot gevolg. Tegelijkertijd is [verzoekster] op heel jonge leeftijd geconfronteerd met wachtlijsten voor de zorg die zij nodig heeft. Zo is de machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, die is verleend op 11 december 2019, nooit ten uitvoer gelegd wegens het ontbreken van een plek, en is ook de daaropvolgende machtiging, die is afgegeven op 16 december 2019, niet ten uitvoer gelegd. Daarnaast liet een doorplaatsing naar het speciaal onderwijs maanden op zich wachten en heeft die feitelijk nooit plaatsgevonden omdat [verzoekster] inmiddels, en dat is nu meer dan twee jaar geleden, gesloten werd geplaatst. Vanaf de tijd dat [verzoekster] in gesloten accommodaties verblijft is zij geconfronteerd met interne en externe overplaatsingen en forse inperkingen van haar vrijheden, waarbij ook vergaande maatregelen zoals perioden met dagelijkse fixaties, langdurige observaties met een camera, verblijf in extra beveiligde kamers en het moeten dragen van scheurhemden zijn ingezet.

6.4

Gedurende haar verblijf in de gesloten instellingen en eigenlijk al vanaf aanvang is telkens gezien en inmiddels is ook gediagnosticeerd dat sprake is van een heel angstig meisje, waarbij zij zo angstig is dat zij ook dingen gaat zien en horen die buiten de werkelijkheid liggen. Vanuit die angst, ontstaat agressie. Het is belangrijk dat [verzoekster] leert om op een goede manier met haar angstige kwetsbaarheid en psychotische ontregeling om te gaan, zodat de angsten kunnen afnemen en zij meer controle kan houden op haar denken en waarnemingen. Daarvoor is volgens [naam6] naast medicatie ook psychologische behandeling en traumatherapie noodzakelijk.

6.5

[verzoekster] verblijft inmiddels meer dan een jaar op de afdeling [naam2] van [naam1] . De machtiging zoals die nu door de GI is gevraagd is bedoeld voor een (nog langer) verblijf van [verzoekster] op deze afdeling. Duidelijk is echter dat aan [verzoekster] daar niet de juiste behandeling gegeven kan worden. Zij verblijft daar dus - nu al vele maanden - in afwachting van een vervolgplek.

In het geval van [verzoekster] wordt dus (al lange tijd) niet (meer) aan het doel van de gesloten jeugdhulp zoals bedoeld door de wetgever gewerkt. Met uitzondering van het verstrekken van medicatie wordt er immers geen behandeling aan [verzoekster] geboden. Tegelijkertijd worden haar vrijheden al lange tijd en in zeer forse mate beperkt. Zij brengt vele uren in eenzaamheid door op haar kamer en ontvangt nauwelijks onderwijs, waarbij het haar ook lijkt te ontbreken aan een passende dagstructuur (weten hoe laat je wordt gewekt en gaat douchen) en basiszorg (zoals een geregeld bezoek aan/van de tandarts/orthodontist). Het hof vindt dit een inhumane situatie.

6.6

Kort en onomwonden gezegd lukt het ondanks ieders goede bedoelingen niet om [verzoekster] passende hulp te bieden en deze voor [verzoekster] al lang durende inhumane situatie te keren, de bedreigingen in haar ontwikkeling te verminderen en haar te helpen en begeleiden bij haar ontwikkelingstaken. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de kinderrechter en de beschikking van november 2021, nu ruim vier maanden geleden, blijkt dat de situatie van [verzoekster] ook sinds die tijd niet is verbeterd. De kinderrechter heeft toen ook al vraagtekens gezet bij de doelmatigheid van de gevraagde machtiging tot gesloten plaatsing, omdat [verzoekster] niet de juiste behandeling krijgt, en naar haar zeggen toen al negen maanden

22 uur per dag op haar kamer verbleef. In de beschikking heeft de kinderrechter opgeroepen tot grote spoed met betrekking tot de zorgmachtiging die toen was aangevraagd en heeft de kinderrechter een machtiging gesloten plaatsing verleend, eigenlijk - zo begrijpt het hof - ter overbrugging van een periode in afwachting van een betere plek voor [verzoekster] . Inmiddels is er nog steeds geen zorgmachtiging verleend en is de afloop van een nieuw verzoek daartoe onzeker.

6.7

Omdat het doel van het verlenen van jeugdhulp in een gesloten accommodatie, waarvoor de machtiging wordt gevraagd, niet kan worden behaald en daar ook geen enkel zicht (meer) op is, komt het in de kern erop neer dat (nog steeds) een machtiging wordt gevraagd ter overbrugging en in afwachting van een passende plek. Mogelijk is die nu gevonden bij een centrum voor orthopsychiatrie en forensische jeugdpsychiatrie maar zeker is dat geenszins. [verzoekster] staat daar op de wachtlijst, waarbij de wachttijd wordt ingeschat op een periode van drie maanden. Bovendien is er vaker hoop op plaatsing elders geweest maar werd dit telkens toch gevolgd door een afwijzing. Bij gebreke van een goede plek betekent dit dat de uitzichtloze situatie van [verzoekster] waarin zij nu al een heel lange periode in verkeert maar blijft voortduren. Het hof is het met [verzoekster] eens dat dit zo echt niet langer kan en mag.

6.8

[verzoekster] wil graag behandeld worden, moet (en wil graag) naar school en wil graag perspectief. Daar heeft zij ook recht op. Het is bovendien voor te stellen, zo niet aannemelijk, dat de situatie waarin zij nu al langdurig verkeert, juist ook vanuit de angsten die zij heeft, het allemaal niet beter voor haar maakt. Een nog langer verblijf in de gesloten jeugdzorg, waar niet kan worden gewerkt aan de doelen zoals in de wet bepaald, komt feitelijk neer op

- uit veiligheid - ‘opsluiten’ en dat is niet waar de Jeugdwet voor is bedoeld. Vrijheidsbeneming en vrijheidsbeperkende maatregelen mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot het met de gesloten jeugdhulp te dienen doel. Dat doel is primair dat [verzoekster] in staat wordt gesteld gezond en veilig op te groeien en binnen haar vermogens optimaal te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Er moet haar perspectief worden geboden op een toekomst buiten de geslotenheid. Ook vanuit het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind heeft [verzoekster] het recht om in veiligheid en geborgenheid op te groeien met de hulp die daarvoor nodig is.

6.9

Het hof heeft overwogen om de beschikking van de kinderrechter helemaal te vernietigen en het verzoek van de GI in zijn geheel af te wijzen omdat de rechten van [verzoekster] ook bij de start van de gevraagde machtiging met ingang van 10 november 2021 al ernstig en langdurig werden geschonden. De belangen van een kind dienen bij elke beslissing echter de eerste overweging te vormen. De ernst van de problematiek van [verzoekster] maakt dat het in strijd met haar belang zou zijn om het verzoek van de GI geheel af te wijzen dan wel eerst met ingang van de datum van deze beschikking. Dat zou immers betekenen dat [verzoekster] de gesloten accommodatie per direct moet verlaten en zij dan is aangewezen op de zorg van haar ouders. Dat is echter niet wat het hof nu in het belang van [verzoekster] vindt, en dat is ook niet wat [verzoekster] aan het hof vraagt. [verzoekster] wil een behandelplek. Dat is ook wat haar toekomt en wat de deskundigen noodzakelijk vinden en nu het meest in haar belang moet worden geacht. Het hof zal daarom, zoals [verzoekster] heeft verzocht, de beschikking van

10 november 2021 vernietigen voor zover daarbij een machtiging tot plaatsing van [verzoekster] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp is verleend voor een langere duur dan twee weken na de dag van deze uitspraak en het (inleidend) verzoek van de GI tot opname of verblijf voor een langere duur afwijzen.

6.10

Het is aan de GI die de ondertoezichtstelling uitvoert om binnen die tijd een passende vervolgplek voor [verzoekster] te vinden. Het hof begrijpt dat de GI zelf ook niets anders zou willen en zich hier ook onmachtig voelt. Deze situatie kan echter zo niet langer voortduren. Het hof ziet geen mogelijkheden om hier zelf actief in te opereren omdat het een nadrukkelijke keuze van de wetgever is geweest om de (kinder)rechter niet meer te belasten met de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de door hem opgelegde maatgeregel. Op grond van artikel 1:262 van het Burgerlijk Wetboek4 is het nu eenmaal de GI die toezicht dient te houden en er voor dient te zorgen dat aan [verzoekster] en haar ouders hulp en steun wordt geboden om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [verzoekster] weg te nemen dan wel de inspanningen er op te richten dat de zelfstandigheid van [verzoekster] wordt vergroot. 5 [verzoekster] en haar ouders, op hun beurt, mogen op grond van artikel 4.1.1 Jeugdwet verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, verwachten. Hulp die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van [verzoekster] en haar ouders.

6.11

De beslissing van het hof maakt het uiterst dringend dat op heel korte tijd passende hulp aan [verzoekster] moet worden geboden. Om [verzoekster] en de overige belanghebbenden niet te overvallen met de beslissing, zijn [verzoekster] en de belanghebbenden vooraf telefonisch geïnformeerd over het voornemen van deze beslissing en is vooraf aangekondigd dat het hof (vervroegd) met ingang van heden uitspraak doet.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 10 november 2021 voor zover daarbij een machtiging tot plaatsing van [verzoekster] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp is verleend voor een langere duur dan twee weken na de dag van deze beschikking;

wijst het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot het doen opnemen en doen verblijven van [verzoekster] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor een langere duur dan twee weken na de dag van deze beschikking af;

bekrachtigt de beschikking voor het overige;

wijst af wat verder is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander (voorzitter), M.A.F. Veenstra en C. Koopman, bijgestaan door de griffier mr. E. Klijn, griffier. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2022.

1 Verdrag inzake de rechten van het kind Artikel 3 Lid 1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. Lid 2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen. Lid 3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht. Artikel 10 Lid 1 In overeenstemming met de verplichting van de Staten die partij zijn krachtens artikel 9, eerste lid, worden aanvragen van een kind of van zijn ouders om een Staat die partij is, voor gezinshereniging binnen te gaan of te verlaten, door de Staten die partij zijn met welwillendheid, menselijkheid en spoed behandeld. De Staten die partij zijn, waarborgen voorts dat het indienen van een dergelijke aanvraag geen nadelige gevolgen heeft voor de aanvragers en hun familieleden. Lid 2 Een kind van wie de ouders in verschillende Staten verblijven, heeft het recht op regelmatige basis, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met beide ouders te onderhouden. Hiertoe, en in overeenstemming met de verplichting van de Staten die partij zijn krachtens artikel 9, eerste lid, eerbiedigen de Staten die partij zijn het recht van het kind en van zijn of haar ouders welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten, en het eigen land binnen te gaan. Het recht welk land ook te verlaten is slechts onderworpen aan de beperkingen die bij de wet zijn voorzien en die nodig zijn ter bescherming van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden, of van de rechten en vrijheden van anderen, en verenigbaar zijn met de andere in dit Verdrag erkende rechten. Artikel 37 De Staten die partij zijn, waarborgen dat: a. geen enkel kind wordt onderworpen aan foltering of aan een andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Doodstraf noch levenslange gevangenisstraf zonder de mogelijkheid van vrijlating wordt opgelegd voor strafbare feiten gepleegd door personen jonger dan achttien jaar; b. geen enkel kind op onwettige of willekeurige wijze van zijn of haar vrijheid wordt beroofd. De aanhouding, inhechtenisneming of gevangenneming van een kind geschiedt overeenkomstig de wet en wordt slechts gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur; c. ieder kind dat van zijn of haar vrijheid is beroofd, wordt behandeld met menselijkheid en met eerbied voor de waardigheid inherent aan de menselijke persoon, en zodanig dat rekening wordt gehouden met de behoeften van een persoon van zijn of haar leeftijd. Met name wordt ieder kind dat van zijn of haar vrijheid is beroofd, gescheiden van volwassenen tenzij het in het belang van het kind wordt geacht dit niet te doen, en heeft ieder kind het recht contact met zijn of haar familie te onderhouden door middel van correspondentie en bezoeken, behalve in uitzonderlijke omstandigheden; d. ieder kind dat van zijn of haar vrijheid is beroofd het recht heeft onverwijld te beschikken over juridische en andere passende bijstand, alsmede het recht de wettigheid van zijn vrijheidsberoving te betwisten ten overstaan van een rechter of een andere bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit, en op een onverwijlde beslissing ten aanzien van dat beroep.

2 Artikel 6.1.2 Jeugdwet: Lid 1 De kinderrechter kan op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Lid 2 Een machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter: a. jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren, en b. de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

3 Artikel 1.1 Jeugdwet - jeugdhulp: 1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt.

4 Artikel 262 van het Burgerlijk Wetboek Lid 1 De gecertificeerde instelling houdt toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouders of ouder hulp en steun worden geboden opdat de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige, bedoeld in artikel 255, vijfde lid, binnen de duur van de ondertoezichtstelling worden weggenomen. De inspanningen van de gecertificeerde instelling zijn erop gericht de ouders of de ouder zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen te laten dragen. Lid 2 Indien het ontwikkelingsniveau van de minderjarige en diens bekwaamheid en behoefte zelfstandig te handelen en zijn leven naar eigen inzicht in te richten daartoe aanleiding geven, zijn de inspanningen van de gecertificeerde instelling dienovereenkomstig mede gericht op het vergroten van de zelfstandigheid van de minderjarige. Lid 3 De gecertificeerde instelling bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige.

5 Artikel 4.1.1 Jeugdwet Lid 1 De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling verlenen verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. Lid 2 De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling organiseren zich op zodanige wijze, voorzien zich kwalitatief en kwantitatief zodanig van personeel en materieel en dragen zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling betrekken hierbij de resultaten van overleg tussen jeugdhulpaanbieders, het college en cliëntenorganisaties. Voor zover het betreft jeugdhulp die verblijf van een jeugdige of ouder in een accommodatie gedurende ten minste een etmaal met zich brengt, draagt de jeugdhulpaanbieder er tevens zorg voor dat in de accommodatie geestelijke verzorging beschikbaar is, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de jeugdige of ouder. Lid 3 De hulpverlener neemt bij zijn werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener in acht en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard.