Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:2375

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2022
Datum publicatie
31-03-2022
Zaaknummer
21-004587-20
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2020:4871
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende ongeveer een jaar tijd schuldig gemaakt aan het plegen van meerdere misdrijven. Verdachte heeft door veelvuldig te bellen met een telefooncentrale en het opzetten van zogeheten conference calls, de toegang tot een geautomatiseerd werk belemmerd. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan belaging van een man op leeftijd. Voorts heeft verdachte zich meerdere malen schuldig gemaakt aan bedreiging van ziekenhuispersoneel van diverse ziekenhuizen en aan dwang door veelvuldig te bellen met weer een ander ziekenhuis. Naast voornoemde feiten heeft verdachte zich ook bezig gehouden met oplichtingspraktijken en het witwassen van geld.

Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd die hij heeft doorgebracht in voorarrest. Daarnaast wordt een groot deel van de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen.

Verwerping van verweren met betrekking tot de overlevering van verdachte. Geen sprake van schending van het specialiteitsbeginsel. Tevens verwerping overige (ontvankelijkheids)verweren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004587-20

Uitspraak d.d.: 31 maart 2022

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 19 november 2020 met parketnummer 18-750103-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] ),

thans verblijvende in PI [locatie PI] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 8 april 2021, 3 maart 2022 en 31 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering strekt ertoe dat het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 1 primair, tweede onderdeel (belaging), niet-ontvankelijk wordt verklaard en dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, eerste onderdeel, 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4, 5 primair, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gehele dan wel gedeeltelijke toewijzing gevorderd van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, alle te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. P.R. Logemann, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Noord-Nederland heeft bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht:

  • -

    het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van het onder 1 primair, tweede onderdeel (belaging), 1 subsidiair, 2 subsidiair, 5 primair, 5 subsidiair en 12, eerste gedachtestreepje, tenlastegelegde;

  • -

    de verdachte vrijgesproken ter zake van het onder 12, tweede en derde gedachtestreepje, tenlastegelegde;

  • -

    de verdachte veroordeeld ter zake van het onder 1 primair, eerste onderdeel, 2 primair, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 13 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest;

Met betrekking tot de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen heeft de rechtbank ten aanzien van:

  • -

    DV&O de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering;

  • -

    [getuige 1] een bedrag toegewezen van € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2019 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    [getuige 2] een bedrag toegewezen van € 951,90, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 maart en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    [getuige 3] een bedrag toegewezen van € 210,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2019 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    [getuige 4] een bedrag toegewezen van € 259,97, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2019 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het overige afgewezen;

  • -

    [getuige 5] een bedrag toegewezen van € 50,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 december 2018 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    [getuige 6] een bedrag toegewezen van € 50,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2018 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    [getuige 7] de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof op een aantal onderdelen tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1. primair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [periode 1] te [plaats 1] , gemeente [gemeente 1] , althans in Nederland, meermalen, opzettelijk en wederrechtelijk de toegang tot en/of het gebruik van een geautomatiseerd werk heeft belemmerd, door daaraan gegevens aan te bieden en/of toe te zenden door (zonder redelijk doel en/of in de nachtelijke uren)

- veelvuldig te bellen naar een of meer telefoonnummer(s) van de Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O), onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, en/of

- veelvuldig te bellen naar het noodnummer van DV&O, en/of

- veelvuldig een of meer telefoonnummer(s) van DV&O door te verbinden met diverse andere afdelingen en/of instellingen, en/of

- ( hierdoor) een of meer telefoonlijn(en) bezet te houden, althans te belemmeren;

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [periode 1] te [plaats 1] , gemeente [gemeente 1] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van een of meer medewerker(s) van de Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O), onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, door (zonder redelijk doel en/of in de nachtelijke uren)

- veelvuldig te bellen naar (het telefoonnummer van) DV&O, en/of

- veelvuldig een of meer telefoonnummer(s) van DV&O door te verbinden met diverse andere afdelingen en/of instellingen, en/of

- zich (tijdens de telefoongesprekken) voor te doen als een medewerker van DV&O, en/of

- ( tijdens de telefoongesprekken) veelvuldig zaken of gegevens te benoemen waaruit bleek of kon blijken dat hij, verdachte, kennis en begrip had van de interne processen, procedures en/of systemen en/of te zeggen dat hij (interne) informatie openbaar zal maken, en/of

- ( tijdens de telefoongesprekken) te praten over (het vervoer van) specifieke gedetineerden en/of directeuren en/of het verstrekken van (valse) informatie over geplande ritten, met het oogmerk die medewerkers van DV&O, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

1. subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [periode 1] te [plaats 1] , gemeente [plaats 1] , althans in Nederland, een ander, te weten een of meer medewerker(s) van de Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O), onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het (telkens) te woord staan van verdachte en/of het aanhoren van verdachte en/of het aanpassen van het interne werkproces en/of personeelsplanning, door (zonder redelijk doel en/of in de nachtelijke uren)

- veelvuldig te bellen naar (het telefoonnummer van) DV&O, en/of

- veelvuldig een of meer telefoonnummer(s) van DV&O door te verbinden met

diverse andere afdelingen en/of instellingen, en/of

- zich (tijdens de telefoongesprekken) voor te doen als een medewerker van DV&O, en/of

- ( tijdens de telefoongesprekken) veelvuldig zaken of gegevens te benoemen waaruit bleek of kon blijken dat hij, verdachte, kennis en begrip had van de interne processen, procedures en/of systemen en/of te zeggen dat hij (interne) informatie openbaar zal maken, en/of

- ( tijdens de telefoongesprekken) te praten over (het vervoer van) specifieke gedetineerden en/of directeuren en/of het verstrekken van (valse) informatie over geplande ritten, en/of

- ( hierdoor) een of meer telefoonlijn(en) bezet te houden, althans te

belemmeren;

2. primair
hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van [periode 2] te [plaats 2] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [getuige 1] , door (zonder redelijk doel en/of in de nachtelijke uren)

- veelvuldig te bellen naar die [getuige 1] , en/of

- die [getuige 1] veelvuldig door te (laten) verbinden met diverse ziekenhuizen en/of instellingen met het oogmerk die [getuige 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2. subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [periode 2] te [plaats 2] , althans in Nederland, een ander, te weten [getuige 1] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, weten het (telkens)

- te woord staan van verdachte en/of het aanhoren van verdachte, en/of

- doorverbonden worden met diverse ziekenhuizen en/of instellingen, door (zonder redelijk doel en/of in de nachtelijke uren)

- veelvuldig te bellen naar die [getuige 1] , en/of

- die [getuige 1] veelvuldig door te (laten) verbinden met diverse ziekenhuizen en/of instellingen;

3.
hij in of omstreeks de periode van [periode 3] te [plaats 1] , althans in Nederland, een of meerdere medewerkers van het [Ziekenhuis 1] te [plaats 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door aan een (andere) medewerker van het [Ziekenhuis 1] te [plaats 1] (telefonisch) dreigend de woorden toe te voegen: “Ik heb twee familieleden van het personeel en ik doe ze iets aan” en/of “Ik heb twee personeelsleden, ik wil onderhandelaar als ik niemand te spreken krijg maak ik ze dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.
hij in of omstreeks de periode van [periode 3] , te [plaats 3] , althans in Nederland, een of meer medewerkers van het [Ziekenhuis 2] te [plaats 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door aan een of meer (andere) medewerker(s) van dit ziekenhuis (telefonisch) dreigend de woorden toe te voegen (nadat er over de telefoon een knal te horen is):

- “ Dat was één” en/of “Ik heb twee personeelsleden ontvoerd”, en/of

- “ Ik ga ze dood schieten en zoek een onderhandelaar”, en/of

- “ Ik heb hem op automatisch staan nu he. Er zit nog nu nog vijf stuks in he ik heb nog één, twee vier volle patr.. vier keer zeven is eenentwintig. Zesentwintig stuks”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5. primair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [periode 4] te [plaats 4] , gemeente [plaats 4] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van een of meer medewerker(s) van de [Ziekenhuis 3] , door (zonder redelijk doel en/of in de nachtelijke uren)

- veelvuldig te bellen naar de receptie, centrale beveiliging en/of andere afdelingen van voornoemd ziekenhuis, en/of

- in de telefoongesprekken met medewerker(s) van voornoemde Stichting zaken of gegevens te benoemen die enkel konden zijn waargenomen door iemand die lijfelijk in het ziekenhuis aanwezig was, en/of een dreigende toon en/of dreigende woorden te gebruiken, en/of

- veelvuldig medewerkers van (diverse afdelingen van) buitenlandse en binnenlandse ziekenhuizen (door) te (laten) verbinden met diverse afdelingen van voornoemd ziekenhuis, met het oogmerk die medewerker(s) van de [Ziekenhuis 3] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

5. subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [periode 4] te [plaats 4] , gemeente [plaats 4] , althans in Nederland, een ander, te weten een of meer medewerker(s) van de [Ziekenhuis 3] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het (telkens) te woord staan van verdachte en/of het aanhoren van verdachte, door (zonder redelijk doel en/of in de nachtelijke uren)

- veelvuldig te bellen naar de receptie, centrale beveiliging en/of andere afdelingen van voornoemd ziekenhuis, en/of

- in de telefoongesprekken met medewerker(s) van voornoemde Stichting zaken of gegevens te benoemen die enkel konden zijn waargenomen door iemand die lijfelijk in het ziekenhuis aanwezig was, en/of een dreigende toon en/of dreigende woorden te gebruiken, en/of

- veelvuldig medewerkers van (diverse afdelingen van) buitenlandse en binnenlandse ziekenhuizen (door) te (laten) verbinden met diverse afdelingen van voornoemd ziekenhuis;

6.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [periode 5] te [plaats 5] , althans in Nederland, [centralist huisartsenpost] ) en/of [medewerker ziekenhuis 4] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door tegen die [centralist huisartsenpost] en/of [medewerker ziekenhuis 4] te zeggen dat hij, verdachte

- naar het ziekenhuis zou komen met een wapen om mensen neer te schieten, en/of

- een patiënt onder bedreiging van een of meer vuurwapen(s) zou komen ophalen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

7.
hij op of omstreeks [datum] te [plaats 6] , althans in Nederland, [medewerker ziekenhuis 5] , (telefonisch) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [medewerker ziekenhuis 5] (telefonisch) dreigend de woorden toe te voegen:

- “ Ik heb tuberculose” en/of “Ik kom nu naar het ziekenhuis want ik wil zoveel mogelijk mensen besmetten en ik begin bij jou. Je bent nu alleen”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

8.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [periode 6] te [plaats 7] , gemeente [gemeente 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [getuige 21] , heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het bewegen tot afgifte van een of meerdere geldbedragen, van in totaal 10.443,67 euro, en/of het ter beschikking stellen van zijn persoonsgegevens, door (telkens)

- zich voor te doen als medewerker van een (niet bestaand) gerechtsdeurwaarderskantoor " [gerechtsdeurwaarder 1] ", en/of

- een of meerdere e-mail(s) te sturen naar die [getuige 21] , als waren deze afkomstig van gerechtsdeurwaarderskantoor [gerechtsdeurwaarder 1] , inhoudende dat die [getuige 21] een openstaande vordering moest betalen, en/of een inhoudende een dreiging met beslaglegging indien de openstaande vordering niet tijdig zou worden betaald, en/of

- een of meerdere e-mail(s) te sturen naar die [getuige 21] , als waren deze afkomstig van gerechtsdeurwaarderskantoor [gerechtsdeurwaarder 1] , inhoudende dat dit een "dwangbevel in naam der Koning" betrof en dat die [getuige 21] (op de dag van ontvangst van de e-mail(s)) een of meer geldbedrag(en) moest overmaken/overboeken, en/of inhoudende een dreiging met beslaglegging indien de openstaande vordering niet tijdig zou worden betaald, en/of

- via de live-chat op de website van " [gerechtsdeurwaarder 1] gerechtsdeurwaarderskantoor" contact te hebben/maken met die [getuige 21] en/of aan te geven dat die [getuige 21] via iDeal kon betalen en/of die [getuige 21] te verzoeken om handelingen te verrichten met zijn bankpas en Rabo-scanner om de geldbedrag(en) over te maken, en/of

- die [getuige 21] te vragen om (de gegevens van) zijn identiteitsbewijs om het dossier af te sluiten,

waardoor die [getuige 21] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);


9.
hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van [periode 7] , te [plaats 8] , [plaats 9] en/of [plaats 10] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, aangevers, te weten:

- [getuige 8] (aangifte p. 1790), en/of

- [getuige 9] (aangifte p. 1851), en/of

- [getuige 10] (aangifte p. 1861),

(telkens) te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten afgifte van (de in de aangiften genoemde) geldbedragen, immers heeft verdachte

- namens niet bestaande en/of niet aan hem toebehorende (e-mailadressen van) gerechtsdeurwaarders(kantoren) en/of incassokantoren, te weten

- [gerechtsdeurwaarder 2] ,

- [incasso kantoor 1] ,

- [gerechtsdeurwaarder 3] ,

- [gerechtsdeurwaarder 4] ,

- [gerechtsdeurwaarder 5] ,

- [gerechtsdeurwaarder 4] ,

- [gerechtsdeurwaarder 6]

- [gerechtsdeurwaarder 7] ,

- [gerechtsdeurwaarder 8] ,

- [gerechtsdeurwaarder 9] , en/of

- [incasso kantoor 2] ,

een of meerdere e-mailberichten gestuurd naar voornoemde aangevers met daarin de tekst dat

- aangevers hadden deelgenomen aan enquêtes, winacties en/of spelletjes en/of app(s) hadden gedownload en/of een Libelle-abonnement hadden afgesloten en/of dat de kosten daarvan niet waren voldaan, en/of dat hiervoor nog een bedrag moest worden overgeboekt, en/of dat er nog een vordering openstond, en/of

- de openstaande vorderingen inmiddels waren verhoogd met wettelijke incassokosten en/of handelingsrente, en/of

- er beslag zou worden gelegd op de inboedel en/of de bankrekening van voornoemde aangevers en/of de kosten van de dagvaarding, beslaglegging en/of griffiekosten in rekening zouden worden gebracht, en/of

- er werd verzocht om de (in de aangifte genoemde) geldbedragen te betalen/ over te boeken op een of meer bankrekeningnummer(s)

- [bankrekeningnummer 1] , en/of

- [bankrekeningnummer 2] , en/of

- [bankrekeningnummer 3] ,

althans een bankrekeningnummer (toebehorende aan verdachte), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;

10.
hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van [periode 12] te [plaats 12] , [plaats 13] en/of [plaats 14] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, aangevers te weten:

- [getuige 2] en/of [getuige 2] (aangifte p. 1870),

- [getuige 3] (aangifte p. 1874), en/of

- [getuige 4] (aangifte p. 1897),

(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten afgifte van (de in de aangiften genoemde) geldbedragen en/of giftcards met daarop geldbedragen, door

- namens niet bestaande en/of niet aan hem toebehorende (e-mailadressen van) gerechtsdeurwaarders(kantoren), te weten:

- [gerechtsdeurwaarder 10] ,

- [gerechtsdeurwaarder 7] ,

- [incasso kantoor 3] ,

- [incasso kantoor 4] , en/of

- [gerechtsdeurwaarder 11]

een of meerdere e-mailberichten te sturen naar voornoemde aangevers met daarin de tekst dat

- voornoemde aangevers hadden deelgenomen aan enquêtes en/of diensten hadden afgenomen en/of dat de kosten daarvan niet zouden zijn voldaan, en/of dat hiervoor nog een bedrag moest worden overgeboekt, en/of dat er nog een vordering openstond, en/of

- de openstaande vorderingen inmiddels waren verhoogd met wettelijke incassokosten en/of rente, en/of

- er beslag zou worden gelegd op de inboedel en/of de bankrekening van voornoemde aangevers, en/of

- dit een dwangbevel betrof en/of indien er niet (tijdig) betaald zou worden, aangevers gedagvaard zouden worden en/of de kosten van de dagvaarding, beslaglegging en/of griffiekosten in rekening zouden worden gebracht, en/of

- er werd verzocht om de bedragen te betalen/over te boeken op een of meer bankrekeningnummer(s), te weten

- [bankrekeningnummer 4] , en/of

- [bankrekeningnummer 5] , en/of

- [bankrekeningnummer 3] , en/of

- [bankrekeningnummer 6] ,

althans een bankrekeningnummer toebehorende aan verdachte, en/of

- er betaald kon worden middels een giftcard, en/of

- via live-chat op de website [gerechtsdeurwaarder 10] ) contact te hebben/maken met aangever ( [getuige 2] ) en/of aan te geven dat er direct betaald moest worden en/of aan te geven dat indien er niet (tijdig) betaald zou worden er beslag zou worden gelegd op het inkomen en/of de bankrekeningen,

waardoor die aangevers werden bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

11.
hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van [periode 9] , in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, hierna te noemen aangevers, te weten:

- [getuige 6] (50 euro, voor een ticket voor een hotelovernachting in het [hotel] hotel, aangifte p. 1934), en/of

- [getuige 11] (50 euro, voor een Bol.com tegoedbon, aangifte p. 1937), en/of

- [getuige 12] (45 euro, voor een ticket voor een hotelovernachting in het [hotel] hotel, aangifte p. 1940), en/of

- [getuige 5] (183 euro, voor een ticket voor een hotelovernachting in het [hotel] hotel, aangifte p. 1943)

(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten afgifte van voornoemde geldbedragen (door genoemde bedragen te betalen/over te boeken op bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 3] , althans een bankrekeningnummer toebehorende aan verdachte), door

- via de internetsite Marktplaats.nl, aan voornoemde aangevers mee te delen dat hij, verdachte, in het bezit was van bovengenoemde tickets, vouchers en of een tegoedbon, en dat hij, verdachte deze kon en wilde leveren na betaling/ overschrijving van voornoemde bedragen, en/of

- gebruik te maken van de/een (valse) identiteit(en), te weten: [valse naam 1] , en/of

- gebruik te maken van de/een (valse) marktplaatsaccount(s) met gebruikersnamen, te weten: [valse naam 2] en/of [valse naam 3] , en/of [valse naam 4] , en/of

- gebruik te maken van (valse) e-mailadressen zonder herleidbare personalia, en/of

- zich (aldus) voor te doen als bonafide verkoper(s),

waardoor bovengenoemde aangevers (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.

12.
hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van [periode 10] , te [plaats 11] , althans in Nederland, meermalen, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten, te weten

- de (bedrijfs)naam " [gerechtsdeurwaarder 9] ", en/of het e-mailadres " [gerechtsdeurwaarder 9] ", zijnde identificerende gegevens toebehorende aan " [gerechtsdeurwaarder 9] ", gevestigd te [plaats 11] , heeft gebruikt/misbruikt door

- de (voormalig) (bedrijfs)naam " [gerechtsdeurwaarder 12] ", zijnde identificerende gegevens toebehorende aan het (voormalig) kantoor " [gerechtsdeurwaarder 12] ", overgenomen door " [getuige 7] ",

- e-mailberichten te versturen naar aangevers, (zogenaamd) afkomstig van voornoemde gerechtsdeurwaarderskantoren, met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;

13. primair
hij in of omstreeks de periode van [periode 11] , in Duitsland, en/of in Malta en/of in Denemarken en/of elders in Europa, althans in Europa, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte stelselmatig en/of op meerdere tijdstippen in voornoemde periode (telkens): een of meerdere voorwerpen, te weten geldbedrag(en) tot een bedrag van 25.234,18 euro, althans geldbedragen, overgedragen, omgezet, voorhanden gehad en/of van die geldbedrag(en) gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat genoemde voorwerp(en) onmiddellijk of middellijk afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

13. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van [periode 11] , in Duitsland, en/of in Malta en/of in Denemarken en/of elders in Europa, althans in Europa, een voorwerp(en), te weten geldbedrag(en) tot een bedrag van 25.234,16 euro, althans geldbedragen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie om verschillende redenen niet-ontvankelijk dan wel deels niet-ontvankelijk in de strafvervolging dient te worden verklaard.

T.a.v. alle feiten

Door de verdediging is aangevoerd dat de originele toestemmingsbeslissing van de Duitse overleveringsrechter zich niet in het strafdossier bevindt waardoor het hof, zo begrijpt het hof het verweer, niet kan toetsen of de overlevering op juiste gronden heeft plaatsgevonden. Dit dient volgens de verdediging de algehele niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg te hebben.

T.a.v. feit 1

Door de verdediging is aangevoerd dat het onder 1 primair tenlastegelegde ‘belemmeren van een geautomatiseerd werk’ als bedoeld in artikel 138b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet hetzelfde is als het ‘blokkeren van een telefoonverbinding’ waarvoor de Duitse overleveringsrechter in zijn beslissing van 16 november 2021 toestemming heeft verleend. Vervolging op grond van artikel 138b Sr is derhalve in strijd met het specialiteitsbeginsel.

Verder is aangevoerd dat een schriftelijke volmacht aan aangeefster [getuige 10] om namens DV&O en de medewerkers van DV&O aangifte te doen ontbreekt, hetgeen gelet op artikel 163, eerste lid, Sr is vereist als namens een ander aangifte wordt gedaan.

Ten aanzien van de onder 1 primair alternatief cumulatief tenlastegelegde ‘belaging’ is voorts aangevoerd dat een klacht enkel kan worden ingediend door de klachtgerechtigde en niet door een gemachtigde. Bovendien is geen sprake van een binnen drie maanden na kennisneming van het gepleegde feit ingediende klacht.

Voor wat betreft het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat door de Duitse overleveringsrechter geen toestemming is verleend om te vervolgen wegens ‘dwang’. Op grond van het specialiteitsbeginsel mag verdachte daarom niet worden vervolgd voor dit feit.

T.a.v. feit 2

Ten aanzien van de onder 2 primair tenlastegelegde ‘belaging’ van aangever [getuige 1] is aangevoerd dat een klacht ontbreekt, dan wel de klacht niet binnen de geldende klachttermijn van drie maanden is ingediend.

Voor wat betreft de onder 2 subsidiair tenlastegelegde ‘dwang’ is aangevoerd dat door de Duitse overleveringsrechter geen toestemming is verleend om te vervolgen voor dit feit zodat verdachte op grond van het specialiteitsbeginsel hiervoor niet mag worden vervolgd.

T.a.v. feit 3

Voor wat betreft de onder 3 tenlastegelegde ‘bedreiging’ van medewerkers van het [Ziekenhuis 1] in [plaats 1] is aangevoerd dat een schriftelijke volmacht aan aangever [getuige 16] om namens de medewerkers van het ziekenhuis aangifte te doen ontbreekt.

T.a.v. feit 4

Ten aanzien van de onder 4 tenlastegelegde ‘bedreiging’ van medewerkers van het [Ziekenhuis 2] te [plaats 3] is aangevoerd dat verdachte op grond van het specialiteitsbeginsel niet vervolgd mag worden voor dit feit nu verdachte slechts is overgeleverd voor ‘afpersing’ en niet voor ‘bedreiging’ zoals is tenlastegelegd.

T.a.v. feit 5

Voor wat betreft de onder 5 primair tenlastegelegde belaging van medewerkers van [Ziekenhuis 3] is aangevoerd dat een schriftelijke volmacht aan aangever [getuige 13] om namens de medewerkers van het ziekenhuis aangifte te doen ontbreekt. Verder is aangevoerd dat een klacht enkel kan worden ingediend door de klachtgerechtigde en niet door een gemachtigde. Bovendien is geen sprake van een binnen drie maanden na kennisneming van het gepleegde feit ingediende klacht.

Ten aanzien van de onder 5 subsidiair tenlastegelegde ‘dwang’ is aangevoerd dat door de Duitse overleveringsrechter geen toestemming is verleend om te vervolgen voor dit feit zodat verdachte op grond van het specialiteitsbeginsel hiervoor niet mag worden vervolgd.

T.a.v. feiten 6 en 7

Voor wat betreft de onder 6 tenlastegelegde ‘bedreiging’ van medewerkers van de huisartsenpost en het [Ziekenhuis 4] te [plaats 5] en de onder 7 tenlastegelegde ‘bedreiging’ van een medewerker van het [Ziekenhuis 5] te [plaats 6] is aangevoerd dat een schriftelijke volmacht aan respectievelijk aangever [getuige 14] en aangever [getuige 15] om aangifte te doen ontbreekt.

T.a.v. feit 8

Door de verdediging is ten aanzien van de onder 8 tenlastegelegde ‘oplichting’ van aangever [getuige 21] aangevoerd dat verdachte op grond van het specialiteitsbeginsel niet vervolgd mag worden voor dit feit nu door de Duitse overleveringsrechter slechts toestemming is verleend om te vervolgen voor een ‘poging tot oplichting/bedreiging’ en niet, zoals is tenlastegelegd, een ‘voltooide oplichting.’

T.a.v. feit 12

Voor wat betreft de onder 12 tenlastegelegde ‘identiteitsfraude’ is aangevoerd dat door de Duitse overleveringsrechter geen toestemming is verleend om te vervolgen voor dit feit zodat verdachte op grond van het specialiteitsbeginsel hiervoor niet mag worden vervolgd.

Voorts is door de verdediging aangevoerd dat een schriftelijke volmacht aan aangever [getuige 17] om namens [getuige 7] aangifte te doen ontbreekt.

T.a.v. feit 13

Ten aanzien van het onder 13 primair tenlastegelegde ‘gewoontewitwassen’ heeft de verdediging aangevoerd dat uit de beslissing van de Duitse overleveringsrechter blijkt dat het Duitse recht geen ‘gewoontewitwassen’ kent en dat uitsluitend is overgeleverd ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde ‘witwassen’. Voorts is door de Duitse overleveringsrechter geen toestemming verleend voor de vervolging van verdachte voor witwassen in Duitsland, Malta, Denemarken of elders in Europa.

De verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is kennis te nemen van de onder 13 tenlastegelegde feiten nu ten laste is gelegd dat de feiten in het buitenland zijn gepleegd. Uit het vonnis van de rechtbank blijkt niet dat de dubbele strafbaarheid is getoetst. Voorts is de verdediging van mening dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft in ‘Europa’.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd dat verdachte voor alle hem in deze procedure verweten feiten kan worden vervolgd. Daartoe is door de advocaat-generaal aangevoerd dat in het Europees Aanhoudingsbevel (hierna: EAB) van 2 november 2021 alle feiten zijn opgesomd waarvoor de verdachte zich in deze procedure dient te verantwoorden. Op basis van dit EAB is verdachte in Duitsland aangehouden en zonder enige beperking overgeleverd aan Nederland.

De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ten aanzien van de onder 1 primair tenlastegelegde belaging van medewerkers van DV&O niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard. Voor wat betreft de onder 5 primair tenlastegelegde belaging van medewerkers van [Ziekenhuis 3] is het openbaar ministerie wel ontvankelijk in de vervolging nu door [medewerker 2 ziekenhuis 3] en [medewerker 1 ziekenhuis 3] alsnog een volmacht aan [getuige 13] is verstrekt voor het namens hen doen van een klacht.

Oordeel van het hof

Overlevering

In de onderhavige zaak is door de rechter-commissaris te [plaats 1] op 29 augustus 2019 aan de Deense autoriteiten een EAB uitgevaardigd voor de vervolging van verdachte ter zake 5 feiten. Vervolgens is op 4 december 2019 een vervangend EAB voor 9 feiten en op 9 januari 2020 een aanvullend EAB voor nog eens 11 feiten uitgevaardigd (op dit laatste EAB zijn alle 20 feiten vermeld waarvoor de overlevering van verdachte is verzocht). Verdachte is vervolgens op 13 januari 2020 vanuit Denemarken overgeleverd aan Nederland om hem in Nederland te vervolgen. Verdachte heeft uitdrukkelijk geen afstand gedaan van het specialiteitsbeginsel.

In eerste aanleg zijn door de verdediging diverse (preliminaire) niet-ontvankelijkheidsverweren gevoerd met betrekking tot de overlevering van verdachte aan Nederland door Denemarken. De rechtbank heeft het openbaar ministerie voor een aantal tenlastegelegde feiten niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte in verband met schending van het specialiteitsbeginsel nu die feiten niet expliciet zijn vermeld op het EAB van 9 januari 2020.

In de fase van hoger beroep is door de rechter-commissaris een tweede aanvullend EAB d.d. 1 maart 2021 uitgevaardigd waarbij alsnog aan Denemarken de overlevering van verdachte aan Nederland is verzocht voor de feiten die niet expliciet waren vermeld op het EAB van 9 januari 2020.

Uit een in de fase van hoger beroep aan het dossier toegevoegde e-mail van 6 juli 2021 van de Deense autoriteiten blijkt dat de Deense overleveringsrechter het aanvullende verzoek bij beslissing van 29 juni 2021 heeft afgewezen en daarbij heeft gewezen op artikel 17, eerste lid onder 1b, van de Deense Uitleveringswet. In dat artikel staat dat een overgeleverd persoon niet aansprakelijk zal worden gehouden voor enig ander strafbaar feit dat is gepleegd vóór de overlevering, anders dan het feit waarvoor de overgeleverde persoon betrokken is, ténzij de persoon heeft verzuimd om het land waaraan hij is overgeleverd te verlaten, zelfs als hij de mogelijkheid heeft gehad om dat te doen gedurende een periode van 30 dagen zonder te zijn verhinderd om te vertrekken. Aangezien de voorlopige hechtenis van verdachte in Nederland door het hof is geschorst en hij vervolgens op 15 mei 2021 in vrijheid is gesteld heeft hij de mogelijkheid gehad om Nederland te verlaten. Gelet daarop is het niet langer noodzakelijk dat de Nederlandse autoriteiten toestemming verkrijgen van de Deense autoriteiten voor het uitbreiden van de vervolging van verdachte met betrekking tot de strafbare feiten die zijn gepleegd vóór de overlevering.

Het hof stelt, gelet op het voorgaande, vast dat een deel van de ontvankelijkheidsverweren die door de verdediging zijn gevoerd in eerste aanleg thans geen belemmering meer vormen voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.

Omdat verdachte zich niet aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, is de schorsing van de voorlopige hechtenis per 7 juni 2021 door het hof opgeheven. Vervolgens is op 2 november 2021 door de rechter-commissaris aan de Duitse autoriteiten een EAB uitgevaardigd voor de vervolging van verdachte ter zake van 21 feiten. Verdachte is vervolgens op 9 november 2021 in Duitsland aangehouden en op 1 december 2021 door Duitsland overgeleverd aan Nederland. Verdachte heeft ingestemd met de verkorte procedure en daarbij uitdrukkelijk geen afstand gedaan van het specialiteitsbeginsel, zo blijkt uit de zich in het dossier bevindende beslissing van de Duitse zaaksofficier van 18 november 2021. Daaruit blijkt ook dat verdachte zonder enige voorwaarde is overgeleverd.

Ter terechtzitting van het hof van 3 maart 2022 is door de verdediging een kopie van de beslissing van het Oberlandesgericht Frankfurt Am Main d.d. 16 november 2021 overgelegd.

Onbetwist is dat de originele beslissing van het Oberlandesgericht Frankfurt Am Main zich niet in het dossier bevindt. Voor zover de verdediging zich op het standpunt stelt dat het ontbreken in het dossier van de originele beslissing van de Duitse overleveringsrechter (en/of een vertaling daarvan) tot gevolg dient te hebben dat het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie is komen te vervallen omdat het hof als gevolg van het ontbreken van die beslissing de overlevering niet kan toetsen, overweegt het hof dat dit verweer faalt. Het aan het Europese overleveringsrecht ten grondslag liggende vertrouwensbeginsel brengt immers met zich mee dat het hof in beginsel niet gehouden is de overlevering door Duitsland aan Nederland op juistheid te toetsen. Pas als er sterke aanwijzingen zijn dat met betrekking tot de overleveringsprocedure evidente schendingen hebben plaatsgevonden, is dat anders. Het hof kan aan de zich in het dossier bevindende stukken en de door de verdediging overgelegde beslissing van de Duitse overleveringsrechter geen aanwijzingen ontlenen dat dit het geval is geweest.

Schending specialiteitsbeginsel

Bij de bespreking van het verweer van de verdediging dat er voor wat betreft de feiten 1 primair, 1 subsidiair, 2 subsidiair, 4, 5 subsidiair, 8, 12 en 13 sprake is van schending van het specialiteitsbeginsel stelt het hof het volgende voorop.

Op grond van artikel 8 van het Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ) (hierna: Kaderbesluit) dient een EAB onder meer ‘de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbaar feit’ en ‘een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit’ te vermelden.

Op grond van het in artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit neergelegde specialiteitsbeginsel mag een overgeleverde persoon niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid worden beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welke de reden tot de overlevering is geweest (specialiteitsbeginsel).

In de zaak [naam 1] en [naam 2] (HvJ EG 1 december 2008, NJ 2009, 394, m.nt. [naam 3] , ECLI:EU:C:2008:669), heeft het Hof van Justitie uiteengezet wanneer sprake is van ‘enig ander feit’. Het hof van Justitie overweegt daarin onder meer:

“55. Om – met betrekking tot het vereiste van toestemming – uit te maken of een procedurele handeling leidt tot een ‘ander feit’ dan dat welk in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld, moet de omschrijving van het strafbare feit in het Europees aanhoudingsbevel worden vergeleken met de omschrijving in de latere procedurele handeling.

56. Vereisen dat de uitvoerende lidstaat voor iedere wijziging in de omschrijving van de feiten toestemming verleent, zou verder gaan dan wat het specialiteitsbeginsel verlangt en afdoen aan het doel, de in het kaderbesluit voorziene justitiële samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken en te bespoedigen.

57. Om uit te maken of al dan niet sprake is van ‘enig ander feit’ dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, moet worden nagegaan of de bestanddelen van het strafbare feit, volgens de wettelijke omschrijving die in de uitvaardigende lidstaat daarvan is gegeven, die zijn waarvoor de persoon is overgeleverd en of er voldoende overeenstemming is tussen de gegevens in het aanhoudingsbevel en de gegevens in de latere procedurele handeling. Wijzigingen in de omstandigheden tijd en plaats zijn toegestaan, mits zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen, zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het kaderbesluit.”

Bij de beoordeling van de vraag voor welke feiten de verdachte is overgeleverd betrekt het hof de inhoud van het EAB van 2 november 2021. De beslissing van de Duitse overleveringsrechter moet immers in samenhang met de inhoud van het EAB worden beoordeeld.1 In voornoemd EAB worden 21 feiten vermeld, waaronder ‘overtreding van art. 138b Sr’, ‘belaging’ en/of ‘dwang’ (feit 1), ‘belaging/stalking’ (feit 2), ‘(poging) chantage/afpersing’ (feit 4), ‘belaging/stalking en/of dwang’, (feit 5) ‘oplichting’ (feit 8), ‘identiteitsfraude [getuige 7] ’ en ‘identiteitsfraude [gerechtsdeurwaarder 9] ’ (feit 12) en ‘gewoontewitwassen’ (feit 13).

Het hof stelt vast dat de gehele tenlastelegging zoals die nu aan de orde is, valt onder de feitelijke omschrijvingen die zijn gegeven in het EAB van 2 november 2021. Dat het EAB ten aanzien van feit 2 niet expliciet ‘dwang’ als kwalificatie noemt en ten aanzien van feit 4 als kwalificatie ‘(poging) chantage/afpersing’ vermeldt, maar ‘bedreiging’ is tenlastegelegd, maakt niet dat sprake is van schending van het specialiteitsbeginsel, nu de feitelijke omschrijving van feit 4 in het EAB overeenkomt met hetgeen in deze procedure aan verdachte is tenlastegelegd.

De vervolging is derhalve naar het oordeel van het hof evident niet wegens andere feiten dan de feiten die de reden waren tot overlevering. Het verweer met betrekking tot schending van het specialiteitsbeginsel wordt daarom verworpen.

Ontbreken volmacht

Ten aanzien van het verweer van de verdediging met betrekking tot het ontbreken van een volmacht voor het doen van aangifte van de feiten 1, 3, 5, 6, 7 of 12 overweegt het hof het volgende.

Uit artikel 163, eerste lid, Sv, waarnaar door de raadsman is verwezen, volgt dat de aangifte van een strafbar feit mondeling of schriftelijk bij een bevoegde ambtenaar geschiedt door de aangever in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van een bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. Op schending van dit vormvoorschrift staat echter geen nietigheid. Voorts volgt uit artikel 161 Sv dat een ieder die kennis draagt van een begaan strafbaar feit bevoegd is daarvan aangifte of klacht te doen.

De verweren van de raadsman stuiten af op het voorgaande en worden daarom verworpen.

Klachtvereiste

Het hof stelt met betrekking tot de door de raadsman gevoerde verweren ter zake van het onder 1 primair, tweede onderdeel, 2 primair en 5 primair tenlastegelegde (telkens ‘belaging’) het volgende voorop.

Belaging (ook wel ‘stalking’ genoemd) betreft een zogenaamd klachtdelict (artikel 285b, tweede lid, Sr). Dit betekent dat de vervolging van de verdachte niet plaatsvindt dan op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan (klachtgerechtigde).

Uit artikel 164, eerste lid, Sv volgt dat de klacht mondeling of schriftelijk bij de bevoegde ambtenaar geschiedt, hetzij door de klachtgerechtigde, hetzij door een ander, daartoe door hem van een bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. De klacht bestaat in een aangifte met verzoek tot vervolging. Indien een stuk wel een aangifte bevat maar geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging inhoudt, kan niettemin het bestaan van een klacht als omschreven in artikel 164 lid 1 Sv worden aangenomen. In dit laatste geval moet op grond van het onderzoek op de terechtzitting worden vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van dat stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld (HR 11 januari 1994, NJ 1994, 278).

Bij belaging van meerdere slachtoffers kan niet worden volstaan met één klacht (HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ4289).

Op grond van artikel 66, eerste lid, Sr dient een klacht te worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.

In het dossier bevindt zich met betrekking tot feit 1 een aangifte d.d. 10 mei 2019 van [getuige 18] namens DV&O ter zake van het ‘belemmeren van een geautomatiseerd werk’ (artikel 138b Sr) en een aanvullende schriftelijke verklaring van 19 september 2019 waarin door [getuige 18] wordt gesproken over stalking. De aangifte en de aanvullende schriftelijke verklaring houden echter geen uitdrukkelijk verzoek in tot vervolging ter zake van belaging. Voorts kan op grond van het onderzoek op de terechtzitting door het hof niet worden vastgesteld dat de medewerkers van DV&O, te weten [getuige 19] en [getuige 20] , ten tijde van het opmaken van de aangifte van 10 mei 2019 dan wel ten tijde van de schriftelijke aanvullende verklaring van 19 september 2019 de bedoeling hadden dat een vervolging ter zake van belaging zou worden ingesteld. De in de fase van hoger beroep ontvangen volmachten van [getuige 19] en [getuige 20] aan [getuige 10] om namens hen klacht te doen, maken dat oordeel niet anders nu het hof heeft vastgesteld dat er geen klacht door [getuige 10] is gedaan. Voor zover is beoogd om door middel van de volmachten alsnog klacht te doen, overweegt het hof dat deze klachten niet tijdig zijn gedaan.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het openbaar ministerie ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde belaging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

Ten aanzien van de onder 2 primair tenlastegelegde ‘belaging’ van aangever [getuige 1] is door de raadsman van verdachte aangevoerd dat een klacht ontbreekt, dan wel de klacht niet binnen de geldende klachttermijn van drie maanden is ingediend.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 juli 2019 blijkt dat [getuige 1] aangifte heeft gedaan van belaging gepleegd in de periode van [periode 2] . Op pagina 1280 van het dossier bevindt zich voorts een klacht van aangever, gedaan op 21 augustus 2019, waarin hij uitdrukkelijk heeft verzocht om tot vervolging over te gaan.

Belaging is een voortdurend delict in die zin dat het zich – gelet op het delictsbestanddeel ‘stelselmatig’ – met een bepaalde intensiteit en frequentie uitstrekt over een zeker tijdvak. Bepalend is of de klacht uiterlijk binnen drie maanden na afloop van dat tijdvak is gedaan.

Nu klacht is gedaan binnen drie maanden na 15 juli 2019, namelijk op 21 augustus 2019, is dit tijdig geschied. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Voor wat betreft het onder 5 primair tenlastegelegde belaging van medewerkers van [Ziekenhuis 3] overweegt het hof als volgt.

Op 13 maart 2019 is door [getuige 13] namens [Ziekenhuis 3] aangifte en klacht gedaan van belaging in de periode van 12 februari 2019 tot en met 13 maart 2019. In de aangifte en klacht is evenwel niet vermeld dat [getuige 13] aangifte en klacht heeft gedaan namens medewerkers van [Ziekenhuis 3] ( [medewerker 1 ziekenhuis 3] en [medewerker 2 ziekenhuis 3] ). De aangifte en klacht houden voorts geen uitdrukkelijk verzoek in tot vervolging ter zake van belaging van voornoemde medewerkers van [Ziekenhuis 3] . Op grond van het onderzoek op de terechtzitting kan door het hof voorts niet worden vastgesteld dat de medewerkers van [Ziekenhuis 3] ten tijde van het opmaken van de aangifte van 13 maart 2019 de bedoeling hadden dat een vervolging ter zake van belaging zou worden ingesteld. De in de fase van hoger beroep ontvangen volmachten van [medewerker 1 ziekenhuis 3] en [medewerker 2 ziekenhuis 3] aan [getuige 13] om namens hen klacht te doen, maken dat oordeel niet anders nu het hof heeft vastgesteld dat er geen klacht door [getuige 13] is gedaan namens [medewerker 1 ziekenhuis 3] en [medewerker 2 ziekenhuis 3] . Voor zover is beoogd om door middel van de volmachten alsnog klacht te doen, overweegt het hof dat deze klachten niet tijdig zijn gedaan.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het openbaar ministerie ten aanzien van de onder 5 primair tenlastegelegde belaging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

Rechtsmacht

Onder 13 is aan verdachte tenlastegelegd dat hij zich in de periode van [periode 11] schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen (primair) dan wel eenvoudig witwassen (subsidiair) in Duitsland en/of Malta en/of Denemarken en/of (elders) in Europa.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is kennis te nemen van deze feiten. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van artikel 7, eerste lid, Sr is de Nederlandse strafwet van toepassing op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.

Het hof stelt ten eerste vast dat verdachte de Nederlandse nationaliteit heeft.2 Voorts stelt het hof vast dat ‘witwassen’ als misdrijf wordt beschouwd door de Nederlandse strafwet. Vervolgens dient het hof vast te stellen dat op ‘witwassen’ straf is gesteld door de wet van het land waar het begaan is.

In zijn verhoor bij de politie op 14 januari 2020 heeft verdachte verklaard dat hij 97% van de tijd in het buitenland verblijft en dat hij in de periode voor zijn detentie verbleef in Malta, Tsjechië, Duitsland, Denemarken, Spanje, Oostenrijk, Polen, Zwitserland en Finland. Uit het feit dat ‘witwassen van opbrengsten van misdrijven’ een lijstfeit betreft als vermeld in artikel 2 van het Kaderbesluit, kan worden afgeleid dat op dat feit straf is gesteld in de lidstaten van de Europese Unie. Derhalve kan voor Malta, Tsjechië, Duitsland, Denemarken, Spanje, Oostenrijk, Polen en Finland (alle lidstaat van de Europese Unie) worden vastgesteld dat er straf is gesteld op ‘witwassen.’ Voorts stelt het hof vast dat uit artikel 305bis van de Code Pénal Suisse blijkt dat ook in Zwitserland straf is gesteld op ‘witwassen.’

Gelet op het voorgaande komt aan Nederland rechtsmacht toe voor wat betreft het onder 13 primair en subsidiair tenlastegelegde. Het hof verwerpt aldus het verweer.

Conclusie

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het, behalve ten aanzien van de onder 1 primair en 5 primair tenlastegelegde belaging, ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1. primair

Standpunt verdediging

Ten laste is gelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf van artikel 138b Sr. Dat artikel is gericht op computercriminaliteit en ziet op spamming en bombing waardoor een server plat komt te liggen. Daarvan was in dit geval geen sprake. Verdachte heeft zich geen toegang verschaft tot de telefooncentrale van DV&O of enig ander geautomatiseerd werk. Bovendien ontbrak bij verdachte het opzet om een geautomatiseerd werk te belemmeren, ook in voorwaardelijke vorm. Verdachte had geen ander doel dan in de nachtelijke uren kletsen en een beetje dollen. Voorts is geen sprake van het ‘wederrechtelijk’ belemmeren van een geautomatiseerd werk. Door medewerkers van DV&O werd immers gevraagd om terug te bellen en zij gaven het regelmatig aan het wel gezellig te vinden dat verdachte belde. Aan verdachte is ook nooit kenbaar gemaakt dat hij een geautomatiseerd werk belemmerde.

Standpunt advocaat-generaal

Het ontbreken van de intentie om het geautomatiseerd werk te belemmeren is bewijsrechtelijk niet relevant. Artikel 138b Sr verlangt geen bijzondere intentie bij het verrichten van de in de tenlastelegging vermelde feitelijke gedragingen. Uit de bewijsmiddelen kan het opzettelijk en wederrechtelijk belemmeren van de toegang of het gebruik van het telefoonsysteem van DV&O worden afgeleid.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard. Hiertoe overweegt het hof dat het, gelet op het vele malen bellen door verdachte van de telefooncentrale van DV&O, het opzetten van conference calls tussen DV&O en andere partijen en het doorverbinden van DV&O naar andere organisaties, ook voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat hij daarmee het normale functioneren van de telefooncentrale van DV&O heeft belemmerd. Daarmee heeft hij opzettelijk en wederrechtelijk de toegang tot een geautomatiseerd werk belemmerd. Dat hem op enig moment door een medewerker van DV&O is gevraagd om later terug te bellen doet daar niet aan af.

Feit 1. subsidiair

Standpunt advocaat-generaal

Door de advocaat-generaal is de vraag opgeworpen of, nu het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor de onder 1 primair tenlastegelegde belaging, moet worden beoordeeld of de subsidiair tenlastegelegde dwang aan de orde is. De advocaat-generaal heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de tenlastelegging zo dient te worden gelezen dat de dwang enkel als subsidiair is gerelateerd aan de primair tenlastegelegde belaging. De tenlastelegging is dan in zijn geheel op te vatten als 1. 138b Sr en/of 2a. belaging, subsidiair 2b. dwang. Deze interpretatie sluit aan bij de bewoordingen en de strekking van de verschillende aan de verdachte gemaakte verwijten. Het misdrijf van artikel 138b Sr is gericht tegen de verstoring van de werking van een telefoonsysteem, terwijl het bij belaging en dwang gaat om de effecten van de intensieve telefonades van verdachte op de medewerkers van DV&O.

De advocaat-generaal heeft voorts betoogd dat de subsidiair tenlastegelegde ‘dwang’ wettig en overtuigend kan worden bewezen. De feitelijke dwanghandeling bestaat uit het onverhoeds aangaan en voeren van vaak minutenlange telefoongesprekken met de medewerkers van DV&O. Verdachte maakte het met zijn stroom aan telefoontjes voor die medewerkers onmogelijk om zich aan deze feitelijke gedragingen te onttrekken waardoor zij hebben moeten dulden dat verdachte minutenlang een gesprek met hen heeft gevoerd waarin soms intimiderende details aan bod kwamen.

Oordeel van het hof

Het hof volgt de advocaat-generaal niet in zijn standpunt. Nu het hof het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen acht, komt het hof niet toe aan de beoordeling van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit.

Feit 2. primair

Standpunt verdediging

Ten aanzien van de onder 2 primair tenlastegelegde belaging van aangever [getuige 1] is door de verdediging aangevoerd dat geen sprake was van een zodanig intensieve belaging van aangever dat gesproken kan worden over een strafbare gedraging.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit feit.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr verschillende factoren van belang zijn: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).

Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, de volgende feiten en omstandigheden vast.

Uit de aangifte van [getuige 1] blijkt dat hij in de periode van [periode 2] vrijwel dagelijks, meerdere malen is gebeld door een spookbeller. Verdachte heeft erkend dat hij aangever in de tenlastegelegde periode meerdere keren heeft gebeld. Het bellen gebeurde hoofzakelijk tijdens de nachtelijke uren. Soms werd de verbinding gelijk verbroken, soms sprak de spookbeller zelf met aangever en op andere moment werd aangever doorverbonden met derden of werd hij toegevoegd aan een conference call. In één van de gesprekken hoorde aangever de spookbeller zeggen dat hij bij hem de ramen wilde ingooien.

Het hof is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer sprake is geweest.

Het hof acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de tenlastegelegde belaging schuldig heeft gemaakt.

Feit 3

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs waaruit blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van medewerkers van het [Ziekenhuis 1] te [plaats 1] . Er is slechts sprake van één stemherkenning aan de hand van een fragment van slechts enkele seconden.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit feit.

Oordeel van het hof

Verdachte heeft ter zitting van het hof erkend dat hij gebeld heeft met het [Ziekenhuis 1] te [plaats 1] , dat hij niet meer weet wat hij gezegd heeft maar dat het geen aardige dingen geweest zullen zijn. Het hof heeft voorts geen enkele reden om te twijfelen aan de inhoud van de aangifte en acht dit feit derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4

Standpunt verdediging

Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat het klopt dat hij heeft gebeld met het [Ziekenhuis 2] in de tenlastegelegde periode. Hij kan zich echter niet meer herinneren dat hij de dingen heeft gezegd zoals die zijn tenlastegelegd.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit feit.

Oordeel van het hof

Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 22 oktober 2020 verklaard dat hij in de nacht van 2 op 3 oktober 2019 het [Ziekenhuis 2] heeft gebeld en dat het niet vriendelijk is geweest wat hij heeft gezegd. Het hof heeft voorts geen enkele reden om te twijfelen aan de inhoud van de aangifte en acht dit feit derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Het hof zal verdachte conform de beslissing van de rechtbank vrijspreken van de uitlatingen die verdachte heeft gedaan in het telefoongesprek met 112, nu niet uit de stukken blijkt dat die bedreiging ter kennis is gebracht bij de bedreigden.

Feit 5 subsidiair

Zowel de raadsman van verdachte als de advocaat-generaal hebben geen standpunt ingenomen over de bewijsbaarheid van het onder 5 subsidiair tenlastegelegde.

Oordeel van het hof

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, blijkt dat verdachte in een periode van circa een maand tijd 1500 keer heeft gebeld met [Ziekenhuis 3] , hetgeen neerkomt op circa 50 keer per nacht. Ook na die periode heeft verdachte nog met Rijnstate gebeld. De medewerkers van Rijnstate hielden de gesprekken kort, maar verdachte belde dan direct terug. Verdachte heeft met voornoemd gedrag de medewerkers van de [Ziekenhuis 3] gedwongen iets te dulden, te weten het (telkens) te woord staan van verdachte en het aanhoren van verdachte. Daarmee acht het hof het onder 5 subsidiair tenlastegelegde bewezen.

Feit 6

Standpunt verdediging

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 3 maart 2022 ontkend dit feit te hebben gepleegd.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit feit.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Feit 7

Standpunt verdediging

Door de verdediging is vrijspraak van het onder 7 tenlastegelegde bepleit. Verdachte heeft in paniek gebeld met het ziekenhuis omdat hij tuberculose had. Hij heeft niet gedreigd maar enkel medegedeeld dat hij bang was om iedereen te besmetten.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit feit.

Oordeel van het hof

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging. Hiertoe overweegt het hof dat sprake is van een gedetailleerde aangifte van [getuige 15] namens het slachtoffer [medewerker ziekenhuis 5] . In de aangifte is onder meer vermeld dat verdachte via de telefoon heeft gezegd: “Ik kom nu naar het ziekenhuis, want ik wil zo veel mogelijk mensen besmetten en ik begin bij jou. Je bent nu alleen.” Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij inderdaad met het [Ziekenhuis 5] heeft gebeld en dat hij heeft gesproken over tuberculose. Die verklaring van verdachte biedt voldoende steun voor de aangifte, zodat het hof dit feit wettig en overtuigend bewezen acht.

Feiten 8, 9 en 10

Verdachte heeft deze feiten bekend. Het hof acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen. Wel zal het hof verdachte, conform het vonnis van de rechtbank, telkens vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen.

Feit 11

Standpunt verdediging

Door de verdediging is vrijspraak van het onder 11 tenlastegelegde bepleit wegens onvoldoende bewijs. Verdachte ontkent deze feiten te hebben gepleegd. Hij heeft nooit mensen via Marktplaats opgelicht. Er is sprake van een andere modus operandi dan bij de oplichtingen die wel door verdachte zijn bekend.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit feit.

Oordeel van het hof

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte de onder 11 tenlastegelegde ‘oplichting’ heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Hiertoe overweegt het hof het volgende.

Verdachte heeft ontkend dat hij verantwoordelijk is voor de oplichting van aangevers via Marktplaats. Aan de hand van het dossier kan worden vastgesteld dat op de buitenlandse bankrekening van verdachte geld is gestort dat afkomstig is uit misdrijf (namelijk de oplichting van aangevers via Marktplaats). Dat enkele feit is echter onvoldoende om verdachte te veroordelen voor oplichting. Het dossier bevat onvoldoende bewijs om verdachte te linken aan de oplichting via Marktplaats, zodat vrijspraak dient te volgen.

Feit 12

Standpunt verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit van de onder 12 tenlastegelegde ‘identiteitsfraude.’ Daartoe is aangevoerd dat artikel 231b Sr slechts is bedoeld om misbruik van identificerende persoonsgegevens van natuurlijke personen strafbaar te stellen en niet voor gegevens van een rechtspersoon. Dit volgt niet alleen uit de bewoordingen van het artikel, maar vindt ook steun in de wetsgeschiedenis en totstandkoming van het artikel.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat [getuige 7] feitelijk stelt dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de handelsnaam ‘ [gerechtsdeurwaarder 12] ’, maar daarvan is geen aangifte gedaan zodat verdachte voor wat betreft dat deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot partiële bewezenverklaring van dit feit. Daartoe is door de advocaat-generaal het volgende aangevoerd. De wetsgeschiedenis biedt onvoldoende grond om, zoals de rechtbank heeft gedaan, aan te nemen dat artikel 231b Sr enkel ziet op identificerende persoonsgegevens van natuurlijke personen. In een meer teleologische benadering ligt het eerder voor de hand om ervan uit te gaan dat ook rechtspersonen in het maatschappelijke verkeer gebruikmaken van identificerende persoonsgegevens, zoals naam, logo, adres, vestigingsplaats, account en bankrekeningnummer en dat ook van die identificerende gegevens misbruik kan worden gemaakt. Voorts is er geen enkele discussie over het uitgangspunt dat artikel 126nc Sv, waarin het gaat over het vorderen van identificerende gegevens en wat daaronder moet worden verstaan, ook betrekking heeft op rechtspersonen.

Het onderdeel van het tenlastegelegde feit dat betrekking heeft op [gerechtsdeurwaarder 9] kan wettig en overtuigend worden bewezen. Het gaat hier blijkens de aangifte van [gerechtsdeurwaarder 9] om misbruik van gegevens van een werkelijk bestaand deurwaarderskantoor. Van het onderdeel dat betrekking heeft op ‘ [gerechtsdeurwaarder 12] ’ dient verdachte te worden vrijgesproken. Op het moment van het versturen van de e-mails door verdachte ging het om een niet langer bestaand kantoor. Voorts heeft de combinatie van gebruikte gegevens onvoldoende identificerend vermogen.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat artikel 231b Sr ook betrekking heeft op rechtspersonen. Niet valt in te zien waarom het artikel enkel betrekking zou hebben op identificerende gegevens van natuurlijke personen. Het hof verwerpt in zoverre het verweer van de verdediging.

Het hof acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan identiteitsfraude met betrekking tot [gerechtsdeurwaarder 9] . Het ging op het moment van versturen van de e-mails door verdachte om een bestaand gerechtsdeurwaarderskantoor. Het gebruik van de bedrijfsnaam ‘ [gerechtsdeurwaarder 9] ’ in combinatie met het e-mailadres ‘ [gerechtsdeurwaarder 9] ’ heeft naar het oordeel van het hof voldoende identificerend vermogen.

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op ‘ [gerechtsdeurwaarder 12] ’, nu ‘ [gerechtsdeurwaarder 12] ’ niet meer bestond op het moment van het versturen van de e-mails door verdachte en onder die omstandigheid de combinatie van de naam [gerechtsdeurwaarder 12] ’ en het e-mailadres ‘ [gerechtsdeurwaarder 7] ’ onvoldoende identificerend vermogen heeft.

Feit 13

Standpunt verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen in de tenlastegelegde landen.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde gewoontewitwassen en daarbij verwezen naar de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en bewijsmotivering.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat op buitenlandse bankrekeningen van verdachte diverse geldbedragen zijn ontvangen, waarbij het hof – net als de rechtbank – ervan uitgaat dat deze geldbedragen afkomstig zijn uit misdrijf, namelijk oplichting, en dat verdachte een groot deel van deze geldbedragen contant heeft opgenomen, overgeboekt naar Mediamarkt of overgeboekt naar andere accounts en bankrekeningen, en dus heeft omgezet.

Gelet op het voorgaande en gelet op de duur en frequentie waarmee de betalingen hebben plaatsgevonden, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 13 primair tenlastegelegde gewoontewitwassen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 subsidiair, 6, 7, 8, 9, 10, 12 en 13 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair
hij in de periode van [periode 1] te [plaats 1] , gemeente [plaats 1] , meermalen opzettelijk en wederrechtelijk de toegang tot en het gebruik van een geautomatiseerd werk heeft belemmerd, door daaraan gegevens aan te bieden en/of toe te zenden door (zonder redelijk doel en/of in de nachtelijke uren)

- veelvuldig te bellen naar telefoonnummers van de Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O), onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en

- veelvuldig te bellen naar het noodnummer van DV&O en

- veelvuldig telefoonnummers van DV&O door te verbinden met diverse andere afdelingen en instellingen en

- hierdoor een of meer telefoonlijnen bezet te houden, althans te belemmeren;

2. primair
hij in de periode van [periode 2] te [plaats 2] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van J.W. [getuige 1] , door (zonder redelijk doel en/of in de nachtelijke uren)

- veelvuldig te bellen naar die [getuige 1] en

- die [getuige 1] veelvuldig door te verbinden met diverse ziekenhuizen en instellingen met het oogmerk die [getuige 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen;

3.
hij in de periode van [periode 3] te [plaats 1] , medewerkers van het [Ziekenhuis 1] te [plaats 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door aan een andere medewerker van het [Ziekenhuis 1] te [plaats 1] telefonisch dreigend de woorden toe te voegen: “Ik heb twee familieleden van het personeel en ik doe ze iets aan” en “Ik heb twee personeelsleden, ik wil onderhandelaar als ik niemand te spreken krijg maak ik ze dood”;

4.
hij in de periode van [periode 3] , te [plaats 3] , een of meer medewerkers van het [Ziekenhuis 2] te [plaats 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door aan een medewerker van dit ziekenhuis telefonisch dreigend de woorden toe te voegen:

- “ Ik heb twee personeelsleden ontvoerd” en

- “ Ik ga ze doodschieten en zoek een onderhandelaar”;

5. subsidiair
hij in de periode van [periode 4] te [plaats 4] , gemeente [plaats 4] , medewerkers van de [Ziekenhuis 3] , door enige andere feitelijkheid, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het telkens te woord staan van verdachte en het aanhoren van verdachte, door zonder redelijk doel en/of in de nachtelijke uren

- veelvuldig te bellen naar de receptie, centrale beveiliging en/of andere afdelingen van voornoemd ziekenhuis en

- veelvuldig medewerkers van (diverse afdelingen van) buitenlandse en binnenlandse ziekenhuizen door te verbinden met diverse afdelingen van voornoemd ziekenhuis;

6.
hij in de periode van [periode 5] te [plaats 5] , [centralist huisartsenpost] ) en [medewerker ziekenhuis 4] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door tegen die [centralist huisartsenpost] en [medewerker ziekenhuis 4] te zeggen dat hij, verdachte

- naar het ziekenhuis zou komen met een wapen om mensen neer te schieten en

- een patiënt onder bedreiging van een vuurwapen zou komen ophalen;

7.
hij op [datum] te [plaats 6] , [medewerker ziekenhuis 5] (medewerker [Ziekenhuis 5] ), telefonisch heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [medewerker ziekenhuis 5] telefonisch dreigend de woorden toe te voegen:

- “ Ik heb tuberculose” en “Ik kom nu naar het ziekenhuis want ik wil zoveel mogelijk mensen besmetten en ik begin bij jou. Je bent nu alleen”;

8.
hij in de periode van [periode 6] te [plaats 7] , gemeente [gemeente 2] , met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [getuige 21] , heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten het bewegen tot afgifte van meerdere geldbedragen van in totaal 10.443,67 euro en het ter beschikking stellen van zijn persoonsgegevens, door

- zich voor te doen als medewerker van een niet bestaand gerechtsdeurwaarderskantoor “ [gerechtsdeurwaarder 1] ” en

- meerdere e-mails te sturen naar die [getuige 21] , als waren deze afkomstig van gerechtsdeurwaarderskantoor [gerechtsdeurwaarder 1] , inhoudende dat die [getuige 21] een openstaande vordering moest betalen of inhoudende een dreiging met beslaglegging indien de openstaande vordering niet tijdig zou worden betaald en

- meerdere e-mails te sturen naar die [getuige 21] , als waren deze afkomstig van gerechtsdeurwaarderskantoor [gerechtsdeurwaarder 1] , inhoudende dat dit een “dwangbevel in naam der Koning” betrof en dat die [getuige 21] op de dag van ontvangst van de e-mail een geldbedrag moest overmaken en inhoudende een dreiging met beslaglegging indien de openstaande vordering niet tijdig zou worden betaald en

- via de live-chat op de website van “ [gerechtsdeurwaarder 1] gerechtsdeurwaarderskantoor” contact te hebben met die [getuige 21] en aan te geven dat die [getuige 21] via iDeal kon betalen en die [getuige 21] te verzoeken om handelingen te verrichten met zijn bankpas en Rabo-scanner om de geldbedrag over te maken en

- die [getuige 21] te vragen om de gegevens van zijn identiteitsbewijs om het dossier af te sluiten,

waardoor die [getuige 21] werd bewogen tot bovenomschreven afgiften;


9.
hij in de periode van [periode 7] , te [plaats 8] , [plaats 9] en [plaats 10] , meermalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, aangevers, te weten:

- [getuige 8] en

- [getuige 9] en

- [getuige 10]

te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten afgifte van geldbedragen, immers heeft verdachte

- namens niet bestaande en niet aan hem toebehorende gerechtsdeurwaarderskantoren een of meerdere e-mailberichten gestuurd naar voornoemde aangevers met daarin de tekst dat

- aangevers hadden deelgenomen aan enquêtes, winacties of spelletjes of apps hadden gedownload en dat de kosten daarvan niet waren voldaan en dat hiervoor nog een bedrag moest worden overgeboekt of dat er nog een vordering openstond en

- de openstaande vorderingen inmiddels waren verhoogd met wettelijke incassokosten en handelingsrente en

- er beslag zou worden gelegd op de inboedel en/of de bankrekening van voornoemde aangevers en de kosten van de dagvaarding, beslaglegging en/of griffiekosten in rekening zouden worden gebracht en

- er werd verzocht om de in de aangifte genoemde geldbedragen over te boeken op de bankrekeningnummers

- [bankrekeningnummer 1] en

- [bankrekeningnummer 2] en

- [bankrekeningnummer 3] ,

toebehorende aan verdachte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

10.
hij in de periode van [periode 12] te [plaats 12] , [plaats 13] en [plaats 14] , meermalen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, aangevers te weten:

- [getuige 2] en

- [getuige 3] en

- [getuige 4]

heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten afgifte van geldbedragen en giftcards met daarop geldbedragen, door

- namens niet bestaande en niet aan hem toebehorende gerechtsdeurwaarderskantoren een of meerdere e-mailberichten te sturen naar voornoemde aangevers met daarin de tekst dat

- voornoemde aangevers hadden deelgenomen aan enquêtes of diensten hadden afgenomen en dat de kosten daarvan niet zouden zijn voldaan of dat hiervoor nog een bedrag moest worden overgeboekt of dat er nog een vordering openstond en

- de openstaande vorderingen inmiddels waren verhoogd met wettelijke incassokosten en rente en

- er beslag zou worden gelegd op de inboedel en/of de bankrekening van voornoemde aangevers en

- dit een dwangbevel betrof en indien er niet (tijdig) betaald zou worden, aangevers gedagvaard zouden worden en de kosten van de dagvaarding, beslaglegging en griffiekosten in rekening zouden worden gebracht en

- er werd verzocht om de bedragen over te boeken op bankrekeningnummers, te weten

- [bankrekeningnummer 4] en

- [bankrekeningnummer 5] en

- [bankrekeningnummer 3] en

- [bankrekeningnummer 6]

toebehorende aan verdachte en

- er betaald kon worden middels een giftcard en

- via live-chat op de website van Bekker gerechtsdeurwaarders contact te hebben met aangever [getuige 2] en aan te geven dat er direct betaald moest worden en aan te geven dat indien er niet (tijdig) betaald zou worden er beslag zou worden gelegd op het inkomen en de bankrekeningen,

waardoor die aangevers werden bewogen tot bovenomschreven afgiften;

12.
hij in de periode van [periode 10] , te [plaats 11] , meermalen, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten, te weten de bedrijfsnaam " [gerechtsdeurwaarder 9] " en het e-mailadres " [gerechtsdeurwaarder 9] ", zijnde identificerende gegevens toebehorende aan " [gerechtsdeurwaarder 9] ", gevestigd te [plaats 11] , heeft misbruikt door e-mailberichten te versturen naar aangevers, zogenaamd afkomstig van voornoemd gerechtsdeurwaarderskantoor, met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;

13. primair
hij in de periode van [periode 11] , in Duitsland, en/of in Malta en/of in Denemarken en/of elders in Europa van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte stelselmatig en op meerdere tijdstippen in voornoemde periode meerdere voorwerpen, te weten geldbedragen tot een bedrag van 23.065,12 euro omgezet, voorhanden gehad en van die geldbedragen gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat genoemde voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk toegang tot een geautomatiseerd werk belemmeren door daaraan gegevens aan te bieden of toe te zenden, meermalen gepleegd.

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

belaging.

Het onder 3, 4 en 6 bewezenverklaarde levert op:

telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Het onder 5 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te dulden, meermalen gepleegd.

Het onder 7 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Het onder 8 en 10 bewezenverklaarde levert op:

telkens: oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 9 bewezenverklaarde levert op:

poging tot oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 12 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan.

Het onder 13 primair bewezenverklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende een jaar tijd schuldig gemaakt aan het plegen van meerdere misdrijven. Zo heeft verdachte, door veelvuldig te bellen met een telefooncentrale en het opzetten van zogeheten conference calls, de toegang tot een geautomatiseerd werk belemmerd. Verdachte heeft met zijn gedragingen onrust veroorzaakt bij de aangevallen dienst, ervoor gezorgd dat werkzaamheden niet meer op een normale wijze konden worden verricht en de bedrijfsvoering ernstig werd verstoord. Verdachte heeft met dit handelen enkel gedacht aan zijn eigen behoefte om met mensen te praten zonder zich te bekommeren om de gevolgen voor anderen.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belaging van een man op leeftijd. Hij heeft het slachtoffer lastiggevallen door hem veelvuldig tijdens nachtelijke uren te bellen. Hij heeft zodoende herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Feiten als het onderhavige worden door slachtoffers doorgaans bovendien als beangstigend en bedreigend ervaren.

Verdachte heeft zich voorts meerdere malen schuldig gemaakt aan bedreiging van ziekenhuispersoneel van diverse ziekenhuizen. Dergelijke bedreigingen zijn doorgaans voor de slachtoffers zeer beangstigend. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan dwang door veelvuldig te bellen met een ziekenhuis waardoor het personeel van dat ziekenhuis verdachte telkens te woord moesten staan. Er is daardoor blijkens de aangifte veel onrust binnen het ziekenhuis ontstaan.

Naast vernoemde feiten heeft verdachte zich ook bezig gehouden met oplichtingspraktijken en het witwassen van geld. Het hof neemt navolgende passage over uit het vonnis van de rechtbank dat daarop betrekking heeft:

“Verdachte heeft gedurende langere tijd inkomsten gehaald uit geraffineerde vormen van oplichting. De daarmee verkregen aanzienlijke sommen geld heeft hij witgewassen. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan een aantal pogingen tot oplichting. Door zich voor te doen als iemand van een gerechtsdeurwaarderskantoor en te dreigen met hoge kosten en beslaglegging als er niet zou worden betaald, heeft hij ervoor gezorgd dat een deel van de mensen uit angst gingen betalen. Zij hebben hierdoor financiële schade geleden en bovendien heeft hun vertrouwen in anderen een deuk opgelopen. Het is aangrijpend om te lezen dat [getuige 21] en [getuige 2] leningen hebben moeten afsluiten om verdachte te betalen, en dat zij in grote angst hebben geleefd al hun bezittingen te zullen verliezen. Verdachte heeft er voor gekozen om op illegale wijze aan zijn inkomsten te komen om daarmee een luxe leven te kunnen leiden. Hij heeft zich daarbij niets aangetrokken van de schade die hij daarmee aan anderen heeft toegebracht. De rechtbank rekent hem dit aan.”

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan identiteitsfraude door misbruik te maken van de identificerende persoonsgegevens van een gerechtsdeurwaarderskantoor.

Uit het uittreksel justitiële documentatie van 25 januari 2022 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor oplichtingen en pogingen daartoe. Het hof houdt hiermee in strafverzwarende zin rekening.

Het hof neemt navolgende passage over uit het vonnis van de rechtbank dat betrekking heeft op de persoon van verdachte:

“Op 4 mei 2020 is er een rapport uitgebracht door psycholoog [psycholoog] . Zij concludeerde dat bij verdachte sprake is van ernstige stoornissen in de zin van een autismespectrumstoornis en een obsessief-compulsieve stoornis.

Verdachte is vervolgens in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis opgenomen in [instelling] om daar de noodzakelijk geachte behandeling te starten. Verdachte heeft die behandeling vroegtijdig gestopt waarna de schorsing van de voorlopige hechtenis is opgeheven.

Op 19 oktober 2020 is er een aanvullend rapport uitgebracht door psycholoog [psycholoog] . De vraag aan de psycholoog was of de mislukte opname in [instelling] reden gaf om haar eerdere advies te herzien. In deze rapportage concludeert zij dat verdachte in het vorige onderzoek klachten opzettelijk heeft gefingeerd en gesimuleerd, mogelijk met als doel zijn procespositie te beïnvloeden en een advies van verminderde toerekeningsvatbaarheid te verkrijgen. Ditmaal lijkt hij juist sterk de nadruk te willen leggen op het niet hebben van een stoornis en geeft hij aan de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, bij volle verstand en bewustzijn te hebben gepleegd, om zich zo de ten laste gelegde feiten volledig te laten toerekenen.

Zij stelt dat het aannemelijk is geworden dat het vorige onderzoek weliswaar diagnostisch van waarde is, maar vooral in de zin van procesdiagnostiek nu verdachte de indruk heeft gewekt de beeldvorming over hem destijds bewust gemanipuleerd te hebben, waarin hij zich geraffineerd toont. De mate van ziekelijkheid (eventuele dwang) versus antisociale en/of narcistische kenmerken (persoonlijkheidsstoornis) laten zich volgens haar in de context van een ambulant onderzoek niet goed ontrafelen. Zij adviseert om verdachte te laten observeren/onderzoeken door het PBC. Aan de hand van verkregen beeldvorming over verdachte door het PBC kan de doorwerking van eventuele stoornissen in de ten laste gelegde feiten beter worden afgewogen, omdat het nu, op basis van voortschrijdend inzicht, ook lijkt dat deze doorwerking in het vorige onderzoek op basis van onjuiste informatie is afgewogen. Door een opname in het PBC kan ten slotte beter een afweging worden gemaakt of de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, beter afgestraft kunnen worden of dat er een intensieve behandeling noodzakelijk is, bijvoorbeeld door middel van oplegging van een maatregel, ook met het oog op de inschatting van het risico op herhaling.

Blijkens het rapport van de reclassering van 21 oktober 2020 sluit zij zich aan bij het advies van de psycholoog tot observatie van verdachte in het PBC.

Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij berekenend te werk is gegaan en hij zich ten overstaan van psycholoog [psycholoog] heeft voorgedaan als iemand met stoornissen met als doel volledig of deels ontoerekeningsvatbaar te worden verklaard om op die manier voor een lagere straf in aanmerking te komen. Dat heeft hij naar eigen zeggen in het verleden ook gedaan bij gelegenheid van Pro Justitia onderzoeken die eerder bij hem zijn uitgevoerd. Volgens verdachte is er niets met hem aan de hand en is hij volledig toerekeningsvatbaar.”

De rechtbank heeft in haar vonnis vervolgens overwogen opname van verdachte in het PBC niet opportuun te achten in het licht van de ernst van de feiten, waarbij met name van belang is dat er geen fysiek gevaar voor personen is geweest, alsmede zijn strafblad, waarop evenmin geweldsfeiten staan.

Het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen het vonnis richtte zich onder meer tegen die beslissing van de rechtbank. Het hof heeft op de regiezitting van 8 april 2021 het verzoek van het openbaar ministerie tot opname van verdachte in het PBC afgewezen en daarbij overwogen dat het opleggen van een TBS gelet op de aard van de feiten en het justitiële verleden van verdachte vanwege het gevaarscriterium waar aan moet zijn voldaan, niet meteen voor de hand ligt en voor het formuleren van eventuele voorwaarden bij een eventueel voorwaardelijk op te leggen straf is een gedwongen opname in het PBC niet opportuun.

Het hof merkt omtrent de persoon van verdachte nog het volgende op. Het hof maakt zich zorgen over de antisociale ontwikkeling die verdachte heeft doorgemaakt. Hij heeft zich op jonge leeftijd een onverantwoordelijke levensstijl aangemeten waarbij hij het grootste deel van de tijd doorbrengt in buitenlandse hotels en casino’s en waarbij hij zijn geld verdient via internetoplichtingen. Een deel van de tenlastegelegde feiten, te weten het veelvuldig bellen met personen en instanties, lijkt voort te komen uit die levensstijl omdat die gepaard gaat met eenzaamheid. Verdachte vertoont voorts manipulatief gedrag en er is sprake van totale onwil om serieus mee te willen werken aan diagnostiek en eventuele behandeling.

Het hof ziet gelet op het voorgaande geen andere optie dan het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf, te weten voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest. Het hof komt daarmee tot een hogere straf dan door de rechtbank is opgelegd. Dit komt doordat het hof meer feiten bewezen acht dan de rechtbank maar ook omdat het hof de straf van de rechtbank onvoldoende recht vindt doen aan de ernst en de aard van de bewezenverklaarde feiten. De door de advocaat-generaal gevorderde straf van 42 maanden acht het hof echter te fors.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Verzoek opheffing van de voorlopige hechtenis

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het hof verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

Met het wijzen van dit arrest zijn de gronden voor de voorlopige hechtenis en ernstige bezwaren tegen verdachte onverkort aanwezig en doet de situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv zich thans nog niet voor. Het hof wijst daarom het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis af.

Benadeelde partijen

Vordering van de benadeelde partij DV&O

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 46.594,65. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat onvoldoende informatie in het dossier aanwezig is om de vordering te kunnen beoordelen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd ten aanzien van de noodzaak van de gemaakte kosten. Het hof zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek, zodat de vordering kan worden toegelicht. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 1] (t.a.v. feit 2)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 600,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof zich ook bereid verklaard dit bedrag te willen betalen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 6]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 50,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 11 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 50,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 11 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 210,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 10 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 951,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 10 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 406,42. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het meer gevorderde ad € 545,48 is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden, nu uit de afschriften van de bankrekening van verdachte blijkt dat dat bedrag is teruggestort aan de benadeelde partij. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 509,97. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 259,97. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 10 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 259,97. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade ad € 250,-, is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst en onzekerheid vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt dan ook afgewezen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

[getuige 7]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.350,-. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Omtrent deze vordering kan derhalve in hoger beroep niet meer worden beslist.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 138b, 231b, 284, 285, 285b, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het onder 1 primair, tweede onderdeel, en 5 primair tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 11 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 subsidiair, 6, 7, 8, 9, 10, 12 en 13 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 subsidiair, 6, 7, 8, 9, 10, 12 en 13 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij DV&O

Verklaart de benadeelde partij DV&O niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij J.W. [getuige 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij J.W. [getuige 1] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 600,00 (zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [getuige 1] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 600,00 (zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 24 juni 2019.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 6]

Verklaart de benadeelde partij [getuige 6] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 5]

Verklaart de benadeelde partij [getuige 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [getuige 3] ter zake van het onder 10 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 210,00 (tweehonderdtien euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [getuige 3] , ter zake van het onder 10 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 210,00 (tweehonderdtien euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 mei 2019.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [getuige 2] ter zake van het onder 10 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 406,42 (vierhonderdzes euro en tweeënveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [getuige 2] , ter zake van het onder 10 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 406,42 (vierhonderdzes euro en tweeënveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 maart 2019.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [getuige 4] ter zake van het onder 10 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 259,97 (tweehonderdnegenenvijftig euro en zevenennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [getuige 4] , ter zake van het onder 10 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 259,97 (tweehonderdnegenenvijftig euro en zevenennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 januari 2019.

Aldus gewezen door

mr. M.C. Fuhler, voorzitter,

mr. T.H. Bosma en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Nicolai, griffier,

en op 31 maart 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Vgl. HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3994.

2 Dit blijkt onder meer uit de ID Staat op pagina 2484 van het dossier.