Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:2223

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2022
Datum publicatie
24-03-2022
Zaaknummer
21-006419-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte zich in 2003 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving door samen met zijn mededader een bejaarde man op zijn bed vast te binden, waarna verdachte of zijn mededader het slachtoffer meermalen met een mes in zijn hoofd en lichaam heeft gestoken. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en twee maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006419-15

Uitspraak d.d.: 24 maart 2022

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 29 oktober 2015 met parketnummer 08-952477-14 in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1982,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 14 november 2018, 17 maart 2021 en 10 februari 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. F. Jakob, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, heeft verdachte bij het vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep en zoals het hof het onder 1 tenlastegelegde begrijpt (zie: de overweging hierna) - tenlastegelegd dat:

1.
in of omstreeks de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 in de gemeente Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] een of meermalen met (een) mes(sen), althans met (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) in het hoofd en/of lichaam heeft/hebben gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair
hij in of omstreeks de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003, in de gemeente Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers is/zijn en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): - de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk binnengedrongen en/of - (vervolgens) de beide polsen, althans armen, en/of de beide enkels, althans benen, van die (slapende) [slachtoffer] met tape, althans bindmiddel, vastgebonden en/of vastgetapet en/of - (vervolgens) die vastgebonden en/of vastgetapete polsen, althans armen, en/of enkels, althans benen, met tape, althans bindmiddel op en/of aan het bed, althans de bedspijlen vastgebonden en/of vastgetapet en/of - (vervolgens) die [slachtoffer] een of meermalen op het hoofd en/of lichaam geslagen en/of gestompt en/of - (vervolgens) die [slachtoffer] een of meermalen met (een) mes(sen), althans scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) in het hoofd en/of lichaam gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. subsidiair
hij in of omstreeks de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 in de gemeente Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), immers is/zijn en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): - de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk binnengedrongen en/of - (vervolgens) de beide polsen, althans armen, en/of de beide enkels, althans benen, van die (slapende) [slachtoffer] met tape, althans bindmiddel, vastgebonden en/of vastgetapet en/of - (vervolgens) die vastgebonden en/of vastgetapete polsen, althans armen, en/of enkels, althans benen, met tape, althans bindmiddel op en/of aan het bed, althans de bedspijlen vastgebonden en/of vastgetapet en/of - (vervolgens) die [slachtoffer] een of meermalen op het hoofd en/of lichaam geslagen en/of gestompt en/of - (vervolgens) die [slachtoffer] een of meermalen met (een) mes(sen), althans scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) in het hoofd en/of lichaam gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. meer subsidiair
hij in of omstreeks de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003, in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers is/zijn en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): - de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk binnengedrongen en/of - (vervolgens) de beide polsen, althans armen, en/of de beide enkels, althans benen, van die (slapende) [slachtoffer] met tape, althans bindmiddel, vastgebonden en/of vastgetapet en/of - (vervolgens) die vastgebonden en/of vastgetapete polsen, althans armen, en/of enkels, althans benen, met tape, althans bindmiddel op en/of aan het bed, althans de bedspijlen vastgebonden en/of vastgetapet.

De kennelijke bedoeling van de opsteller van de tenlastelegging is om aan verdachte onder 1 het medeplegen van een poging doodslag ten laste te leggen. Daarom begrijpt het hof de ten laste gelegde feitelijke gedragingen waaruit dit delict zou hebben bestaan zo, dat die gedragingen door verdachte en/of zijn mededader(s) zouden zijn verricht. Het hof heeft de tekst van de tenlastelegging onder 1 daaraan aangepast en hierboven inclusief aanpassingen weergegeven.

Ook zijn eventueel in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan (conform de vordering van de advocaat-generaal) behoort te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde.

Verdachte heeft de feiten ontkend en als verklaring voor de aanwezigheid van zijn DNA op de plaats delict een scenario geschetst waarin twee personen die hij die nacht in de buurt van de woning heeft afgezet tape met zijn DNA erop hebben meegenomen, waarna zij die tape tijdens de overval hebben gebruikt.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Primair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het DNA van verdachte weliswaar op de plaats delict is aangetroffen, maar op verplaatsbare sporendragers, terwijl op de plaats delict het celmateriaal op die sporendragers ook weer verplaatst kan zijn. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, omdat niet is gebleken dat beide daders het voor medeplegen van poging tot doodslag vereiste opzet op de dood van het slachtoffer hebben gehad. Ten aanzien van het onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich subsidiair aan het oordeel van het hof gerefereerd.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hieronder zijn uitgewerkt. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Bewijsmiddelen

Voor zover niet anders vermeld, wordt hierna telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het dossier van de Politie Oost-Nederland (onderzoek [onderzoeksnaam] ; onderzoeksnummer [onderzoeksnummer] ) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina’s 1 tot en met 3313). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processenverbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Uit het dossier blijkt het volgende.

Het proces-verbaal van aangifte van 10 juli 2003 (pagina’s 2031 tot en met 2040), inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer] :

Ik doe aangifte van poging tot doodslag en wederrechtelijke vrijheidsbeneming gepleegd tussen 9 juli 2003 om 22:30 uur en 10 juli 2003 om 2:43 uur te Zwolle. Ik ben geboren op [geboortedatum 2] 1924. Vannacht werd ik wakker van een aanraking aan mijn handen. Ik wilde mijn armen bewegen, maar dit lukte niet, ik was vast. Ik zag dat aan beide zijden van het bed een man stond. Ik weet zeker dat het twee mannen waren. Aan de linkerzijde van mij stond de man, met in zijn rechterhand een mes. Toen ik wakker werd was ik nog niet gestoken. Plots voelde ik harde slagen op mijn hoofd. In totaal heb ik wel 3 of 4 slagen gehad op mijn hoofd. Ik zag dat beide mannen mij op mijn hoofd sloegen met de blote vuisten. Het volgende moment zag ik dat de man met het mes mij boven het linkeroog stak. Ik voelde een heftige pijn. Ik was bang dat hij mij wilde vermoorden. Ik heb het idee dat hij vanaf hoog met een boog van voren op mijn hoofd in stak. In totaal stak hij drie keer. Ik heb geprobeerd het mes af te weren. Ik heb het mes meerdere malen in mijn handen gehad. Ik heb dan ook snijwonden in mijn handen. Het geweld hield plots op. Toen de mannen weg waren heb ik mijn handen vrij gemaakt. Het was Hansaplast, ofzo, waarmee ik vastgebonden zat. Ik heb mijn handen losgewrongen. Dit duurde ongeveer 5 minuten. Daarna heb ik mijn voeten losgemaakt, die zaten op dezelfde manier vast met hetzelfde spul. De binnenpolsen van mijn handen zaten aan elkaar vastgebonden. Ook zaten mijn enkels aan elkaar vast. De enkels zaten ook vast aan een spijl van het bed, aan de achterkant. Het spul waarmee ik vast had gezeten, heb ik nadien van me afgegooid.

Het proces-verbaal van verhoor van 14 juli 2003 (pagina’s 2045 tot en met 2047), inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer] :

Ik heb een boven- en ondergebit. U vraagt mij of ik het gebit tijdens het incident uit had. Ik had het gebit uitgedaan toen ik naar bed ging, afgelopen woensdagavond. Ik heb later in het ziekenhuis gevraagd naar mijn gebit, ik had het in een potje liggen.

Een NFI-rapportage van 22 januari 2015 betreffende het onderzoek naar de aard en oorzaak van letsels die op 10 juli 2003 zijn vastgesteld bij de heer [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 1924 (pagina’s 3161 tot en met 3166) houdt in - zakelijk weergegeven - als verklaring van de rapporteur:

Bevindingen

  • -

    Aan de bovenzijde van het hoofd, juist rechts van de middenlijn, is een huidgebied met vlekkige rode verkleuringen.

  • -

    De oogleden van het linkeroog zijn gezwollen en roodpaars verkleurd. Ook de huid van de wang grenzend aan het onderooglid toont roodpaarse verkleuring, achterwaarts uitgebreid richting het oor.

  • -

    Onder het rechter onderooglid is zwelling en paarse verkleuring van de huid te zien.

  • -

    In de huid van de kin aan de linkerzijde bevindt zich een kleine rode verkleuring van de huid.

Bespreking

Bloeduitstorting door kneuzing van de huid en onderhuidse weke delen, veroorzaakt door de uitwendige inwerking van stomp botsend of samendrukkend mechanisch geweld, zoals bijvoorbeeld slaan, schoppen, vallen of (zich) stoten.

Mogelijk 16 van de 25 beschreven letsels (kunnen) zijn opgeleverd door snijden dan wel steken met een scherprandig en scherppuntig voorwerp zoals bijvoorbeeld een scherppuntig mes.

Een NFI-rapportage van 18 februari 2015 betreffende de beantwoording van een aanvullende vraag in navolging van de NFI-rapportage van 22 januari 2015 inzake de letsels van de heer [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 1924 (pagina’s 3167 tot en met 3172), houdt in - zakelijk weergegeven - als verklaring van de rapporteur:

De risico’s in de onderhavige casus

Bij de heer [slachtoffer] zijn meerdere letsels vastgesteld die het gevolg waren van

krassen, snijden en/of steken met een scherprandig en scherppuntig voorwerp, zoals een scherppuntig mes. Deze letsels bevonden zich voornamelijk aan het hoofd, de hals en de handen.

Snij/steekletsels in het hoofd en de hals kunnen resulteren in ernstige of zelfs fatale complicaties. Snij/steekletsels aan de handen kunnen invaliderende gevolgen hebben en door bloedverlies mogelijk in geringe mate een bijdrage leveren aan een ernstig of fataal beloop.

Het proces-verbaal van bevindingen van 18 februari 2004 (pagina’s 3006-3028), inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van de verbalisanten:

Op 10 juli 2003 stelden wij een onderzoek plaats delict in naar aanleiding van een gewelddadige overval op een man in zijn woning.

Foto 6

Opname van het bed met aan het voeteneinde van het bed een stuk tape, waarmee het slachtoffer was vastgemaakt aan het bed.

Sporen welke zijn veiliggesteld vanuit de slaapkamer

Object/spoor

Plaats aantreffen

SVO-nummer

Stukje tape

Onder bed

PL0400\03-086221-008-008

Stuk tape

Spijl voeteneind

PL0400\03-086221-008-010

Stuk tape

Linkerzijde matras

PL0400\03-086221-008-009

Foto 8

Opname van de keuken. Naast de kast zagen wij een stuk tape op de vloer liggen.

Sporen, veiliggesteld in de keuken:

Stuk tape

Naast keukenkast

PL0400\03-086221-008-013

Foto 9

Opname van de ruimte achter de boerderij. Deze ruimte was in gebruik als opslagruimte. In deze ruimte zagen wij een stukje tape op de vloer liggen.

Sporen veiliggesteld in de bergruimte:

Stuk tape

Vloer bergruimte

PL0400\03-086221-008-016

Het proces-verbaal van inbeslagneming van sporenmateriaal, inclusief de als bijlage bijgevoegde Sporenbijlage, van 18 juli 2003 (pagina’s 3051 en 3052), inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van de verbalisant:

Ik verklaar het sporenmateriaal, ten behoeve van forensisch DNA-onderzoek, zoals vermeld op de bij dit proces-verbaal behorende sporenbijlage, in beslag te hebben genomen.

Omschrijving delict:

Overval op een bejaarde man in zijn woning te Zwolle op 10 juli 2003.

Sporenbijlage ten behoeve van DNA-onderzoek

SPOREN:

SVO-nummer

Omschrijving stukken van overtuiging

SIN

PL0400\03-086221-008-008

Souche type: Stukje tape, plaats aantreffen: onder bed, voeteneind

AFD650

PL0400\03-086221-008-009

Souche type: Stukje tape, plaats aantreffen: linkerzijkant matras

AFD651

PL0400\03-086221-008-010

Souche type: Stukje tape, plaats aantreffen: spijl voeteneind

AFD652

PL0400\03-086221-008-013

Souche type: Stukje tape, plaats aantreffen: vloer keuken

AFD653

PL0400\03-086221-008-016

Souche type: Stukje tape, plaats aantreffen: vloer bergruimte

AFD654

Het NFI-rapport Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een gewelddadige gewapende overval in Zwolle op 10 juli 2003 van 13 oktober 2003 (pagina’s 3063 tot en met 3068), inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de rapporteur:

Op de stukken tape [AFD650], [AFD652] en [AFD654] zijn vermeende bijtsporen aangetroffen. Deze vermeende bijtsporen zijn bemonsterd [AFD650#01], [AFD652#01] en [AFD654#03 en #04].

Het NFI-rapport Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Zwolle op 10 juli 2003 van 2 maart 2015 (pagina’s 3077 tot en met 3079), inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de rapporteur:

Resultaten, interpretatie en conclusie

Van het referentiemonster van [slachtoffer] is een DNA-profiel verkregen. Dit DNA-profiel is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

Het DNA-profiel van [verdachte] (geboren [geboortedatum 1] 1982) is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

SIN

Beschrijving DNA-profiel

Celmateriaal afkomstig van

Matchkans DNA-profiel

AFD650#01

DNA-profiel van een man

[verdachte]

kleiner dan 1 op 1 miljard

AFD651#01

DNA-profiel van een man

[verdachte]

kleiner dan 1 op 1 miljard

AFD654#04

DNA-mengprofiel

[slachtoffer] en [verdachte]

ongeveer 1 op 3 miljoen

Het NFI-rapport Criminalistische interpretatie van de resultaten van het soucheonderzoek en DNA-onderzoek naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Zwolle op 10 juli 2003 van 30 juli 2015 (pagina’s 3302 tot en met 3313), inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de rapporteurs:

Soucheonderzoek

Overzicht van de resultaten en conclusies van het soucheonderzoek aan tape

Op basis van overeenkomende klasse-, productie- en scheidingskenmerken, passen alle

tapedelen van AFD650 tot en met AFD654 aan elkaar, in een volgorde zoals in figuur 1

schematisch is weergegeven.

Voor de bevindingen van het soucheonderzoek is een bewijskracht gegeven. Voor het

bepalen van de bewijskracht is uitgegaan van de volgende hypothesen op bronniveau:

Hypothese 1: De ontvangen delen grijze ducttape [AFD650 tot en met -654] hebben oorspronkelijk één geheel gevormd in de volgorde zoals weergegeven in figuur 1.

Hypothese 2: De ontvangen delen grijze duct-tape [AFD650 tot en met -654] hebben oorspronkelijk één geheel gevormd in een andere volgorde dan is weergegeven in figuur 1 of met ontbrekende delen soortgelijke grijze ducttape.

De bevindingen van het soucheonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is, dan wanneer hypothese 2 juist is.

De in volgorde aan elkaar passende tapedelen worden het tapegeheel genoemd.

Uiteinden 2B en 19B zijn de twee buitenste uiteinden van het tapegeheel waarvan er maar één het buitenste uiteinde van de rol tape kan zijn geweest. Uiteinde 2B is als enige gesneden en omgeslagen. De andere uiteinden, waaronder uiteinde 19B, zijn door scheuren of knippen ontstaan. Deze combinatie van bevindingen wordt verwacht wanneer uiteinde 2B het buitenste uiteinde van de rol tape is geweest. Uitgaande van een roldiameter van 15 centimeter (gebruikelijk voor een rol met een lengte van circa 50 meter tape), heeft de eerste 47 centimeter van tapedeel 2 [AFD651], gezien vanaf het omgeslagen uiteinde 2B, de buitenzijde van de rol gevormd.

Op acht gescheurde uiteinden is een patroon van onregelmatigheden waargenomen die

elk qua vorm en grootte geïnterpreteerd wordt als bijtspoor. Het patroon eindigt bij alle acht uiteinden op de scheurrand, wat wordt verwacht bij de combinatie van bijten en afscheuren van tape. Alle bijtsporen tonen onderling overeenkomsten wat betreft patroon, vorm en grootte.

Locaties van bemonsteringen met DNA

De bemonsterde locaties van de tapedelen zijn in figuur 1 schematisch weergegeven.

Figuur 1. Schematische weergave volgorde tapedelen met daarin aangegeven de locaties van aangetroffen bijtsporen en locaties bemonsteringen genomen ten behoeve van het DNA-onderzoek.

In tabel l zijn de afstanden van de aangegeven DNA-bemonsteringen ten opzichte van het rechteruiteinde van het tapegeheel bij benadering weergegeven.

Tabel 1

DNA-bemonstering

Afstand t.o.v. rechter uiteinde tapedeel 2B

AFD650#01

56 cm

AFD652#01

359,5 cm

AFD654#04

390,5 cm

Conclusie

Hypothese 1: Verdachte [verdachte] heeft de tape van de rol gescheurd en/of het slachtoffer met tape vastgebonden.

Hypothese 2: Een onbekende persoon heeft de tape van de rol gescheurd en/of het slachtoffer met tape vastgebonden. De verdachte is hier niet bij betrokken geweest.

Ten aanzien van bovengenoemde hypothesen, en onder de genoemde aannamen, concluderen wij:

De resultaten van het DNA-onderzoek in combinatie met de resultaten van het soucheonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

Verbale term

Ordegrootte bewijskracht

zeer veel waarschijnlijker

10.000-1.000.000

extreem veel waarschijnlijker

> 1.000.000

Het NFI-rapport Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Zwolle op 10 juli 2003 van 8 december 2016 (pagina’s 3262 tot en met 3267), inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de rapporteur:

Resultaten, interpretatie en conclusie

Het DNA-profiel van [slachtoffer] is betrokken bij het vergelijkend DNAonderzoek.

Tevens zijn de DNA-profielen van [verdachte] (geboren [geboortedatum 1] 1982) en AFD654#02 (gekoppeld aan onbekende man B) betrokken bij het vergelijkend DNAonderzoek.

Tabel 1. Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

SIN

Beschrijving DNA-profiel

Celmateriaal afkomstig van

Matchkans DNA-profiel

AFD652#01

DNA-mengprofiel van minimaal twee personen

[slachtoffer]

[verdachte]

niet berekend

niet berekend

Het NFI-rapport Aanvullend onderzoek en beantwoording vragen naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Zwolle op 10 juli 2003 van 20 juli 2017 (pagina’s 3275 tot en met 3281), inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de rapporteur:

Berekening bewijskracht

Ten aanzien van bemonstering AFD652#01

Ten behoeve van het berekenen van de ordegrootte van de bewijskracht van de overeenkomsten tussen het DNA-profiel van [verdachte] en het DNA-mengprofiel van het DNA in de bemonstering AFD652#01 zijn de volgende aannamen gedaan:

l. de bemonstering bevat DNA van twee personen;

2. [slachtoffer] heeft daadwerkelijk DNA bijgedragen aan deze bemonstering;

3. de onder de hypothesen genoemde personen zijn niet aan elkaar verwant.

Onder deze aannamen zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

Hypothese I: De bemonstering bevat DNA van [slachtoffer] en [verdachte] .

Hypothese II: De bemonstering bevat DNA van [slachtoffer] en van één willekeurige onbekende persoon,

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn meer dan één miljard maal waarschijnlijker als hypothese I waar is, dan als hypothese II waar is.

Het NFI-rapport Interdisciplinair rapport van de NFI onderzoeken naar aanleiding van een gewapende overval in Zwolle op 10 juli 2003 van 6 maart 2020 (los in dossier), inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de rapporteurs:

DNA-sporenonderzoek

Van de stukken tape en de zich daarop bevindende delen latex zijn in totaal 19 DNA-bemonsteringen genomen.

In geen van de onderzochte bemonsteringen is een eenduidige aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van DNA van andere personen dan [slachtoffer] , [verdachte] en [medeverdachte] .

Het proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2014 (pagina’s 2168 en 2169), inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van de verbalisant:

Op 10 juli 2003 omstreeks 02.40 uur werd te Zwolle een slachtoffer in zijn slaap overvallen.

Verdachte:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1982 [geboorteplaats]

In 2003 zijn de netwerkgegevens opgevraagd van palen in de omgeving van de plaats delict. Daarbij heeft ook een CIOT bevraging plaatsgevonden.

Deze gegevens van 2003 zijn door mij nader onderzocht.

De telefoon van verdachte [verdachte] bevond zich rond het tijdstip van de overval onder het bereik van de palen in de omgeving van de plaats delict.

Bewijsoverwegingen

Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast. In de nacht van 9 op 10 juli 2003 hebben twee mannen met tape de polsen en enkels van [slachtoffer] , een destijds 79jarige man, aan elkaar gebonden en de enkels tevens aan een bedspijl vastgebonden, waarna zij hem met hun vuisten op zijn hoofd hebben geslagen en één van hen hem meerdere malen met een mes in zijn hoofd, hals en handen heeft gestoken. Vervolgens hebben zij het slachtoffer vastgebonden achtergelaten. Het soort letsel dat hij door de messteken heeft opgelopen, kan volgens de forensisch arts tot de dood leiden. Op de plaats delict zijn meerdere stukken tape aangetroffen die oorspronkelijk één geheel hebben gevormd. In de bemonstering van drie vermeende bijtsporen op deze stukken tape [AFD650#01, AFD652#01 en AFD 654#04] is het DNA van verdachte aangetroffen: eenmaal in een enkelvoudig profiel en tweemaal in een mengprofiel waarin naast zijn DNA alleen het DNA van het slachtoffer is aangetroffen. Deze bijtsporen bevonden zich op stukken tape die bij het begin van het afrollen niet aan de buitenzijde van de rol zaten en zijn ontstaan bij het afscheuren van de tape. Het slachtoffer had zijn kunstgebit ten tijde van de overval niet in.

Het hof trekt hieruit de conclusie dat verdachte tijdens de overval driemaal in de tape die op de plaats delict is aangetroffen, heeft gebeten om hier stukken van af te scheuren en dat hij dus één van de twee overvallers is geweest. Dat verdachte ten tijde van de overval op de plaats delict was, wordt ondersteund door het gegeven dat zijn telefoonnummer tijdens de overval een mast in de omgeving van de plaats delict heeft aangestraald.

Alternatief scenario

Verdachte heeft als verklaring voor de aanwezigheid van zijn DNA op de plaats delict een scenario geschetst waarin twee personen die hij die nacht in de buurt van de woning heeft afgezet tape met zijn DNA erop hebben meegenomen, waarna zij en niet verdachte die tape tijdens de overval hebben gebruikt. Dit scenario vindt, wat de vermeende rol van verdachte betreft, geen steun in resultaten van het opsporingsonderzoek en wordt weerlegd door het gebruikte (technische) bewijs. Het NFIrapport Criminalistische interpretatie van de resultaten van het soucheonderzoek en DNA-onderzoek naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Zwolle op 10 juli 2003 van 30 juli 2015, dat op dit technische bewijs is gebaseerd, houdt in dat de resultaten van het DNA-onderzoek in combinatie met de resultaten van het soucheonderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer verdachte de tape van de rol heeft gescheurd en/of het slachtoffer met tape heeft vastgebonden dan wanneer een onbekende persoon de tape van de rol heeft gescheurd en/of het slachtoffer met tape vastgebonden, terwijl verdachte hier niet bij betrokken is geweest. Het namens verdachte ingebrachte rapport van Forensica van 12 maart 2021 en de aanvullende brief van 7 februari 2022 waarin [naam deskundige] van Forensica vragen van de raadsman heeft beantwoord, doen naar het oordeel van het hof niets af aan (de bewijswaarde van) het technisch bewijs en de conclusie uit het NFIrapport van 30 juli 2015.

Het door verdachte geschetste alternatieve scenario is niet aannemelijk geworden.

Medeplegen van poging tot doodslag

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, omdat niet is gebleken dat beide daders het voor medeplegen van poging tot doodslag vereiste opzet op de dood van het slachtoffer hebben gehad.

Verdachte heeft niet verklaard over het incident en de rol die hij daarbij heeft vervuld, zodat het hof voor de beoordeling van het verweer zal uitgaan van hetgeen het hof op basis van het dossier heeft kunnen vaststellen. Zoals hierboven is overwogen, heeft het hof vastgesteld dat beide daders een 79-jarige man, terwijl hij was vast-getapet, met hun vuisten op het hoofd hebben geslagen, waarna één van de daders het slachtoffer meerdere keren met een mes in hoofd, hals en handen heeft gestoken. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de andere dader zich van dit steken heeft gedistantieerd. Het meermalen steken met een mes in hoofd, hals en handen brengt de aanmerkelijke kans met zich op dodelijk letsel. Nu het steken met het mes door één dader volgde op het gezamenlijk uitoefenen van geweld op het hoofd van het kwetsbare en weerloze slachtoffer, terwijl de andere dader zich niet van het steken distantieerde, is het hof van oordeel dat beide daders de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bewust moeten hebben aanvaard, zodat zij ook allebei voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer hebben gehad. Gezien het voorgaande en bij het ontbreken van een verklaring van verdachte of de medeverdachte die een aanknopingspunt biedt voor een andere uitleg van het handelen van de overvallers, is het hof van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Het hof is van oordeel dat verdachte de onder 1 en onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
in of omstreeks de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 in de gemeente Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] een of meermalen met (een) mes(sen), althans met (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) in het hoofd en/of lichaam heeft/hebben gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. meer subsidiair
hij in of omstreeks de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003, in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers is/zijn en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk binnengedrongen en/of

- (vervolgens) de beide polsen, althans armen, en/of de beide enkels, althans benen, van die (slapende) [slachtoffer] met tape, althans bindmiddel, vastgebonden en/of vastgetapet en/of

- (vervolgens) die vastgebonden en/of vastgetapete polsen, althans armen, en/of enkels, althans benen, met tape, althans bindmiddel op en/of aan het bed, althans de bedspijlen vastgebonden en/of vastgetapet.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van poging tot doodslag.

Het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Overijssel heeft verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, gevorderd dat verdachte voor het onder 1 en onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden met aftrek van het voorarrest.

De raadsman heeft, voor het geval het hof tot een bewezenverklaring mocht komen, verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

Verdachte is samen met een ander ’s nachts het huis van een bejaarde man binnengegaan, waarna verdachte en zijn mededader het slachtoffer hebben vastgebonden en op het hoofd geslagen. Vervolgens heeft één van hen, zonder dat de ander zich hiervan distantieerde, de man meermalen met een mes in zijn hoofd en lichaam gestoken. Aldus hebben verdachte en zijn mededader het leven van het kwetsbare slachtoffer in gevaar gebracht, hem van zijn vrijheid beroofd en zijn lichamelijke integriteit geschonden. Door dit te doen in de woning, de plek waar men zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen, hebben verdachte en zijn mededader bovendien het gevoel van veiligheid van het slachtoffer in de thuissituatie aangetast. Zoals blijkt uit de in eerste aanleg ingebrachte schriftelijke slachtofferverklaring heeft het slachtoffer jarenlang te lijden gehad onder de psychische gevolgen van hetgeen verdachte en zijn mededader hem hebben aangedaan. Door hun handelen hebben verdachte en zijn mededader bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeggebracht. Het hof rekent verdachte de feiten dan ook zwaar aan.

Het hof heeft rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het LOVS, waarbij het voor deze feiten aansluiting heeft gezocht bij het oriëntatiepunt voor een woningoverval. Daarin wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar genoemd ingeval van ander dan licht geweld en worden onder meer kwetsbare slachtoffers en de aard en ernst van het letsel als strafvermeerderende factoren aangeduid. Het hof heeft verder acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 4 januari 2022, waaruit blijkt dat verdachte noch vóór de pleegdatum, noch in de bijna negentien jaar daarna is veroordeeld voor soortgelijke feiten, alsmede dat zijn jongste veroordeling bijna tien jaar oud is. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van het voorarrest in beginsel passend en geboden is.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim vier jaar en vier maanden is overschreden. Het hof zal, gelet op deze aanzienlijke termijnoverschrijding, de op te leggen straf bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en twee maanden met aftrek van het voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.684,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij is voordat hij de gelegenheid heeft gehad schriftelijk kenbaar te maken dat hij zich in hoger beroep opnieuw voegde, overleden. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij tegenover zijn neef [naam] de wens en het voornemen heeft geuit om zich in hoger beroep opnieuw te voegen voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte en zijn mededader rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 63, 282 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn, met uitzondering van artikel 36f, toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.684,00 (vierduizend zeshonderdvierentachtig euro) bestaande uit € 184,00 (honderdvierentachtig euro) materiële schade en € 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van (de nabestaande(n) van) het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.684,00 (vierduizend zeshonderdvierentachtig euro) bestaande uit € 184,00 (honderdvierentachtig euro) materiële schade en € 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 56 (zesenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 juli 2003.

Aldus gewezen door

mr. M.L. Plas, voorzitter,

mr. J.D. den Hartog en mr. N.C. van Lookeren Campagne, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.W. Levelt-Iseger en R.H.D. de Roo, MSc, griffiers,

en op 24 maart 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.