Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:1748

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-03-2022
Datum publicatie
18-03-2022
Zaaknummer
20/00656
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Navorderingsaanslag. Project 1043. Specifieke zorgkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-3-2022
FutD 2022-0873
V-N Vandaag 2022/686
NLF 2022/0589
V-N 2022/22.21.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 20/00656

uitspraakdatum: 8 maart 2022

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 26 maart 2020, nummer AWB 19/3945, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.887. Bij beschikking is belastingrente berekend van € 53.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben verklaard van dat recht geen gebruik te willen maken. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

1.6.

Bij brief van 19 augustus 2021 heeft het Hof besloten het onderzoek te heropenen en de zaak aan te houden in afwachting van de arresten van de Hoge Raad in de zaken waarin door A-G Niessen op 17 juni 2021 conclusie is genomen.1

1.7.

Bij brief van 13 december 2021 heeft het Hof belanghebbende meegedeeld dat de Hoge Raad op 10 december 2021 arrest heeft gewezen in de zaak met nummer 20/02304 (hierna: het arrest van 10 december 2021) en belanghebbende in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na dagtekening van deze brief een reactie in te dienen op dat arrest en daarbij aan te geven welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden voor de onderhavige zaak.

1.8.

De gemachtigde van belanghebbende heeft het Hof telefonisch laten weten dat hij de brief van 13 december 2021 heeft ontvangen en dat de zaak zonder mondelinge behandeling kan worden afgedaan omdat het arrest van de Hoge Raad duidelijk is.

1.9.

Bij brief van 15 december 2021 heeft het Hof de reactie van belanghebbende doorgegeven aan de Inspecteur en de Inspecteur in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na dagtekening van deze brief een reactie in te dienen op het arrest van 10 december 2021 en de reactie daarop van belanghebbende.

1.10.

Bij brief van 7 januari 2022 heeft de Inspecteur van de gelegenheid gebruikt gemaakt, inhoudelijk gereageerd op het arrest van de Hoge Raad van 10 december 2021 en het Hof toestemming gegeven om te beslissen zonder nadere mondelinge behandeling.

1.11.

Bij brief van 17 januari 2022 is de reactie van de Inspecteur doorgezonden naar de gemachtigde van belanghebbende en verzocht of belanghebbende binnen twee weken kenbaar wil maken of belanghebbende ter zitting wil worden gehoord en dat het Hof ervan uitgaat dat, indien een reactie uitblijft, belanghebbende geen zitting wenst.

1.12.

De gemachtigde van belanghebbende heeft op 18 januari 2022 telefonisch aangegeven akkoord te gaan dat de zaak zonder mondelinge behandeling zal worden afgedaan.

1.13.

Bij brief van 11 februari 2022 heeft het Hof bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek wordt gesloten.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren [in] 1956, heeft over het jaar 2014 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.412. Daarbij heeft belanghebbende aftrek geclaimd voor specifieke zorgkosten, giften en scholingsuitgaven. Het bedrag van de in de aangifte afgetrokken specifieke zorgkosten, na aftrek van het daarvoor geldende drempelbedrag, bedraagt € 1.621.

2.2.

De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2014 overeenkomstig de aangifte vastgesteld met dagtekening 25 september 2015.

2.3.

De aangifte is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende. De gemachtigde was op dat moment werkzaam bij [naam1] (hierna: [naam1] ).

2.4.

De aangiften van [naam1] zijn begin 2015 door de Inspecteur aan een analyse onderworpen om te kijken of sprake is van een verhoogd risico op afwijkingen in het aangiftegedrag. Dit leidde in april 2015 tot de conclusie dat er een verhoogd risico was. Als gevolg hiervan is een steekproef gedaan en zijn op 30 juni 2015 in 173 zaken vragenbrieven verzonden. Naar aanleiding van de resultaten van deze vragenbrieven is geconcludeerd dat het onderzoek moest worden uitgebreid en zijn begin 2016 alle digitaal ingediende aangiften van [naam1] , waarbij de aftrekposten boven een bepaald bedrag uitkwamen, onderzocht. In dit onderzoek is geconcludeerd dat de door [naam1] ingediende aangiften moeten worden onderzocht, waarbij de ondergrens van het bedrag aan aftrekposten is verlaagd.

2.5.

Als gevolg van het onderzoek naar [naam1] heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 14 maart 2017 vragen gesteld.

2.6.

Bij brief van 14 juli 2017 heeft belanghebbende gereageerd en verwezen naar onder andere de bijgevoegde door de huisarts ondertekende verklaring over een cholesterolverlagend dieet. Deze verklaring van [naam2] , van Huisartsen [naam3] van 27 juni 2017 vermeldt het volgende:

“(…)

Probleem/ vraagstelling:

Hierbij verklaar ik dat patiënte bekend is met een CVA in het verleden. Bij de behandeling hoort het advies een cholesterolverlagend dieet te volgen.

(…)”

2.7.

Bij brief van 9 oktober 2017 heeft de Inspecteur het voornemen tot het opleggen van een navorderingsaanslag IB/PVV 2014 kenbaar gemaakt. In die brief staat vermeld welke kosten wel en welke kosten niet worden geaccepteerd. De Inspecteur meldt onder meer dat hij geen informatie heeft ontvangen over dieetkosten.

2.8.

Bij e-mail van 27 oktober 2017 heeft de gemachtigde van belanghebbende gereageerd en de verklaring over het dieet van de huisarts nogmaals overgelegd.

2.9.

Bij brief van 3 november 2017 heeft de Inspecteur gereageerd en aangegeven welke posten alsnog worden geaccepteerd. Met betrekking tot de dieetverklaring heeft de Inspecteur opgemerkt dat die verklaring slechts een advies inhoudt en geen dieetbevestiging is.

2.10.

Vervolgens heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 opgelegd. De aftrek specifieke zorgkosten is door de Inspecteur, na aftrek van het drempelbedrag, vastgesteld op € 226.

2.11.

Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.

2.12.

Bij brief van 27 november 2018 heeft de Inspecteur zijn voornemen het bezwaar af te wijzen bekendgemaakt en belanghebbende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. In die brief stelt de Inspecteur onder meer dat de verklaring van de huisarts een advies is en geen voorschrift en daarnaast niet duidelijk maakt vanaf welke datum dit is ingegaan.

2.13.

Op 4 februari 2019 heeft het hoorgesprek plaatsgevonden.

2.14.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 gehandhaafd.

2.15.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Rechtbank een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500, een (proces)kostenvergoeding voor het bezwaar en beroep met wegingsfactor 1 en vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht aan belanghebbende toegekend.

2.16.

Belanghebbende heeft bij de Rechtbank op 28 november 2019 een “Dieetbevestiging 2018” en een “Dieetbevestiging 2012” overgelegd, beide ingevuld door huisarts [naam4] op 15 november 2019. De huisarts heeft daarbij aangegeven dat belanghebbende zich moet houden aan dieet nummer 23 (hypercholesterolemie, verzadigd vetbeperkt in combinatie met fyto/plantensterolenverrijkt) en dat het dieet ingaat op 1 januari 2012. Een einddatum heeft de huisarts voor dit dieet niet ingevuld.

3 Geschil

In geschil is of de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of in beroep en in hoger beroep alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn overgelegd, of vernietiging van de aanslag moet volgen in verband met project 1043, of terecht geen dieetkosten in aanmerking zijn genomen en of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding met een wegingsfactor van meer dan 1.

4 Beoordeling van het geschil

De op de zaak betrekking hebbende stukken in hoger beroep en in beroep

4.1.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur in beroep en in hoger beroep niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Het gaat daarbij om – naar het Hof begrijpt – gegevens met betrekking tot het onderzoek dat is ingesteld door een fraudeteam van de Belastingdienst naar de juistheid van aangiften gedaan door [naam1] . In het bijzonder gaat het om het zogenaamde preweegdocument van 9 november 2016 en de verslaglegging van het op 17 november 2016 gehouden tripartite overleg. Belanghebbende heeft ter zake verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020.2

4.2.

In voornoemd arrest heeft de Hoge Raad zijn vaste rechtspraak herhaald dat artikel 8:42, lid 1, van de Awb ertoe strekt dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in (hoger) beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld. Tot de op grond van die bepaling over te leggen stukken behoren alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.3 Indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn voor de besluitvorming in haar zaak en daarom door het bestuursorgaan moet worden overgelegd, dient aan dat verzoek te worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is.

4.3.

Naar het oordeel van het Hof, heeft belanghebbende niet voldoende gemotiveerd gesteld dat de door belanghebbende genoemde stukken van enig belang kunnen zijn voor de nog aanwezige geschilpunten in onderhavige zaak in hoger beroep. De onder 4.1. genoemde stukken zien op een onderzoek dat is ingesteld naar het kantoor van de gemachtigde. Niet valt in te zien waarom die stukken in hoger beroep van belang zouden kunnen zijn voor de beslechting van het onderhavige geschil tussen belanghebbende en de Inspecteur (dieetkosten, project 1043 en de wegingsfactor van de proceskosten). De stukken behoren reeds daarom niet meer tot de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42, lid 1, van de Awb.

4.4.

Ten aanzien van de beroepsfase heeft de Rechtbank als volgt geoordeeld met betrekking tot deze stukken (waarbij met “eiser” belanghebbende en met “verweerder” de Inspecteur wordt bedoeld; de voetnoten zijn weggelaten):

“15. Naar het oordeel van de rechtbank behoren de onderzoeksgegevens die de basis hebben gevormd voor de vragenbrief van 14 maart 2017 tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Dat hiervan stukken bestaan is aannemelijk. Dit volgt uit hetgeen verweerder zelf heeft gesteld over de aanloop naar de vragenbrieven toe (…). Dat er een onderzoek heeft plaatsgevonden en dat naar aanleiding daarvan analyses zijn gemaakt en weer nader onderzoek is gedaan naar aanleiding van de antwoorden op de vragenbrief volgt ook uit de door eiseres overgelegde verklaring van [naam5] , regiocoördinator systeemfraude bij verweerder, gedaan op 24 januari 2017. Het is duidelijk dat dit onderzoek heeft geleid tot de beslissing om vragen te stellen over de aangifte IB/PVV 2014 van eiseres. Dat betekent dat alle (digitale) stukken van dit onderzoek op deze zaak betrekking hebbende stukken zijn. Dat deze stukken als zodanig geen invloed hebben gehad op de vaststelling van de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 doet niet af aan de verplichting van verweerder om deze stukken op grond van artikel 8:42 van de Awb toch te overleggen.

16. De rechtbank verbindt aan voornoemd gebrek echter geen gevolgen. Uit de bespreking van de hierna opgenomen geschilpunten volgt dat de stukken niet van invloed zijn op de uitkomst. Daarbij komt dat met name de gemachtigde en niet eiseres is gebaat bij overlegging van de onderzoeksconclusies en dat de gemachtigde de door hem verlangde documenten ook op andere wijze verkrijgen, zoals door een beroep op onrechtmatige daad in een civiele procedure of door een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur bij verweerder in te dienen.”

4.5.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank in redelijkheid geen gevolgen heeft kunnen verbinden aan de door de Rechtbank geconstateerde schending van artikel 8:42 van de Awb.

Project 1043

4.6.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 moet worden vernietigd in verband met project 1043. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag onrechtmatig gehandeld omdat belanghebbende op basis van onrechtmatig verkregen bewijs is geselecteerd, aldus belanghebbende.

4.7.

De Hoge Raad heeft op 10 december 2021 als volgt geoordeeld:4

“5.3 Indien een belastingplichtige in zijn aangifte een aftrekpost opvoert en bij de aanslagregeling wordt geconstateerd dat hij op die aftrek (gedeeltelijk) geen recht heeft, is het niet onrechtmatig indien de inspecteur vervolgens onderzoek gaat doen naar aangiften van eerdere jaren. Evenmin onrechtmatig is het besluit van de inspecteur om – na die constatering – de aangiften van de belastingplichtige over latere jaren te gaan controleren. Dat geldt in beginsel ook indien die constatering ertoe leidt dat gegevens van de belastingplichtige worden opgeslagen in een bestand, en zelfs indien die gegevensverwerking op zichzelf beschouwd onrechtmatig is. De rechtmatigheid van het besluit van de inspecteur om een aangifte te controleren wordt in beginsel niet aangetast door de manier waarop informatie over de belastingplichtige is verwerkt.

Dat kan anders zijn indien de controle van de aangifte voortvloeit uit een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, op basis van een criterium dat jegens de belastingplichtige leidt tot een schending van een grondrecht zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging. Indien de rechter tot de bevinding komt dat zo’n uitzonderlijke situatie aan de orde is, is het niet uitgesloten dat hij daaraan de slotsom verbindt dat de controle van de aangifte van de belastingplichtige heeft plaatsgevonden op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van hetgeen bij die controle aan het licht is gekomen onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. In dat uitzonderlijke geval komt aan de inspecteur niet de bevoegdheid toe om de aangifte van de belastingplichtige te corrigeren naar aanleiding van die bij de controle aan het licht gekomen punten. Indien een belastingplichtige gemotiveerd stelt dat de hier bedoelde uitzonderlijke situatie zich in zijn geval heeft voorgedaan, dient de inspecteur aan de belastingplichtige en de rechter de gegevens te verstrekken die voor de beoordeling hiervan van belang kunnen zijn.

5.4

Tot de hiervoor in 5.3 geschetste uitzonderlijke situaties kan niet zonder meer worden gerekend het geval waarin de Belastingdienst het recht van een belastingplichtige op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer heeft geschonden door gegevens van die belastingplichtige te verwerken op een wijze die door de inhoud, het gebruik of de verspreiding van de desbetreffende bestanden – eventueel op onderdelen – in strijd is met de Wet bescherming persoonsgegevens of de AVG. Indien zou worden geconstateerd dat de door deze regelingen beoogde bescherming van de persoonlijke levenssfeer door de verwerking van persoonsgegevens is geschaad, kan dat dus niet leiden tot een verlaging van een – op zichzelf bezien juist berekende – aanslag. Evenmin kan de belastingrechter in zo’n geval aan een belastingplichtige een schadevergoeding toekennen. Dat kan namelijk alleen als de aanslag onrechtmatig is. Bovendien geldt dat de belastingrechter in procedures over rijksbelastingen (met uitzondering van vennootschapsbelasting) alleen een schadevergoeding kan toekennen als het beroep tegen de aanslag gegrond is. Dat betekent dat een belastingplichtige in de hiervoor geschetste gevallen voor een eventuele schadevergoeding een afzonderlijk verzoek moet richten tot het desbetreffende bestuursorgaan en dat een eventuele procedure daarover moet worden gevoerd voor de algemene bestuursrechter of de civiele rechter.”

4.8.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet gemotiveerd heeft gesteld dat in haar geval sprake is van één van de uitzonderlijke situaties die leidt tot schending van de grondrechten van belanghebbende, de enkele verwijzing naar project 1043 is daartoe onvoldoende. Belanghebbende is na het arrest van de Hoge Raad van 10 december 2021 in de gelegenheid gesteld op dit arrest te reageren, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

Dieetkosten

4.9.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte het door haar gevoerde dieet niet in aftrek heeft toegelaten. Het dieet wordt nog steeds gevoerd daar het een permanent/chronisch karakter kent. Dit blijkt ook uit het feit dat het dieetvoorschrift – bewust – geen einddatum heeft.

4.10.

Op grond van artikel 6.17, lid 1, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) zijn de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet aftrekbaar tot een bedrag bepaald bij ministeriële regeling. Lid 8 van dit artikel regelt dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld aan het in lid 1 bedoelde medisch voorschrift. Aan dit lid 8 is uitvoering gegeven in artikel 37, lid 5, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling), waarin voor zover hier relevant is geregeld dat het medisch voorschrift ten minste de ingangsdatum van het te volgen dieet en indien van toepassing de einddatum van het te volgen dieet bevat.

4.11.

Op de belastingplichtige die de aftrek claimt, rust de last aannemelijk te maken dat op medisch voorschrift een dieet is gevolgd dat wordt genoemd in artikel 37, lid 1, van de Uitvoeringsregeling. De belastingplichtige dient desgevraagd voor elk jaar aannemelijk te maken dat voldaan is aan de voorwaarden voor dieetkostenaftrek.5

4.12.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende aan haar bewijslast heeft voldaan. Met het overleggen van de dieetverklaringen 2012 en 2018, ingevuld door de huisarts in 2019 (zie 2.16.), in combinatie met de verklaring van de huisarts uit 2017 (zie 2.6) maakt belanghebbende aannemelijk, mede gelet op het chronische karakter van haar aandoening, dat zij vanaf 2012 een dieet op medisch voorschrift heeft gevolgd en daar in 2014 nog niet mee was gestopt. Dit betekent gelet op de in artikel 37, lid 1, van de Uitvoeringsregeling opgenomen tabel dat een bedrag aan extra uitgaven van een op voorschrift van een arts gehouden dieet in aanmerking moet worden genomen van € 100.

4.13.

Het onder 4.12 aanvullend in aanmerking te nemen bedrag moet gelet op artikel 6.19, lid 1, onderdeel b, Wet IB worden verhoogd met 40% tot € 140. Dat betekent dat de navorderingsaanslag moet worden verminderd tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van (15.887 -/- 140 =) € 15.747. In zoverre is het hoger beroep gegrond.

Wegingsfactor proceskostenvergoeding

4.14.

Belanghebbende betoogt dat een wegingsfactor van 1½ of zelfs 2 moet worden gehanteerd omdat sprake is van een dermate ingewikkeld feitencomplex met velerlei fiscaaljuridische implicaties dat een verhoging van de wegingsfactor passend en geboden is.

4.15.

De rechter beoordeelt zelfstandig, op grond van een eigen waardering, in welke gewichtscategorie een zaak valt.6 Het Hof acht het, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk dat de Rechtbank een wegingsfactor 1 heeft toegekend. Het enkele feit dat de belanghebbende niet onderbouwd heeft gesteld dat zij valt binnen de groep die A-G Niessen heeft afgebakend in verband met project 1043, is naar het oordeel van het Hof in het onderhavige geval onvoldoende om op grond daarvan tot een hogere wegingsfactor dan 1 (gemiddeld) te komen. Het Hof volgt belanghebbende dan ook niet.

Belastingrente

4.16.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het vastgestelde verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de navorderingsaanslag betreft en de dienovereenkomstige vermindering van het verzamelinkomen en de belastingrente.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken.

De Rechtbank heeft de kosten voor de behandeling van het bezwaar en het beroep vastgesteld op € 1.572. Daartegen zijn in hoger beroep geen andere grieven aangevoerd dan de grief die is behandeld onder 4.14 en 4.15. zodat het Hof daarvan zal uitgaan.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 759 (1 punt (hogerberoepschrift  wegingsfactor 1 (zie 4.15.)  € 759).

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover die ziet op het jaar 2014, behoudens de beslissing omtrent de immateriëleschadevergoeding en de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht,

  • -

    verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep betreffende het jaar 2014 gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Inspecteur betreffende het jaar 2014,

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.747,

  • -

    vermindert het verzamelinkomen voor het jaar 2014 tot € 15.747,

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig,

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 759, en

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 131 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van drs. M.T.M. Hennevelt als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2022.

De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,

te ondertekenen.

(A.E. Keulemans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 maart 2022.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 Conclusies van A-G Niessen van 17 juni 2021, nrs. 20/02304, 20/01024 en 20/02734, ECLI:NL:PHR:2021:617 tot en met ECLI:NL:PHR:2021:619.

2 Hoge Raad 23 oktober 2020, nr. 19/04499, ECLI:NL:HR:2020:1670.

3 Vgl. HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672.

4 HR 10 december 2021, nr. 20/02304, ECLI:NL:HR:2021:1748, r.o. 5.3 en 5.4.

5 Vgl. Gerechtshof Amsterdam 5 juni 2018, nr. 17/00374, ECLI:NL:GHAMS:2018:1708.

6 Vgl. HR 23 september 2011, nr. 10/04238, ECLI:NL:HR:2011:BT2293.