Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:164

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2022
Datum publicatie
21-01-2022
Zaaknummer
20/00888
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2020:4031, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. In aanmerking te nemen voorheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-1-2022
FutD 2022-0293
V-N Vandaag 2022/173
NLF 2022/0218
V-N 2022/16.4 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 20/00888

uitspraakdatum: 11 januari 2022

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 augustus 2020, nummer AWB 19/6429, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd.

1.2.

Het daartegen gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2021. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en D.C.L.J. Elbers, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] en mr. [naam2] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende was in 2018 student en werkte in dienstbetrekking bij [de werkgever] B.V. (hierna: de werkgever).

2.2.

De werkgever heeft een bedrag van € 439 aan loonheffingen ingehouden op het door belanghebbende in 2018 genoten loon van € 9.578.

2.3.

De onderhavige aanslag IB/PVV is, overeenkomstig de aangifte, vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, dat gelijk is aan voormeld loon. De hierover verschuldigde IB/PVV na aftrek van de voor belanghebbende geldende heffingskortingen bedraagt € 936. Na verrekening van de ingehouden loonheffingen resteert een te betalen bedrag van € 497.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. In het bijzonder gaat het daarbij om het antwoord op de vraag of het bedrag van € 497 in een naheffingsaanslag loonheffingen aan de werkgever moet worden betrokken in plaats van in de aanslag IB/PVV.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en vermindering van de aanslag. Het verzamelinkomen is naar belanghebbende ter zitting van het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft verklaard niet in geschil.

3.3.

De Inspecteur beantwoordt de vragen in tegengestelde zin en concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Op grond van artikel 9.4, lid 1, aanhef en onderdeel a en lid 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2018) wordt, voor zover hier van belang, een aanslag IB/PVV vastgesteld indien de verschuldigde IB/PVV de gezamenlijke voorheffingen met meer dan € 46 te boven gaat. Ingevolge artikel 9.2, lid 1, aanhef en onderdeel b en lid 6 van genoemde wet worden de geheven loonbelasting en de bij wijze van inhouding geheven premies volksverzekeringen (samen: de loonheffingen), als voorheffing in aanmerking genomen, hier niet van toepassing zijnde uitzonderingen daargelaten.

4.2.

Aangezien de verschuldigde IB/PVV na verrekening van de ingehouden loonheffingen de aanslaggrens overschrijdt, bestaat er een wettelijke grondslag voor de aanslag IB/PVV zoals deze aan belanghebbende is opgelegd.

4.3.

De stelling van belanghebbende dat zij niet verantwoordelijk is voor de volgens haar door de werkgever gemaakte fouten bij de inhouding, kan aan het voorgaande niets veranderen. Ten eerste is niet van belang dat belanghebbende niet kan worden verweten dat de inhoudingen niet aansluiten op de IB/PVV over het loon. Ten tweede kan niet worden vastgesteld dat de werkgever naar een te laag percentage loonheffingen heeft ingehouden. Bij de uitbetaling van overwerkloon - dat is loon ter zake van arbeid die belanghebbende in 2018 heeft verricht gedurende de tijd die uitgaat boven de voor haar geldende normale arbeidsduur - mag de werkgever de verschuldigde loonheffingen berekenen door gebruik te maken van de loonbelastingtabellen voor bijzondere beloningen. Bij de toepassing van die tabellen wordt op grond van artikel 26, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 uitgegaan van het (herleide) jaarloon van het voorgaande jaar. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, is er geen rechtsregel die de werkgever verplicht bijzondere beloningen, zoals overwerkloon, te belasten naar het percentage dat is gebaseerd op de looninkomsten van het lopende jaar. Dat is niet anders in een geval zoals hier, waarin gedurende het jaar kan worden vastgesteld dat de looninkomsten in dat jaar het jaarloon van het voorgaande jaar overschrijden. De omstandigheid dat de loonheffingen hier niet aansluiten op de IB/PVV komt doordat de loonbelastingtabellen niet fijnmazig genoeg zijn om de loonheffingen in alle gevallen volledig te laten aansluiten op de IB/PVV over het loon. Dit kan zich ook voordoen bij werknemers met één werkgever.1

4.4.

Aan de ingebrachte stukken van Arbeidsrechter.nl waar belanghebbende zich op beroept, kan geen betekenis worden toegekend. Daarin wordt de situatie beschreven die hier niet kan worden vastgesteld, namelijk die waarin fouten zijn gemaakt bij de inhouding.

4.5.

De gemachtigde van belanghebbende heeft nog gesteld dat hij ervan overtuigd is dat volgens de berekening van de Belastingdienst het indienen van de aangifte over het onderhavige jaar in een belastingteruggave zou resulteren omdat hij anders de aangifte niet zou hebben verzonden. Voor zover de gemachtigde van belanghebbende met deze stelling zich beroept op het vertrouwensbeginsel, faalt dit beroep. In de stukken en ter zitting van het Hof zijn door of namens belanghebbende onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat door de Belastingdienst bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat het indienen van de aangifte zou leiden tot een zodanige aanslag IB/PVV 2018.

4.6.

Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om de aanslag te verminderen.

4.7.

Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende gesteld dat rechtbanken altijd bestuursorganen in het gelijk stellen en dat hij belanghebbende op voorhand heeft voorgehouden dat in ieder geval tot in hoger beroep zal moeten worden doorgeprocedeerd om in het gelijk gesteld te kunnen worden. Naar het oordeel van het Hof zijn door of namens belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een aanwijzing kunnen opleveren dat bij de behandeling in haar zaak niet is voldaan aan de eis van rechterlijke onpartijdigheid. Ook in algemene zin is de – niet nader onderbouwde – stelling van gemachtigde onjuist, zo is het Hof uit eigen wetenschap bekend.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. J. van de Merwe in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2022.

De griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen. In verband daarmee is de

uitspraak ondertekend door mr. Den Ouden.

(E.D. Postema) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 11 januari 2022

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 Vgl. Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr 3, p. 29-30.