Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2022:121

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2022
Datum publicatie
13-01-2022
Zaaknummer
200.280.865
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tekortkoming in nakoming rechtsbijstandsovereenkomst door niet voortzetten geschillenregeling. Deskundigenbericht ter alsnog uitvoering geschillenregeling. Kosten inschakeling advocaat ter controle rechtsbijstandsverzekeraar voor rekening verzekerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.280.865

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 7983256 en 7983226)

arrest van 11 januari 2022

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in vrijwaring,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

de Europese naamloze vennootschap

ARAG SE,

gevestigd te Düsseldorf, Duitsland,

tevens kantoorhoudend te Leusden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in vrijwaring,

hierna: ARAG,

advocaat: mr. G.L. Breunesse.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 mei 2021 hier over.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit het proces-verbaal van de op 6 september 2021 gehouden mondelinge behandeling. Van de daarin genoemde, door partijen vóór de zitting nagezonden producties is akte verleend. De spreekaantekeningen van de beide advocaten zijn aan het proces-verbaal gehecht.

1.3.

[appellante] heeft de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

2.2.

[appellante] is voor rechtsbijstand verzekerd bij de Onderlinge Verzekeringsmaatschappij “SOM” u.a. ARAG voert deze verzekering uit.

2.3.

Op de verzekering zijn (onder meer) de Bijzondere voorwaarden rechtsbijstandsverzekering particulier PRP-0117 van toepassing (hierna: de polisvoorwaarden). Daarin staat, voor zover hier relevant:

“3. WAARVOOR BENT U VERZEKERD?

U bent verzekerd voor juridische hulp als u een conflict heeft. De afhandeling van conflicten dragen we over aan de juridisch specialisten van ARAG Rechtsbijstand. Zij hebben veel kennis van zaken en kunnen u op de juiste manier bijstaan.

4 WAT DOEN WIJ ALS U ONZE HULP GEVRAAGD HEEFT?

Heeft u een conflict? Hieronder leest u eerst de stappen die ARAG zet. Daarnaast leggen we een aantal stappen uit.

De stappen

  • -

    Er wordt bekeken of u voor uw conflict verzekerd bent.

  • -

    Arag belt u binnen 2 werkdagen om u dit te laten weten. In bijzondere situaties kan dit langer duren.

  • -

    Bent u verzekerd voor uw conflict? Dan gaan de juridische specialisten aan de slag.

  • -

    Zij overleggen met u hoe ze het conflict willen aanpakken. Ze bespreken hoe zij het conflict zien. En ze maken samen met u een plan voor hoe zij het conflict aanpakken. Dit plan kan later nog veranderen als dat nodig is.

  • -

    De behandelaar van uw conflict overlegt met u wat de kans op succes is. Daarvoor is het nodig dat u alle informatie geeft die belangrijk is om uw conflict te beoordelen en behandelen. Alleen dan kan ARAG u goed helpen. Daarnaast kan ARAG extra informatie en bewijzen vragen. Stuur alleen kopieën van documenten. Houd de originele documenten zelf.

  • -

    Zijn de kosten van de rechtshulp door ARAG te hoog als je ze vergelijkt met om hoeveel geld uw conflict gaat? Dan kan ARAG besluiten uw conflict niet te laten behandelen, maar wel uw schade te vergoeden. Daarna heeft u geen recht meer op juridische hulp voor uw conflict.

Welke hulp krijgt u?

U krijgt hulp van een van de juridisch specialisten van ARAG. U geeft deze juridisch specialist een machtiging:

  • -

    Om namens u op te treden in het conflict.

  • -

    Om te onderhandelen voor u met de tegenpartij.

  • -

    Om een rechtszaak te beginnen als dat nodig is.

  • -

    Om u te verdedigen tegen de eisen van de tegenpartij.

De juridisch specialist blijft van het begin tot het einde betrokken bij uw conflict. Kunt u niet overweg met de juridisch specialist die uw conflict behandelt? Dat kan gebeuren. U mag ARAG altijd vragen om een andere behandelaar.

Wanneer krijgt u hulp van een juridisch specialist die niet bij ARAG werkt?

Soms mag u zelf een advocaat kiezen. (…) Daarvoor gelden de volgende regels.

  • -

    ARAG schakelt deze juridisch specialist in. Dat mag u niet zelf doen.

  • -

    (…)

  • -

    ARAG wil op de hoogte blijven zodat er gelet kan worden op de kosten en het resultaat. Het gemakkelijkst voor u is als u de juridisch specialist toestemming geeft om ARAG op de hoogte te houden.

  • -

    Behandelt een juridisch specialist van buiten ARAG uw conflict? Dan kunt u daarna niet meer kiezen voor hulp van een medewerker van ARAG. Ook niet als u een conflict heeft met de juridisch specialist van buiten ARAG.

In de volgende twee situaties mag u zelf een juridisch specialist kiezen. ARAG moet daar wel eerst toestemming voor geven en zij schakelen deze juridisch specialist in.

  • -

    Als het nodig is om een gerechtelijke of administratieve procedure te voeren.

  • -

    (…).

5 WELK BEDRAG VERGOEDEN WIJ MAXIMAAL?

  • -

    Wij betalen alle kosten van hulp van de juridisch specialisten van ARAG. Zij hebben specialisten op elk rechtsgebied. U krijgt dan ook altijd een uitstekende specialist voor uw conflict. Deze specialist blijft van het begin tot het einde betrokken bij uw conflict.

  • -

    Daarnaast vergoeden wij een aantal andere kosten. Welke dat zijn, staat onder 'Wat zijn de andere kosten?' verderop in dit artikel. Al deze kosten samen vergoeden wij tot maximaal € 50.000,-. Dit maximumbedrag geldt per gebeurtenis.

Let op: in onderstaande situaties gelden andere maximumbedragen.

  • -

    bent u volgens de wet niet verplicht om voor een gerechtelijke of administratieve procedure een advocaat in te schakelen? Maar wilt u toch een deskundige van buiten ARAG inschakelen?

  • -

    op de dag dat u een deskundige van buiten ARAG kiest, gaat een ander maximumbedrag gelden. Dit maximumbedrag van € 6.000.- geldt voor uw hele conflict, voor alle kosten samen.

  • -

    dan betaalt u vooraf zelf een bedrag van € 250,-: uw eigen bijdrage.

(…)

Wat zijn de andere kosten?

Wij betalen de volgende kosten van een rechtszaak, mediation, of een juridisch specialist of expert die niet bij ARAG werkt.

Kosten van een juridisch specialist of expert die niet bij ARAG werkt

  • -

    Die juridisch specialist moet iemand zijn die u volgens de rechtsregels juridische hulp mag geven. Die kosten moeten normaal en gebruikelijk en vooral redelijk zijn.

  • -

    (…)

(…)

Kosten van een rechtszaak

(…)

Kosten die u aan de rechtbank moet betalen voor uw rechtszaak.

Kosten van getuigen en experts die u heeft opgeroepen.

Kosten van de tegenpartij in een rechtszaak. Maar alleen het deel waarvan de rechter vindt dat u het moet betalen. (…).

(…).

10 WANNEER IS UW CONFLICT NIET VERZEKERD?

De conflicten waarvoor we hulp bieden, staan steeds precies in deze voorwaarden. U vindt ze in deze algemene regels en bij het onderdeel waarvoor u verzekerd bent. Voor andere conflicten bieden we geen hulp. Daarnaast krijgt u geen juridische hup van ons of ARAG in de volgende situaties. Wij of ARAG vergoeden dan ook geen kosten.

  • -

    U vraagt een ander om u te helpen bij uw conflict. Bijvoorbeeld een advocaat. En u heeft daarvoor geen toestemming gevraagd aan ons of ARAG.

  • -

    (…)

  • -

    Uw conflict heeft te maken met deze Rechtsbijstandverzekering. Bijvoorbeeld met de premie. Of waarvoor we wel en niet hulp geven of betalen.

  • -

    (…).

14 ALS U HET NIET MET ONS EENS BENT

Wij vinden het belangrijk dat uw conflict goed wordt behandeld. Toch kan het gebeuren dat u het niet met ons eens bent over de juridische stappen die uw juridisch specialist wil nemen. Of dat wij of ARAG vinden dat het resultaat dat u wilt bereiken geen redelijke kans van slagen heeft. Kunt u het daarover niet met elkaar eens worden? Dan gebeurt het volgende.

  • -

    In overleg met u maakt ARAG een brief. Daarin formuleert ARAG uw standpunt en het standpunt van ARAG.

  • -

    ARAG vraagt de plaatselijke Deken van de Orde van Advocaten om een scheidsrechter aan te wijzen. Dat is altijd een onafhankelijke advocaat.

  • -

    ARAG stuurt de brief met beider standpunten naar de scheidsrechter. Ook krijgt hij informatie die belangrijk is om het meningsverschil te kunnen beoordelen.

  • -

    De scheidsrechter beslist met deze informatie wie er gelijk heeft, u of ARAG. Hij mag voor zijn beslissing geen nieuwe informatie gebruiken.

  • -

    Wat de scheidsrechter ook beslist, u en ARAG moeten zich aan zijn beslissing houden. ARAG betaalt de scheidsrechter. Deze kosten tellen niet mee bij het maximale bedrag dat we vergoeden.

Is de scheidsrechter het met ARAG eens?

Als de scheidsrechter vooral ARAG gelijk geeft, zijn er twee mogelijkheden.

  • -

    Uw conflict wordt behandeld zoals eerder voorgesteld.

  • -

    U wilt het conflict laten behandelen zoals u denkt dat het goed is. U betaalt de kosten daarvan zelf. Maar bereikt u op deze manier het resultaat dat u wilde? En is dat resultaat definitief? Dan betalen wij of ARAG u alsnog de kosten waarvoor u bij ons verzekerd bent.

Is de scheidsrechter het met u eens?

Als de scheidsrechter vooral u gelijk geeft, behandelt ARAG uw conflict zoals de scheidsrechter heeft geadviseerd. Schakelt ARAG voor de verdere behandeling een advocaat in? Dan mag u kiezen wie dat wordt. U mag alleen niet kiezer voor de scheidsrechter en ook niet voor iemand die voor zijn kantoor werkt.

16 KLACHTEN OVER ARAG

Heeft u een klacht over ARAG? Dan kunt u rechtstreeks schrijven of bellen naar ARAG. Zij behandelen uw klacht zo snel mogelijk. Een medewerker van het klachtenbureau neemt in ieder geval binnen 5 werkdagen contact met u op om de klacht met u te bespreken. (…).”

2.4.

Op 27 augustus 2018 heeft [appellante] ARAG om rechtsbijstand verzocht in verband met een gerezen arbeidsgeschil met haar werkgever, Point One Back Office B.V (hierna: Point One), onderdeel van de ‘VMA-Groep’.

2.5.

Op 28 augustus 2018 heeft [appellante] op verzoek van ARAG schriftelijk uiteengezet wat er speelde, als volgt:

“Gisteren op mijn werk te horen gekregen dat er gistermiddag faillissement aangevraagd zou worden voor Point One Back Office B.V. Echter moest ik na het gesprek de sleutels inleveren en werd er mij verzocht om naar huis te gaan, terwijl ik nog bereid ben om te werken (er ligt nl nog genoeg werkzaamheden). Volgens mij moet ik gewoon werken tot er een faillissement wordt uitgesproken. (…) Mijn andere collega’s hebben dit ook te horen gekregen en die zijn nog werkzaam. Later hoor ik via een aantal collega’s dat hun gewoon blijven werken en werkzaam worden in een andere BV ofzo. Samen met een andere collega (die hetzelfde te horen kreeg) zijn wij dus als enige de dupe en naar het salaris van augustus kunnen wij ook fluiten, want er is geen geld meer zoals de 2 directeuren dit melde. Point One heeft meerdere BV’s en het lijkt erop dat ze deze BV gewoon om zeep hebben geholpen om van mij en een collega af te zijn. (…) Ik heb ergens gezien dat de directeuren zich (in juli) hebben overlaten schrijven bij de KvK naar een andere BV etc. Kortom lijkt het mij op een faillissements fraude, maar helaas is dat niet aan mij maar aan de curator.

Op verzoek van het UWV heb ik al een aangetekende brief gestuurd naar mijn werkgevers voor loonvordering en een mail naar hun gestuurd van het verloop van die morgen (tevens is die aangetekend naar hun gegaan), zie bijlages.

Kortom het maakt mij vooral boos op de manier waarop ze dit allemaal doen (…) maar nu ben ik samen met mijn collega de dupe en de rest blijft er gewoon werken. Ik hoop dat jullie mij hierin kunnen helpen.”

2.6.

ARAG heeft [appellante] op 28 augustus 2018 laten weten dat de verzekering dekking biedt.

2.7.

Bij brief van 29 augustus 2018 heeft mr. [de jurist1 van ARAG] , jurist arbeidsrecht van ARAG, [appellante] geïnformeerd over (onder meer) haar loonvordering over de maand augustus 2018 en over de mogelijkheid dat, ingeval van faillietverklaring van haar werkgever, de curator haar arbeidsovereenkomst zal opzeggen, met het verzoek aan [appellante] ARAG van berichten van de curator en haar werkgever en een eventuele loonbetaling over augustus op de hoogte te houden.

2.8.

Op 4 september 2018 heeft [de jurist1 van ARAG] namens [appellante] Point One aangeschreven en gesommeerd tot betaling aan [appellante] van het loon over augustus 2018. ARAG heeft in die brief ook vermeld dat [appellante] , ondanks dat zij op 27 augustus 2018 naar huis is gestuurd, zich – zoals zij zelf ook al aan Point One had laten weten – steeds beschikbaar heeft gehouden de overeengekomen arbeid te verrichten, op eerste oproep weer op het werk zal verschijnen en intussen aanspraak blijft maken op doorbetaling van het loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd.

2.9.

Point One heeft [de jurist1 van ARAG] per kerende e-mail bericht dat op 4 september 2018 haar faillissement is uitgesproken. Op 5 september 2018 heeft [de jurist1 van ARAG] de e-mail van Point One doorgestuurd aan [appellante] en aangekondigd dat zij de vorderingen van [appellante] bij de curator zal indienen zodra die bekend zijn. Zij verzocht [appellante] op te geven wat zij nog van haar werkgever tegoed had uit hoofde van de arbeidsovereenkomst. Zij heeft verder aan [appellante] meegedeeld dat de curator haar dienstverband zal opzeggen, dat de curator ook onderzoek zal doen naar de oorzaak van het faillissement en dat in geval van mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid een nader onderzoek door (alleen) de curator kan volgen.

2.10.

Op 10 september 2018 heeft [appellante] [de jurist1 van ARAG] een overzicht gemaild van haar vorderingen.

2.11.

Eveneens op 10 september 2018 heeft [appellante] mr. [naam3] benaderd voor advies. Op zijn advies heeft zij [de jurist1 van ARAG] op 11 september 2018 verzocht het bestuur van Point One aansprakelijk te stellen omdat het faillissement was uitgelokt om twee werknemers – waaronder [appellante] – te ontslaan. [naam3] en [appellante] zijn overeengekomen dat hij haar voor zijn werkzaamheden € 250,- per uur in rekening zou brengen.

2.12.

[de jurist1 van ARAG] is onverwacht uitgevallen. Op 12 september 2018 heeft een andere medewerker van ARAG, mr. [naam1] , [appellante] bericht dat [de jurist1 van ARAG] twee weken niet beschikbaar zou zijn, met het verzoek met [de jurist1 van ARAG] contact op te nemen zodra zij haar werkzaamheden zou hervatten.

2.13.

Mr. [naam2] , ook werkzaam bij ARAG en specialist op het gebied van bestuurdersaansprakelijkheid, heeft zich op 18 september 2018 telefonisch bij [appellante] gebeld naar aanleiding van haar bericht van 11 september 2018. [naam2] heeft [appellante] die dag telefonisch en per e-mail enige uitleg over de mogelijkheden tot aansprakelijkstelling wegens bestuurdersaansprakelijkheid.

2.14.

Mr. [de jurist2 van ARAG] , jurist arbeidsrecht bij ARAG, heeft de behandeling van de arbeidszaak door langer durende uitval van mr. [de jurist1 van ARAG] overgenomen. Op 15 oktober 2018 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen mr. [de jurist2 van ARAG] en [appellante] . Van [de jurist2 van ARAG] heeft daarna namens [appellante] een vordering bij de curator van Point One ingediend.

2.15.

Bij e-mails van 3, 17 en 19 oktober 2018 heeft [naam2] [appellante] bericht dat er een apart dossier voor de bestuurdersaansprakelijkheid was geopend, dat hij deze zaak zou oppakken en een afspraak wilde maken (waarvoor [appellante] hem naar [naam3] verwees), in welk verband hij [appellante] een aantal vragen voorlegde. [naam3] heeft [naam2] op 22 oktober 2018 een verklaring van [appellante] gemaild over de gang van zaken bij Point One.

2.16.

Op 24 oktober 2018 vond een gesprek plaats tussen [naam2] , [appellante] en [naam3] . In dat gesprek over bestuurdersaansprakelijkheid kwam (ook) de vraag naar misbruik van faillissementsrecht (in arbeidsrechtelijk opzicht, in verband met de overgang van onderneming) naar voren.

2.17.

Mr. [de jurist2 van ARAG] berichtte [appellante] bij e-mail van 26 oktober 2018 (onder andere) dat zij contact had gehad met [naam3] en dat hij in eerdere berichten had aangegeven een procedure over bestuurdersaansprakelijkheid te willen starten, waarover inmiddels overleg was geweest met haar collega [naam2] . [de jurist2 van ARAG] schreef dat zij [naam3] en [appellante] eerder had gevraagd of er volgens hen sprake was van een overgang van onderneming, wat volgens [appellante] niet aan de orde zou zijn, maar dat zij nu van [naam3] had begrepen dat dat wellicht toch wel zo was en dat hij nu een procedure wilde starten om de opzegging door de curator aan te vechten. De e-mail bevat verder een uitleg van [de jurist2 van ARAG] over opzegging door de curator van een arbeidsovereenkomst, overgang van onderneming, pre-pack, de op [appellante] rustende bewijslast daarvan en de termijn waarbinnen in faillissementssituaties de rechter gevraagd moet worden het ontslag te vernietigen of een vergoeding toe te kennen. De brief eindigde met een aanbod van [de jurist2 van ARAG] aan [appellante] de vele informatie in de brief de week erop samen door te spreken.

2.18.

[naam3] heeft aan [de jurist2 van ARAG] bij e-mail van 29 oktober 2018 bericht op verzoek van [appellante] te antwoorden op de e-mail van 26 oktober 2018 en aangegeven dat niet hij procedures wil starten, maar dat ARAG de zaak behandelt en gepaste rechtsbijstand moet verlenen, wat tot dat moment volgens hem nog niet was gebeurd. [naam3] diende een klacht in over de gang van zaken tot dat moment met de mededeling dat enkel door zijn toedoen was voorkomen dat ARAG – ten onrechte – zou hebben volstaan met het indienen van een vordering in het faillissement. Verder zette [naam3] zijn visie uiteen op de door [de jurist2 van ARAG] gegeven, volgens hem onjuiste, uitleg van de mogelijkheden de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de curator aan te vechten en het in dat verband door [appellante] te leveren bewijs. Tot besluit geeft [naam3] aan dat [appellante] per omgaand vorderingen tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst, tot betaling van loon en tot toegang tot de gebruikelijke werkzaamheden wenste in te stellen.

2.19.

[de jurist2 van ARAG] mailde op 30 oktober 2018 aan [naam3] terug dat [appellante] vrije advocaatkeuze heeft ter zake van het instellen van gerechtelijke procedures tot vernietiging van de opzegging en wedertewerkstelling, waarbij zij [naam3] erop heeft gewezen dat hij pas aan de slag zou kunnen na schriftelijke opdracht van ARAG en dat de door hem voordien gemaakte kosten niet vergoed worden door ARAG en voor rekening van [appellante] blijven. Verder heeft zij hem gewezen op de dekkingslimiet van € 6.000,- en de door [appellante] te betalen eigen bijdrage van € 250,-, na betaling waarvan het dossier zou worden overgedragen aan de afdeling die de opdracht aan [naam3] zou kunnen verstrekken.

2.20.

[naam3] wilde niet voor het bedrag van € 6.000,- voor [appellante] gaan procederen. Het aanbod van ARAG van 30 oktober 2018 heeft hij niet met [appellante] besproken.

2.21.

Op de klacht van [appellante] (zie onder 2.18) heeft een medewerker van het klachtenbureau van ARAG bij brief van 6 november 2018 aan [naam3] gereageerd, met de mededeling dat het – door de uitval van [de jurist1 van ARAG] – enige tijd stilliggen van de zaak niet had geleid tot verloren kansen of schade.

2.22.

Mr. [de jurist3 van ARAG] , jurist arbeidsrecht bij ARAG, heeft vanaf 12 november 2018 de behandeling van de arbeidszaak op zich genomen. [de jurist3 van ARAG] wilde een afspraak met [appellante] en stemde uiteindelijk, op verzoek van [appellante] , in met de aanwezigheid van ook [naam3] . In de e-mail van 12 november 2018 aan [appellante] heeft [de jurist3 van ARAG] vermeld dat [naam3] het aanbod van ARAG om met ‘budget van ARAG’ de procedure voor [appellante] zelf in gang te zetten heeft afgeslagen. Bij e-mail van 13 november 2018 heeft [de jurist3 van ARAG] een afspraak voor 15 november 2018 bevestigd aan [appellante] , met cc aan [naam3] . Verder heeft [de jurist3 van ARAG] in dat bericht uiteengezet dat [naam3] weliswaar aanwezig kan zijn, maar dat slechts één jurist de zaak behandelde en dat [appellante] ervoor heeft gekozen dat [de jurist3 van ARAG] dat is. Ook heeft [de jurist3 van ARAG] erop gewezen dat in het dossier niet veel bewijs voor de claims van [appellante] zat en geciteerd uit het faillissementsverslag van de curator van 5 oktober 2018 over de wijze en het moment van overgang van onderneming.

2.23.

Tijdens het gesprek op donderdag 15 november 2018 heeft [de jurist3 van ARAG] meegedeeld dat hij geen kans van slagen zag in een procedure. Bij e-mail van 21 november 2018 heeft hij zijn definitieve inschatting over de juridische haalbaarheid van de wensen van [appellante] aan haar en [naam3] verwoord, hetzij ten behoeve van de verdere behandeling van de zaak hetzij ten behoeve van een eventueel beroep op de geschillenregeling door [appellante] . [de jurist3 van ARAG] zette daarbij uiteen, mede aan de hand van jurisprudentie, dat en waarom zijns inziens niet was voldaan of na (getuigen-)bewijslevering zou kunnen worden voldaan aan de voorwaarden voor, samengevat, vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de curator en tewerkstelling van [appellante] bij de koper van de failliete boedel van Point One. In het bijzonder heeft [de jurist3 van ARAG] benoemd dat volgens hem [appellante] er niet in zou slagen te bewijzen dat zij door de curator louter was ontslagen ten behoeve van een overgang van onderneming. [de jurist3 van ARAG] deelde mee dat de vorderingen van [appellante] daarom geen kans maakten en door ARAG niet zou worden opgepakt, dat de bij de curator ingediende vordering wel zou worden voortgezet en dat [naam2] nog doende was met de bestuurdersaansprakelijkheid. Hij besloot zijn bericht met het verzoek aan [appellante] om, indien zij een beroep op de geschillenregeling wilde doen, uiterlijk vóór 25 november 2018 schriftelijk aan te geven waarom zij de mening van [de jurist3 van ARAG] niet deelde. Verder maakte hij [appellante] erop attent dat de termijn voor het indienen van de door haar gewenste vordering desgewenst door haarzelf veiliggesteld zou moeten worden, door indiening van een verzoekschrift vóór 19 december 2018.

2.24.

Op 12 december 2018 heeft [appellante] , na een rappel door ARAG op 10 december 2018, een beroep gedaan op de geschillenregeling.

2.25.

[naam3] heeft namens [appellante] op 18 december 2018 een verzoekschrift bij de kantonrechter ingediend tegen alle vennootschappen van de VMA-Groep. In die procedure heeft zij (onder meer) verklaringen voor recht verzocht met betrekking tot het plaatsvinden van een overgang van de onderneming van Point One.

2.26.

Bij e-mail van 8 januari 2019 heeft [de jurist3 van ARAG] [appellante] en [naam3] bericht dat de daarin voor te leggen vraag betreft of het door verzekerde beoogde resultaat – volgens ARAG: het in dienst blijven van de overnemende partij en doorbetaling van loon – een redelijke kans van slagen heeft. [de jurist3 van ARAG] kondigde verder aan een conceptbrief te zullen toezenden ten behoeve van de uitvoering van de geschillenregeling.

2.27.

Bij e-mails van 17 december 2018 en 3 en 17 januari 2019 heeft [naam2] namens ARAG met [appellante] en [naam3] gecorrespondeerd over de bestuurdersaansprakelijkheidskwestie. In die periode heeft [naam2] een aantal aansprakelijkstellingen van (middellijk) bestuurders van Point One verzonden om de verjaring van vorderingen op hen te stuiten en hun reactie aan [appellante] en [naam3] doorgezonden.

2.28.

[de jurist3 van ARAG] heeft [appellante] , met cc aan [naam3] , op 16 januari 2019 de concepttekst gezonden ten behoeve van het inzetten van de geschillenregeling. ARAG’s standpunt daarin luidde dat bewijs voor een pre-pack ontbrak en geen sprake was van een overgang van onderneming, terwijl zelfs als wél sprake zou zijn van een overgang van onderneming die doorkruist wordt door het faillissement. Daarna hebben partijen nog gecorrespondeerd over de uitleg van het criterium ‘redelijke kans van slagen’.

2.29.

[naam3] heeft [de jurist3 van ARAG] op 24 januari 2019 een e-mail gezonden waarin hij meedeelt de keuze van ARAG voor een geschillenregeling te respecteren, maar zich af te vragen of alle kosten die ARAG daartoe moet maken wel zouden opwegen tegen de waarschijnlijk beperktere kosten die [naam3] zou maken voor de behandeling van de ontslagzaak, mede in het licht van een oordeel dat de rechter over de zaak zou geven. [naam3] vroeg ARAG of overleg hierover zinvol zou zijn.

2.30.

Mr. [de jurist4 van ARAG] , senior jurist arbeidsrecht van ARAG, heeft bij e-mail van 4 februari 2019 gereageerd met, onder meer, het volgende. Onder verwijzing naar een eerdere aansprakelijkstelling van ARAG door [naam3] namens [appellante] betwist [de jurist4 van ARAG] dat ARAG is tekortgeschoten in het verlenen van de rechtsbijstand die [appellante] van een redelijk handelend rechtshulpverlener op grond van de overeenkomst mocht verwachten en dat [appellante] er steeds op is gewezen dat de kosten van inschakeling van [naam3] voor haar eigen rekening zijn. Met betrekking tot de geschillenregeling schreef [de jurist4 van ARAG] :

“Ik ben het met u eens dat het nu nog vragen om een advies van een bindend adviseur weinig

toegevoegde waarde heeft, nu de verzoekschriftprocedure tot vernietiging van de opzegging in gang is gezet en daarin naar ik aanneem binnenkort een beslissing valt te verwachten. Dat laat onverlet dat de uitgangspunten van de geschillenregeling van kracht blijven. ARAG zal de gemaakte kosten niet vergoeden, gezien haar standpunt dat er geen redelijke kans van slagen is. Mocht uit een onherroepelijk oordeel van de rechter blijken dat deze inschatting van ARAG onjuist is geweest, dan geldt dat de gemaakte kosten waarvoor cliënte is verzekerd zullen worden vergoed, voor zover deze normaal, redelijk en gebruikelijk zijn.”

Met betrekking tot de door [naam2] behandelde bestuurdersaansprakelijkheidskwestie gaf [de jurist4 van ARAG] aan dat, gelet op de onderlinge verwevenheid met de arbeidskwestie, de uitkomst van de lopende procedure zou worden afgewacht.

2.31.

[naam3] heeft [de jurist4 van ARAG] nog dezelfde dag teruggemaild, met het verzoek uitvoering te geven aan de geschillenregeling, omdat de uitspraak in de lopende procedure nog op zich zou laten wachten en geen graadmeter zou vormen voor het gelijk van ARAG. Ook verzocht hij [naam2] te bewegen verder te gaan met het bestuurdersaansprakelijkheidsdossier. [de jurist4 van ARAG] reageerde bij e-mail van 7 februari 2019 afwijzend op beide verzoeken.

2.32.

De kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft bij beschikking van 3 april 2019 op de door [naam3] ingediende verzoeken van [appellante] beslist. De kantonrechter heeft (samengevat en voor zover hier van belang) geoordeeld dat weliswaar sprake is geweest van een overgang van onderneming op 17 september 2018 (zonder pre-pack situatie) op Point One Holding B.V. en dat [appellante] tot het einde (op 18 oktober 2018) van haar opgezegde dienstverband daar in dienst is getreden, maar dat het ontslag van [appellante] door de curator op 7 september 2018 in stand kon blijven omdat dat vóór die overgang was aangezegd en niet louter daarop was gebaseerd. Daarom wees de kantonrechter het verzoek tot vernietiging van het ontslag en haar daarmee samenhangende loonvorderingen (vanaf einddatum opgezegde dienstverband) af.

2.33.

[naam3] heeft aan (o.a.) [de jurist3 van ARAG] , [de jurist4 van ARAG] en [naam2] van ARAG geschreven, bij e-mail van 8 april 2019, dat hij in de beschikking een stevige onderbouwing zag voor een vordering tegen de middellijke bestuurders van Point One op grond van bestuurdersaansprakelijkheid en graag vernam of ARAG die zaak weer oppakte. Verder gaf hij aan dat hij betwijfelde of de afwijzing van de vernietiging van de opzegging door de curator in hoger beroep stand zou houden en verzocht hij ARAG mee te delen of zij op dit punt dekking wilde bieden voor de kosten. Daarnaast heeft hij ARAG opnieuw aansprakelijk gesteld voor het niet willen verlenen van rechtsbijstand of bijdragen in de kosten daarvan, terwijl de uitkomst van de procedure volgens hem de redelijke kans van slagen had aangetoond.

2.34.

[de jurist4 van ARAG] heeft op 16 april 2019 per e-mail gereageerd met het weerspreken van de visie van [naam3] . Zij heeft hem gevraagd naar het bestaan van bewijs van eerdere overgang van onderneming (c.q. personeelsleden) vóór de datum van het faillissement. [de jurist4 van ARAG] heeft verder meegedeeld vast te houden aan ARAG’s standpunt dat er geen redelijke kans van slagen was voor de vordering van [appellante] , aangezien met de uitspraak van de kantonrechter het beoogde resultaat – voortzetting van de arbeidsovereenkomst bij de nieuwe partij – niet is gerealiseerd. Zij kondigde verder aan dat [naam2] op de kwestie van de bestuurdersaansprakelijkheid bij hem zou terugkomen.

2.35.

Nadien hebben partijen nader met elkaar gecorrespondeerd en onderhandeld over een oplossing. Het voorstel van ARAG, door [de jurist4 van ARAG] gedaan bij e-mail van 6 mei 2019, aan [appellante] € 15.000,- te betalen tegen finale kwijting over en weer, ook in de bestuurdersaansprakelijkheidszaak, is bij e-mail van 7 mei 2019 van [naam3] van de hand gewezen.

2.36.

Bij brief van 23 april 2019 aan [de CEO van ARAG] , CEO van ARAG, heeft [appellante] onder andere opnieuw haar beklag gedaan over de gang van zaken in de beide dossiers en verzocht of de geschillenregeling in de arbeidszaak in werking zou worden gezet.

2.37.

Bijgestaan door [naam3] heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter en haar eis gewijzigd, onder andere met een verzoek tot verklaring voor recht dat de overgang van onderneming vóór 4 of 7 september 2018 heeft plaatsgevonden. Bij tussenbeschikking van 4 februari 2020 heeft dit gerechtshof [appellante] in dit verband opgedragen te bewijzen dat de hoedanigheid van de ondernemer die Back Office exploiteerde al voor 4 of 7 september 2018 (stilzwijgend) is overgegaan op één of meer andere vennootschappen binnen de VMA Groep.

2.38.

Op 22 juli 2019 heeft [de CEO van ARAG] , CEO van ARAG, aan [appellante] bericht dat het dossier door ARAG enige tijd geleden is gesloten.

2.39.

[naam2] heeft aan [appellante] en [naam3] bij e-mail van 12 augustus 2020 de samenhang uiteengezet tussen de lopende ontslagprocedure en de bestuurdersaansprakelijkheidszaak en (opnieuw) meegedeeld dat het moment van voorgang in het laatst genoemde dossier afhing van de uitkomst in hoger beroep in de arbeidszaak.

2.40.

[appellante] heeft in hoger beroep in de arbeidszaak 13 getuigen doen horen. Bij eindbeschikking van 10 mei 2021 heeft het hof geoordeeld dat zij niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd. Haar verzoeken die strekten tot voortzetting/doorbetaling van het dienstverband met/door de overnemende onderneming zijn afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het principaal appel.

2.41.

Bij factuur van 31 december 2018 heeft [naam3] aan [appellante] voor zijn werkzaamheden in de periode van 10 september 2018 tot en met 27 december 2018 een bedrag van € 17.283,04 in rekening gebracht. Voor zijn werkzaamheden in de periode 2 januari 2019 tot en met 26 april 2019 volgde een factuur d.d. 29 april 2019 voor een bedrag van € 12.506,90.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg in vrijwaring

3.1.

Bij vonnis van 17 juni 2020 heeft de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, in de hoofdzaak tussen [naam3] en [appellante] en in de vrijwaringszaak tussen [appellante] en ARAG gelijktijdig uitspraak gedaan. Op (gevoegd behandelde) vorderingen van [naam3] is [appellante] , die de vorderingen van [naam3] heeft erkend, in de hoofdzaak veroordeeld tot betaling aan hem van beide in rov. 2.41 genoemde facturen, beide vermeerderd met contractuele rente van 1% per maand en met buitengerechtelijke kosten en van de proceskosten.

3.2.

In de vrijwaringszaak heeft [appellante] een verklaring voor recht gevorderd dat ARAG tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit de rechtsbijstandsverzekering en veroordeling van ARAG tot (betaling aan [appellante] van) de bedragen waartoe [appellante] in de hoofdzaak jegens [naam3] is veroordeeld. ARAG heeft verweer gevoerd tegen het gevorderde.

3.3.

De kantonrechter heeft bij genoemd vonnis in de vrijwaringszaak de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar in de kosten van de procedure veroordeeld.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

waar gaat deze zaak over?

4.1.

Deze zaak gaat over de vraag of [appellante] , die zich met een arbeidsconflict tot ARAG wendde voor rechtsbijstand, van ARAG ook de rechtsbijstand heeft gekregen waarop zij op grond van de rechtsbijstandsverzekering recht had. [appellante] meent dat dat niet het geval is en dat alle kosten van rechtsbijstand die de door haar ingeschakelde advocaat [naam3] haar in rekening heeft gebracht daarom door ARAG moeten worden betaald. ARAG bestrijdt dat zij in de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst is tekortgeschoten en vindt dat [appellante] , onder meer omdat die [naam3] zonder toestemming van ARAG heeft ingeschakeld, zelf die advocaatkosten moet betalen.

4.2.

[appellante] is met zeven grieven opgekomen tegen het in vrijwaring gewezen vonnis van de kantonrechter. Haar grieven, die elkaar gedeeltelijk overlappen, richten zich tegen de oordelen van de kantonrechter dat [appellante] geen toewijsbare schade heeft geleden (grief 7) omdat ARAG volgens de kantonrechter niet is tekortgeschoten in wat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend rechtsbijstandsverlener mocht worden verwacht bij, samengevat:

  1. de inventarisatie en kwalificatie van het geschil en geboden continuïteit en kwaliteit van rechtsbijstand bij de arbeidsrechtelijke hulpvraag (grieven 1, 2, 4),

  2. de beoordeling van de betekenis van de arbeidsrechtelijke (tussen-)beschikkingen van de kantonrechter en het gerechtshof (grieven 4 en 5),

  3. het niet in gang zetten van de overeengekomen geschillenregeling (grieven 3 en 4) en

  4. e behandeling van de bestuurdersaansprakelijkheidskwestie (grief 6).

4.3.

ARAG erkent op zichzelf dat aanvankelijk enige vertraging bij de behandeling is opgetreden en dat er meerdere wisselingen van rechtsbijstandsverlener zijn geweest, maar daaruit is volgens haar voor [appellante] geen nadeel voortgevloeid. Verder is zij van mening dat zij kwalitatief goede rechtsbijstand heeft verleend en dat het enkele feit dat zij geen redelijke kans van slagen zag voor wat [appellante] uiteindelijk wilde – ongedaanmaking van haar ontslag door de curator en doorbetaling van haar loon door de nieuwe werkgever – dat niet anders maakt. De onnodig en zonder de vereiste toestemming door [appellante] gemaakte kosten van rechtsbijstand verleend door [naam3] vallen niet onder de dekking van de verzekeringsovereenkomst, aldus ARAG. Met betrekking tot het niet doorzetten van de geschillenregeling stelt zij dat daarover met [naam3] overeenstemming was bereikt. ARAG beroept zich voorts op de beperkingen in de dekking van de kosten onder de polis.

4.4.

Tegen het door de kantonrechter geformuleerde criterium ter beoordeling van de vraag of sprake is van tekortschieten door ARAG (rov. 4.7 van het bestreden vonnis) is niet gegriefd. Ook ARAG hanteert (in randnummer 47 van haar conclusie van antwoord in vrijwaring) het criterium van een redelijk bekwaam en redelijk handelend rechtshulpverlener, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan bij de behandeling van de grieven, naast de overige door partijen in geroepen verplichtingen over en weer uit de rechtsbijstandsovereenkomst.

a. de inventarisatie en kwalificatie van het geschil en geboden continuïteit en kwaliteit van rechtsbijstand bij de arbeidsrechtelijke hulpvraag

4.5.

Volgens [appellante] is de kantonrechter niet van de juiste feitelijke gang van zaken uitgegaan bij zijn oordeel dat ARAG niet onzorgvuldig is geweest bij de intake en inventarisatie van het arbeidsrechtelijke geschil. Wat hiervan ook zij, op grond van de in de rechtsoverwegingen 2.4 tot en met 2.17 van dit arrest vastgestelde feitelijke gang van zaken deelt het hof het uiteindelijke oordeel op dit punt van de kantonrechter, op grond van het volgende.

4.6.

Hoewel enige vertraging is opgetreden door het uitvallen van [de jurist1 van ARAG] , is binnen de aangekondigde twee weken van haar afwezigheid [naam2] met [appellante] in contact getreden in verband met de bestuurdersaansprakelijkheidsaspecten van de zaak waarop [appellante] zinspeelde, nam [de jurist2 van ARAG] tussendoor al telefonisch contact met [appellante] op over het arbeidsrechtelijk geschil en is in een gesprek met [naam2] de kwestie van overgang van onderneming aan de orde gekomen in relatie tot het arbeidsrechtelijke geschil. Kort nadien is daarom van [de jurist2 van ARAG] hiermee inhoudelijk aan de slag gegaan en heeft zij [appellante] eind oktober 2018 uitgebreid schriftelijk geïnformeerd over haar positie en eventuele mogelijkheden. Aansluitend heeft [de jurist3 van ARAG] tot medio november 2018 de zaak verder inhoudelijk behandeld. De opgetreden vertraging bij intake en inventarisatie is niet zodanig van duur en aard dat op die grond een tekortschieten van ARAG kan worden aangenomen.

4.7.

[appellante] bestrijdt ook de volgende (samengevatte) oordelen en overwegingen van de kantonrechter:

- niet is gebleken van inhoudelijk apert onjuiste adviezen of proceshandelingen door ARAG of tekortschietende informatieverstrekking aan [appellante] ; het inhoudelijk meningsverschil tussen [naam3] en ARAG doet daaraan niet af;

- ook [de jurist3 van ARAG] kwam na overname en analyse van het dossier en een gesprek met [appellante] en [naam3] tot het oordeel dat de vorderingen van [appellante] onvoldoende kans van slagen hadden en heeft in zijn bericht gewezen op de mogelijkheid van de geschillenregeling en de (door [appellante] zelf veilig te stellen) termijn voor starten van de door haar gewenste procedure;

- aan de (pas) ter zitting door [naam3] genoemde ‘beroepsfout’ van ARAG dat zij destijds niet onmiddellijk in kort geding wedertewerkstelling van [appellante] heeft gevorderd, wordt (ook) voorbijgegaan omdat als een kort geding al duidelijk de enige juiste actie zou zijn geweest, onbegrijpelijk is dat ook [naam3] [appellante] in september 2018 niet daartoe heeft geadviseerd.

Volgens de toelichting hierop van [appellante] bood ARAG, kort gezegd, niet de juiste juridische hulp waartoe zij zich in de artikelen 3 en 4 van de polisvoorwaarden heeft verplicht, waardoor zij gedwongen was [naam3] in te schakelen. Dat laatste ontsloeg ARAG echter niet van haar verplichtingen tot het maken van een correct plan van aanpak met [appellante] . [appellante] stelt dat ARAG ten onrechte de rechtsbijstandsverlening heeft opgeschort, in weerwil van de e-mail van [naam3] 29 oktober 2018 waarin duidelijk de volgens hem door ARAG te starten procedures waren genoemd.

4.8.

Het hof stelt voorop dat [appellante] niet (gemotiveerd) heeft betwist de stelling van ARAG dat zij (of [naam3] ) pas later, zoals duidelijk werd in het gesprek met [naam2] over bestuurdersaansprakelijkheid, het ontslag door de curator wilde aanvechten op grond van argumenten die met overgang van onderneming te maken hebben, terwijl [de jurist2 van ARAG] daar wel al eerder naar had gevraagd. Dat sprake is geweest van deze ‘koerswijziging’, zoals ARAG dat noemt, wordt ondersteund door het bericht van [de jurist2 van ARAG] van 26 oktober 2018. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat ARAG tekort is geschoten in de geboden arbeidsrechtelijke rechtsbijstand omdat zij (op grond van de oude koers) slechts een vordering bij de curator indiende. Vervolgens heeft zich de situatie voorgedaan dat de arbeidsjuristen van ARAG en [naam3] van mening verschilden over de vraag of, kort gezegd, inderdaad sprake was van een overgang van onderneming en wel op een zodanig tijdstip dat het ontslag door de curator niet geldig zou zijn en over de bewijsbaarheid daarvan. Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat de door ARAG ingenomen juridische standpunten naar de kern genomen zo onjuist waren dat zij niet voldeden aan wat was te verwachten van een redelijk handelend en redelijk bekwaam rechtsbijstandsverlener. Weliswaar is uiteindelijk in rechte onherroepelijk geoordeeld dat sprake is geweest van een overgang van onderneming, maar overeind is gebleven de juistheid van de inschattingen van ARAG (zie haar berichten genoemd in rov. 2.17, 2.22, 2.23 en 2.28) dat op [appellante] in een gerechtelijke procedure de bewijslast zou rusten van feiten en omstandigheden (en de momenten waarop die zich voordeden) op grond waarvan de rechtsgeldigheid van het ontslag door de curator zou kunnen worden aangetast en ook dat [appellante] in dat bewijs niet zou slagen.

4.9.

Ook het verwijt van [appellante] dat ARAG niet onmiddellijk na aanmelding van het geschil door [appellante] een vordering in kort geding tot wedertewerkstelling heeft aangespannen, is door de kantonrechter terecht verworpen. Het hof stelt vast dat [appellante] (ook in hoger beroep) onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de zaak meteen al zo overzichtelijk en duidelijk was dat zo’n procedure een geschikte en kansrijke actie zou zijn geweest. Veelzeggend is in dit verband niet alleen de hiervoor besproken ‘koerswijziging’, maar ook dat [naam3] zelf, die [appellante] al vanaf 10 september 2018 adviseerde, haar niet toen al op dat spoor heeft gezet. ARAG heeft terecht aangevoerd dat, zeker in de beginfase, bij gebrek aan bewijs een vordering tot wedertewerkstelling niet zou zijn geslaagd.

4.10.

Verder geldt dat, zoals ARAG heeft betoogd, het haar op grond van de polisvoorwaarden op zichzelf vrij stond de door [appellante] gewenste juridische acties niet in te stellen omdat zij die niet voldoende kansrijk achtte. [de jurist3 van ARAG] heeft [appellante] daarover in de e-mail van 21 november 2018 geïnformeerd en haar gewezen op de geschillenregeling in art. 14 van de polisvoorwaarden voor het geval zij zich hierbij niet wenste neer te leggen, met vermelding van de termijn waarbinnen zij desgewenst (zelf) de door haar gewilde procedure moest aanspannen. De geschillenregeling voorziet erin dat, zou [appellante] toch haar gelijk halen, ARAG de door de verzekering gedekte kosten van de procedure zou betalen. Tekortgeschoten in het maken van een plan van aanpak is ARAG niet en evenmin is sprake van (ongeoorloofde) opschorting van de verlening van rechtsbijstand.

b. de betekenis van de arbeidsrechtelijke (tussen-)beschikkingen van kantonrechter en hof

4.11.

Volgens [appellante] heeft de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep het doel van de door [appellante] gevoerde arbeidsrechtelijke procedure bij de kantonrechter miskend, door doorslaggevende betekenis toe te kennen aan het feit dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de curator niet is vernietigd en de vordering tot doorbetaling van loon na 19 oktober 2018 is afgewezen en door het wel degelijk verkregen gelijk op het punt van de overgang van onderneming irrelevant te achten. De kantonrechter had in de arbeidsrechtelijke beschikking van zijn collega geen bevestiging mogen zien van de juistheid van het standpunt van ARAG dat een juridische procedure geen redelijke kans van slagen had, aldus [appellante] . Zij behaalde immers het beoogde resultaat want zij behield haar dienstbetrekking bij de overnemende partij. Ook de arbeidsrechtelijke tussenbeschikking van het hof legt de kantonrechter volgens [appellante] verkeerd uit, op basis van ongeoorloofde aannames en tegenstrijdige overwegingen over de reden waarom [appellante] in hoger beroep wel werd toegelaten tot bewijslevering.

4.12.

Het hof constateert dat [appellante] in randnummer 6 van haar dagvaarding stelt dat partijen het erover eens zijn dat, juridisch vertaald, het door [appellante] beoogde resultaat van haar arbeidsrechtelijke verzoeken was: het behouden van haar arbeidsovereenkomst en doorbetaling van haar loon. Naar het hof begrijpt, ook uit de reactie van ARAG op de grieven 4 en 5, wordt daarmee bedoeld: het behoud van dat dienstverband en doorbetaling van haar loon ook en vooral ná 19 oktober 2018, de datum waarop haar dienstverband door de opzegging door de curator zou eindigen. Op doorbetaling (door wie dan ook, curator of UWV) tot die datum had [appellante] immers ook zonder procedure recht, omdat haar dienstverband tot die datum nog bestond.

4.13.

Het hof is het met ARAG eens dat [appellante] met de arbeidsrechtelijke uitspraak van de kantonrechter haar uiteindelijke doel niet heeft bereikt, ook al werd wél geoordeeld dat sprake was van een overgang van onderneming. De beëindiging van het dienstverband per 19 oktober 2018 ging met die beschikking immers niet van tafel, volgens de beschikking van de kantonrechter bij gebrek aan onderbouwing door [appellante] van haar stelling dat de overgang van onderneming vóór datum faillissement had plaatsgevonden. Ook de onderbouwing van haar stelling, samengevat, dat haar ontslag door de curator louter was ingegeven door de overgang van onderneming schoot volgens de kantonrechter tekort. Anders dan [appellante] in dit hoger beroep stelt, heeft ARAG óók de bewijspositie van [appellante] op juist deze – cruciale – punten wel degelijk betrokken bij en ten grondslag gelegd aan haar negatieve inschatting van de kans van slagen van de door [appellante] gewenste procedure(s) (zie wederom de berichten in de rechtsoverwegingen 2.17, 2.22, 2.23 en 2.28, in het bijzonder het bericht van [de jurist3 van ARAG] van 21 november 2018). De kantonrechter heeft in het hier bestreden vonnis de beschikking van zijn ambtsgenoot in de arbeidszaak op juiste waarde geschat en is terecht tot het oordeel gekomen dat ook gelet op die beschikking – voor zover uiteindelijk, gelet op het te behalen resultaat, van belang – ARAG niet is tekortgeschoten in haar juridische stellingname.

4.14.

[appellante] is het verder oneens met de – in haar ogen op ongeoorloofde aannames en niet op feiten gestoelde – overweging van de kantonrechter dat zij in hoger beroep in het arbeidsgeschil (de onderbouwing van) haar stellingen zou hebben aangepast en daarom door het hof bij tussenbeschikking wel is toegelaten tot bewijslevering en ook met de overweging dat zij in elk geval deze nadere (bewijs)informatie destijds niet met ARAG en de kantonrechter in de arbeidszaak heeft gedeeld. Daarnaast verwijt [appellante] de kantonrechter niet met elkaar corresponderende overwegingen over de arbeidsrechtelijke beschikking. Wat er van deze overwegingen van de kantonrechter ook zij: tot vernietiging van het vonnis kan deze grief, indien die zou slagen, niet leiden, zodat hierop verder niet zal worden ingegaan. Voor zover grief 4 ook nog inhoudt dat na de beslissing van de kantonrechter alsnog de geschillenregeling in gang gezet had moeten worden, wordt deze hierna besproken.

c. het niet in gang zetten van de overeengekomen geschillenregeling

4.15.

[appellante] is het eens met het oordeel van de kantonrechter dat ARAG bij haar latere beslissing de geschillenregeling niet door te zetten niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Om verschillende redenen is zij het oneens met de daarop volgende overwegingen van de kantonrechter dat dit geen tekortkoming van ARAG in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst oplevert omdat ARAG in redelijkheid heeft kunnen besluiten die geschillenregeling niet verder uit te voeren. [appellante] beklaagt zich erover dat de kantonrechter deze laatste overweging in strijd met art. 24 Rv baseerde op door ARAG niet aangevoerde grondslagen, die bovendien inhoudelijk niet opgaan. Zij doelt daarmee op het al aanhangig zijn gemaakt van de arbeidsrechtelijke procedure bij de kantonrechter vóór de uitvoering van de geschillenregeling en het niet ingaan of terugkomen op het eerdere aanbod van ARAG van eind oktober 2018 om, ondanks het ontbreken van een redelijke kans van slagen, de procedure tegen vergoeding van de maximale dekking van € 6.000,- door een externe advocaat (c.q. [naam3] ) te laten voeren.

4.16.

Het hof volgt ARAG niet in haar verweer dat zij met [appellante] is overeengekomen de uitkomst van de arbeidszaak bij de kantonrechter als graadmeter te nemen bij de toepassing van de geschillenregeling. [naam3] e-mail van 24 januari 2019 had ARAG niet mogen opvatten als een aanbod af te zien van het bindend advies en het vonnis van de kantonrechter in de arbeidszaak als graadmeter te nemen. [naam3] heeft ARAG na ontvangst van haar daartoe strekkende e-mail van 4 februari 2019 immers per kerende e-mail uitdrukkelijk verzocht de geschillenregeling via de bindend adviseur gewoon door te zetten en daarbij ondubbelzinnig aangegeven dat wat hem betreft de uitkomst van de arbeidszaak geen graadmeter kon zijn. Van de door ARAG beweerde overeenstemming is dus geen sprake, daargelaten dat gelet op de in de geschillenregeling aan te leggen toets – ‘heeft [appellante] een redelijke kans het door haar gewenste resultaat te bereiken met de door haar gewenste procedure(s)’ – los staat van in werkelijkheid in die procedure(s) al dan niet behaald resultaat. Door te weigeren de geschillenregeling voort te zetten, is ARAG tekort geschoten in de nakoming van haar verplichting daartoe onder art. 14 van de polisvoorwaarden. Uit de volharding in haar weigering van 7 februari 2019 mocht [appellante] begrijpen dat ARAG tekort zou schieten en is ARAG, zonder dat zij in gebreke hoefde te worden gesteld, in verzuim geraakt, op grond van het bepaalde in art. 6:83 onder c BW.

4.17.

Anders dan ARAG (inmiddels, in hoger beroep) betoogt en de kantonrechter heeft geoordeeld, doet aan deze tekortkoming niet af dat de arbeidszaak inmiddels al, in december 2018, door [naam3] aanhangig was gemaakt (wat gelet op de daarvoor geldende termijn niet kon worden afgewacht) vóór de geschillenregeling was uitgevoerd en ook niet dat het eerdere aanbod van ARAG van eind oktober 2018 was afgeslagen om tegen de maximale vergoeding onder de polisvoorwaarden die zaak aanhangig te maken. Met deze twee omstandigheden was ARAG immers bekend toen zij in de periode van november 2018 tot en met januari 2019 met [appellante] correspondeerde teneinde de geschillenregeling op te starten. Op dat moment waren die omstandigheden voor ARAG kennelijk geen beletsel (verder) te werken aan de uitvoering van de geschillenregeling. In redelijkheid komt ARAG daarom nu geen beroep meer toe op deze argumenten als rechtvaardiging voor het afzien van de uitvoering van de geschillenregeling. Wat partijen verder nog hebben aangevoerd in verband met de vraag aan wie genoemd aanbod was gericht, kan hier in het midden blijven. Grief 3 slaagt. In het verlengde hiervan slaagt ook grief 4 voor zover die inhoudt dat na het arbeidsrechtelijke kantonvonnis alsnog de geschillenregeling had moeten worden uitgevoerd. [appellante] heeft daar ook om gevraagd in haar brief aan ARAG van 23 april 2019.

d. de behandeling van de bestuurdersaansprakelijkheidskwestie

4.18.

[appellante] kan zich ook niet vinden in de overwegingen van de kantonrechter met betrekking tot het ontbreken van tekortschieten door ARAG bij de inventarisatie en (gesplitste) behandeling van de bestuurdersaansprakelijkheidskwestie en het ontbreken van causaal verband tussen dat tekortschieten en de door haar geleden schade, te weten de kosten van rechtsbijstand verleend door [naam3] . De te late behandeling – met grote tussenpozen – van de kwestie, de toepassing van de verkeerde vorm van bestuurdersaansprakelijkheid en het sluiten van het dossier zonder instemming van [appellante] leveren volgens haar wel degelijk tekortkomingen van ARAG op die tot genoemde kosten voor de inschakeling van [naam3] hebben geleid en die haar belang geven bij de gevorderde verklaring voor recht, aldus [appellante] . ARAG heeft betwist op de door [appellante] gestelde wijze tekort te zijn geschoten in de behandeling van de bestuurdersaansprakelijkheidskwestie, onder verwijzing naar de feitelijke gang van zaken, en betwist bovendien dat, zou al sprake zijn van enige tekortkoming, zij niet in verzuim is komen te verkeren en bovendien causaal verband tussen de gestelde schade en de tekortkoming ontbreekt.

4.19.

Het hof stelt op basis van de door partijen overgelegde correspondentie en niet weersproken stellingen het volgende vast. [appellante] is, na haar e-mail van 11 september 2018 waarin zij verzocht de bestuurders van Point One aansprakelijk te stellen, op 18 september 2018 gebeld door [naam2] met onder andere de vraag naar de feiten en de aanwezige bewijzen daarvoor, waarop [appellante] (pas) reageerde op 16 oktober 2018, na een rappel van ARAG van 3 oktober 2018. Na nog wat e-mailverkeer over en weer heeft op 24 oktober 2018 een bespreking over de bestuurdersaansprakelijkheid plaatsgevonden. Vervolgens bleek van een koerswijziging van [appellante] (zie hiervoor, rov. 4.8 ) en heeft [naam2] de behandeling van het afgesplitste dossier met betrekking tot de bestuurdersaansprakelijkheid opgeschort in afwachting van de ontwikkelingen in de arbeidskwestie, meer in het bijzonder in verband met de discussie over de gestelde overgang van onderneming en de samenhang daarvan met de bestuurdersaansprakelijkheidskant. Nadat in de arbeidskwestie vanwege het verschil van inzicht tussen [appellante] en ARAG de geschillenregeling in beeld kwam en [appellante] op 10 december 2018 liet weten daarvan gebruik te willen maken, is ARAG verzocht verder te gaan met de bestuurdersaansprakelijkheidskwestie. Dat is ook geschied, na enig verder overleg, met als resultaat de aansprakelijkstelling door ARAG begin januari 2019 van de (middellijk) bestuurders van Point One, ter stuiting van de verjaring. In verband met de (ook) door de advocaat van die bestuurders geconstateerde samenhang met de arbeidszaak, die inmiddels door [appellante] aanhangig was gemaakt, deed die het voorstel zich verder met [naam3] te verstaan, wat [naam2] aan [appellante] heeft doorgegeven. [naam3] heeft op 4 februari 2019 aan [de jurist4 van ARAG] verzocht [naam2] te verzoeken de bestuurdersaansprakelijkheidskwestie voortvarend op te pakken. Op dezelfde datum heeft [de jurist4 van ARAG] hem bericht dat, als [appellante] bezwaar had tegen de behandeling (hof: op eigen kosten) van de bestuurdersaansprakelijkheidskwestie door [naam3] , zij de advocaat van de bestuurders naar [naam2] mocht verwijzen om de bestuurdersaansprakelijkheidskwestie te bespreken, met de (in het bericht van 7 februari 2019 herhaalde) mededeling dat vanwege de onderlinge verwevenheid tussen de beide dossiers het vervolg van de behandeling van de bestuurdersaansprakelijkheid af zou hangen van de uitspraak in de arbeidsprocedure, die zou worden afgewacht. Op 8 april 2019 heeft [naam3] aan ARAG geschreven in de inmiddels door de kantonrechter in de arbeidszaak gegeven beschikking een stevige onderbouwing te zien voor een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid, met de vraag of en hoe deze kwestie weer door ARAG zelf behandeld zou gaan worden met inachtneming van die beschikking. [de jurist4 van ARAG] liet [naam3] op 16 april 2019 weten dat hij hierover van [naam2] zou vernemen. Na een klachtbrief van [appellante] aan de directie van ARAG van 23 april 2019 heeft [de jurist4 van ARAG] op 6 mei 2019 een voorstel gedaan tot finale regeling van (de behandeling van) zowel het arbeids- als het bestuurdersaansprakelijkheidsgeschil. Namens [appellante] heeft [naam3] dit voorstel op 7 mei 2019 verworpen en gevraagd of ARAG bereid is tot behandeling van het bestuurdersaansprakelijkheidsdossier of dat wil uitbesteden. Op 24 mei 2019 heeft [naam3] [de jurist4 van ARAG] bericht nog niets te hebben vernomen en bij gebreke van een reactie binnen 14 dagen ervan uit te gaan dat ARAG niet bereid was de bestuurdersaansprakelijkheidszaak te behandelen of uit te besteden en dat ARAG dus haar dienstverlening aan [appellante] had gestaakt. [de jurist4 van ARAG] heeft op 27 mei 2019 gereageerd met de mededeling dat, nu [appellante] het gedane voorstel niet had geaccepteerd, haar e-mail van 16 april 2019 van kracht zou blijven, en dat [naam2] dus de behandeling van de bestuurdersaansprakelijkheidszaak zou voortzetten. Op 3 juni 2019 heeft [appellante] hoger beroep ingesteld in de arbeidszaak. Bij bericht van 12 augustus 2020 heeft [naam2] [appellante] bericht dat en waarom het zijns inziens niet verstandig was hangende de arbeidszaak een procedure over bestuurdersaansprakelijkheid te starten. Op 4 mei 2021 heeft dit hof een eindbeschikking in de arbeidszaak gegeven. Ter zitting in hoger beroep op 6 september 2021 is namens ARAG desgevraagd meegedeeld dat door [naam2] is gewacht op de uitspraak in hoger beroep en dat [naam2] nog een definitief standpunt moest innemen over de haalbaarheid van een eventuele procedure.

4.20.

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat ARAG niet te laat de kwestie van de bestuurdersaansprakelijkheid heeft opgepakt en dat het dossier weliswaar tussentijds heeft stilgelegen, maar dat hierover in voldoende mate uitleg is gegeven door ARAG en dat de koppeling van de verdere behandeling aan de uitkomst van de arbeidszaak op zichzelf – gezien de samenhang met de arbeidszaak – goed verdedigbaar was. Uit verschillende berichten van ARAG ( [de jurist2 van ARAG] , [de jurist3 van ARAG] , [de jurist4 van ARAG] en [naam2] ) blijkt van afstemming tussen de jurist die de arbeidszaak behandelde en [naam2] die de bestuurdersaansprakelijkheidskwestie behandelde. Ook staat niet vast dat ARAG dit dossier heeft gesloten. In zoverre is geen sprake van tekortschieten van ARAG in dit dossier.

4.21.

Het hof is verder van oordeel dat ARAG ná de eindbeschikking van het hof in de arbeidszaak de behandeling van de bestuurdersaansprakelijkheidskwestie uit eigen beweging weer had moeten oppakken of daarover op zijn minst met [appellante] had moeten communiceren. Het staat vast dat ARAG dat niet heeft gedaan. Uit het feit dat zij bij H12-formulier van 2 augustus 2021 die eindbeschikking als nieuwe productie in het geding bracht, kan worden afgeleid dat zij in elk geval vanaf toen wist van die einduitspraak. Ter zitting in hoger beroep op 6 september 2021 heeft ARAG verklaard dat [naam2] nog een definitief standpunt moet innemen over de haalbaarheid van een procedure in de bestuurdersaansprakelijkheidszaak. [naam3] heeft op die zitting verklaard er nog niets over te hebben gehoord. Soelaas biedt dit oordeel [appellante] echter niet. Van een tekortkoming die [appellante] recht geeft op vergoeding van schade is geen sprake, nu nakoming niet blijvend onmogelijk is en uit de stellingen van [appellante] niet kan worden afgeleid dat ARAG ten aanzien van het weer oppakken van de bestuurdersaansprakelijkheidszaak in verzuim is geraakt. Bovendien heeft ARAG terecht aangevoerd dat, zo in dit opzicht al sprake zou zijn van enig tekortschieten, causaal verband met de door [appellante] gevorderde schadevergoeding ontbreekt, nu die schade volgens [appellante] bestaat uit de kosten van rechtsbijstand door [naam3] verleend in de periode van september 2018 tot eind april 2019, dus ervóór. In dit licht bezien is het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] ten aanzien van deze beweerde tekortkoming geen belang heeft bij de gevraagde verklaring voor recht, op zichzelf juist.

4.22.

Verder geldt dat, zoals ARAG terecht heeft betoogd, op grond van de inhoud van de e-mails van [naam2] (van, onder andere, 18 september en 19 oktober 2018) naar het oordeel van het hof ook niet is komen vast te staan dat de werkzaamheden van [naam3] noodzakelijk waren door tekortschieten van ARAG in de inhoudelijke inventarisatie en beoordeling van de bestuurdersaansprakelijkheidskwestie. [naam2] legde [appellante] bij e-mails van 18 september en 19 oktober 2018 en 12 augustus 2020 een en ander uit over bestuurdersaansprakelijkheid en vroeg haar om feitelijke informatie, steeds vergezeld van het aanbod, kort gezegd, een en ander nader toe te lichten. [appellante] heeft onvoldoende onderbouwd dat, zou [appellante] de contacten met ARAG zelf hebben onderhouden, ARAG op een verkeerd spoor de kwestie zou hebben beoordeeld. In de tot dusver verleende inhoudelijke rechtsbijstand is zij niet tekortgeschoten. Het gegeven dat [naam2] de aansprakelijkstelling van de (middellijk) bestuurders van Point One naar de wensen van [naam3] heeft bijgesteld, doet daaraan op zichzelf niet af. Zoals hierna, in rov 4.29, nader zal worden toegelicht, komen de financiële consequenties van de keuze van [appellante] [naam3] zonder toestemming van ARAG en zonder noodzaak in te schakelen en hem te blijven raadplegen en inschakelen voor haar eigen rekening.

4.23.

Het voorgaande betekent dat, hoewel het hof de feitelijke gang van zaken rondom het weer oppakken van dossier van de bestuurdersaansprakelijkheid door ARAG op onderdelen iets anders vaststelt en kwalificeert dan de kantonrechter, grief 6 niet tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter hoeft te leiden en dus faalt.

deskundigenbericht

4.24.

Gelet op het tekortschieten van ARAG wegens het niet doorzetten van de geschillenregeling in het arbeidsrechtelijke geschil (zie rov. 4.17) dient zich de vraag aan of [appellante] daardoor schade heeft geleden, en zo ja, welke. Ter beantwoording daarvan is het hof voornemens door middel van het inwinnen van een deskundigenbericht alsnog te (laten) beoordelen of de door [appellante] gewenste procedure een redelijke kans van slagen had met het oog op het door haar gewenste resultaat, zoals beschreven in rov. 4.12. Om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de gang van zaken als de geschillenregeling zou zijn gevolgd, heeft het de voorkeur van het hof dat een door de deken in het arrondissement Midden-Nederland aan de partijen aangedragen arbeidsrechtadvocaat wordt benoemd tot deskundige. De inschatting door de deskundige van de redelijke kans van slagen zal moeten gebeuren op basis van de standpunten en invalshoeken van partijen (niet die van de bindend adviseur zelf, zoals [naam3] ter zitting in hoger beroep heeft gesuggereerd) zoals die luidden volgens de e-mails van [de jurist3 van ARAG] en [naam3] , genoemd in de e-mail van [de jurist3 van ARAG] van 16 januari 2019, naar het toen geldende recht inclusief de jurisprudentie. Daarbij zal de deskundige moeten uitgaan van de verdere stukken die zich in het arbeidsrechtelijk dossier bevonden op 12 december 2018, dus de toen beschikbare feitelijke informatie en bewijsmogelijkheden. De uitkomst van de arbeidsrechtelijke procedure zal de deskundige buiten beschouwing moeten laten.

betekenis polisvoorwaarden voor de omvang van de schadevergoeding

4.25.

Vooruitlopend op dit alles overweegt het hof nog het volgende, in het licht van de artikelen 5 en 14 van de polisvoorwaarden. Mocht het standpunt van ARAG dat geen redelijke kans op succes bestond juist blijken, dan blijven de kosten van de arbeidsrechtelijke procedure voor rekening van [appellante] . In die situatie had ARAG in redelijkheid kunnen besluiten die procedure niet voor [appellante] te (laten) voeren, terwijl de situatie dat [appellante] toch het resultaat heeft bereikte dat zij nastreefde, zich niet voor heeft gedaan, gelet op de uitkomst van de gevoerde arbeidsrechtelijke procedure. Mocht het standpunt van ARAG onjuist blijken, dan zou volgens beide partijen ARAG het voeren van die procedure hebben uitbesteed aan een advocaat van [appellante] keuze. Partijen zijn erover verdeeld of ook in dat geval de maximumvergoedingen uit artikel 5 van de polisvoorwaarden zouden gelden. Volgens ARAG gelden die maxima onder alle omstandigheden, dus ook ingeval van toepassing van de geschillenregeling van art. 14 ongeacht wie er gelijk kreeg, terwijl [appellante] die beperking in art. 14 niet leest voor het geval zij in het gelijk gesteld zou worden.

4.26.

De vraag rijst hoe de rechtsbijstandsovereenkomst op dit punt uitgelegd moet worden. Volgens vaste rechtspraak kan de vraag hoe bepalingen in overeenkomsten moeten worden uitgelegd niet beantwoord worden op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg. Voor de beantwoording van die vraag komt het tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht.

4.27.

Het hof constateert dat in de polisvoorwaarden als artikel 5 de maximumvergoedingen zijn opgenomen en dat daarna in art. 14 de geschillenregeling volgt. In die geschillenregeling is voor het geval ARAG gelijk heeft gekregen en haar verzekerde toch het conflict op eigen kosten met succes naar eigen goeddunken heeft laten behandelen de dan alsnog door ARAG te betalen vergoeding uitdrukkelijk gemaximeerd tot de verzekerde kosten. In de bepaling die gaat over het geval dat de verzekerde gelijk heeft gekregen en ARAG de zaak niet zelf behandelt, is alleen een en ander over de advocaatkeuze door de verzekerde opgenomen, zonder verwijzing naar vergoeding van slechts de verzekerde bedragen. Anders dan [appellante] meent, heeft zij daaruit echter niet in redelijkheid mogen begrijpen dat in zij zo’n geval onbeperkt kosten zou mogen (laten) maken. Uit art. 5 van de polisvoorwaarde blijkt van maximaal verzekerde bedragen. Dat past bij de aard van de verzekering, waarbij tegen betaling van een premie van een bepaalde hoogte de tegenprestatie kan bestaan uit vergoeding van kosten van externe rechtsbijstand tot op zekere hoogte. Niet valt in te zien waarom dat anders zou zijn na toepassing van de geschillenregeling met gelijk voor de verzekerde. Het hof zal daarom bij de verdere beoordeling van het geschil uitgaan van de door ARAG gegeven uitleg van de overeenkomst.

4.28.

Uit het voorgaande volgt dat, mocht op grond van het deskundigenbericht worden vastgesteld dat [appellante] een redelijke kans van slagen had met de door haar gewenste procedure, ARAG dan tot vergoeding van niet meer is gehouden dan art. 5 van de polisvoorwaarden voorschrijft. Daarbij gaat het uitsluitend om de in art. 5 genoemde kosten, dus kosten van rechtsbijstand die normaal, gebruikelijk en (vooral) redelijk zijn, griffierecht, getuigenkosten en de proceskosten van de wederpartij. Aangezien de partijen ook van mening verschillen over de vraag in hoeverre de door [naam3] voor de arbeidsrechtelijke procedure in rekening gebrachte kosten aan de hiervoor genoemde eisen voldoen, is het hof voornemens de te benoemen deskundige ook hierover om inlichtingen te vragen.

4.29.

Afgezien van de eventuele vergoeding op basis van de maximumbedragen uit art. 5 heeft [appellante] geen aanspraak op vergoeding van de overige kosten die verband houden met de inschakeling van [naam3] . Op grond van art. 10 van de polisvoorwaarden (zie rov. 2.3) vallen die niet onder de dekking, zoals ARAG heeft betoogd. [appellante] heeft er zelf voor gekozen al in een vroeg stadium – zelfs al vóór zij vernam dat [de jurist1 van ARAG] twee weken niet beschikbaar zou zijn – tegen betaling [naam3] te raadplegen (rov. 2.10). Niet alleen had zij daar ARAG geen toestemming voor gevraagd, op dat moment was nog geen sprake van enige tekortkoming aan de zijde van ARAG of een geschil over de uitvoering van de overeenkomst. Het is de keuze van [appellante] geweest om vervolgens [naam3] te blijven betrekken bij correspondentie en overleggen met ARAG, terwijl zij wist dat die haar € 250,- per uur in rekening zou brengen voor zijn werkzaamheden. Intussen was geen sprake van een tekortkoming aan de zijde van ARAG (zie rov. 4.8 tot en met 4.10 en 4.13). In het licht van de door partijen overgelegde berichten van ARAG aan [appellante] , zoals die van [de jurist2 van ARAG] , [de jurist3 van ARAG] en [naam2] (rov 2.16, 2.14, 2.21 en 2.22), waarin zij [appellante] steeds uitgebreid voorlichtten over hun visie op de zaak en haar de mogelijkheid boden tot het stellen van vragen en het voeren van nader overleg, heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat zij door toedoen van ARAG genoodzaakt was [naam3] in te schakelen. Het mag zo zijn dat zij de in die berichten besproken kwesties ingewikkeld vond, maar dat rechtvaardigt niet haar keuze geen gebruik te maken van de gebleken bereidheid van de juristen van ARAG haar die uit te leggen en in plaats daarvan [naam3] te raadplegen. Kosten gemaakt in verband met geschillen over de uitvoering van de rechtsbijstandsovereenkomst, zoals de geschillenregeling, zijn daarnaast ook rechtstreeks uitgesloten van dekking.

buitengerechtelijke kosten

4.30.

Ook al zijn in de hoofdzaken de door [naam3] van [appellante] gevorderde buitengerechtelijke kosten toegewezen: voor toewijzing daarvan in deze vrijwaringszaak is geen plaats. ARAG heeft terecht aangevoerd dat, nu [appellante] de vorderingen van [naam3] erkende, geen redelijke grond bestond tot het maken van die kosten.

aktewisseling

4.31.

In verband met de voorgenomen benoeming van een deskundige zal aan de partijen gelegenheid worden geboden zich gelijktijdig bij akte uit te laten over de in rov. 4.24 en 4.28 genoemde punten:

  • -

    de persoon van de te benoemen deskundige (na – gezamenlijke – raadpleging van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland),

  • -

    de formulering van de juridische standpunten en de onderbouwing daarvan zoals die destijds luidden,

  • -

    de inhoud van het aan de deskundige over te leggen dossier zoals dat destijds bestond,

  • -

    de formulering van de aan de deskundige te stellen vragen,

  • -

    (door ARAG) de maximale hoogte van het (door haar, als meest gerede partij) te deponeren voorschot voor de kosten van de deskundige en

  • -

    (door [appellante] ) de door [naam3] in verband met (alleen; zie rov. 4.29) de arbeidsrechtelijke procedure bij de kantonrechter aan [appellante] in rekening gebrachte werkzaamheden, voorzien van een duidelijke toelichting.

4.32.

Het hof geeft partijen in overweging over de eerste vier punten tijdig met elkaar in overleg te treden en zo mogelijk met een eensluidende uitlating daarover te komen. Mocht dat onverhoopt niet (volledig) lukken, dan wordt aan partijen verzocht hun akte op voorhand aan de wederpartij toe te zenden, zodat zij in hun eigen akte direct kunnen antwoorden op de akte van de wederpartij. Op deze wijze kan worden voorkomen dat de aktewisseling uit twee rondes moet bestaan. Om de partijen voor dit alles voldoende gelegenheid te bieden, zal het hof hen een termijn van 6 weken voor het nemen van hun aktes bieden.

4.33.

Het hof geeft partijen tot slot (en ten overvloede) in overweging, nu in dit tussenarrest op veel geschilpunten over de hoogte van de toewijsbare schadevergoeding al is beslist, opnieuw met elkaar in overleg te treden over een minnelijke regeling, al dan niet door buiten rechte alsnog de geschillenregeling over de arbeidszaak uit te voeren, om verdere (proces)kosten aan beide zijden te voorkomen.

5 De slotsom

5.1.

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor gelijktijdige uitlating bij akte door beide partijen met inachtneming van rov. 4.31 en 4.32.

5.2.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 22 februari 2022 voor het gelijktijdig nemen van een akte door beide partijen met inachtneming van de rechtsoverwegingen 4.31 en 4.32;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M.E. Lagarde, R.W.E. van Leuken en J.G.J. Rinkes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2022.