Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:9893

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-10-2021
Datum publicatie
20-10-2021
Zaaknummer
21-003687-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. Voor bewezenverklaring van de bestemming a.b.i. art. 11a Opiumwet is vereist dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht van belang is. Het hof kan o.g.v. het dossier niet vaststellen dat verdachte wetenschap had van het uiteindelijke doel van het voorhanden hebben van de voorwerpen, zodat geen sprake is van een situatie als bedoeld in voornoemd wetsartikel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003687-19

Uitspraak d.d.: 19 oktober 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 5 juli 2019 met parketnummer 05-044783-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 oktober 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.C. Vingerling, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is door de politierechter van de rechtbank Gelderland veroordeeld ter zake van het medeplegen van het voorhanden hebben van voorwerpen waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten tot een gevangenisstraf van één maand.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 26 oktober 2018 te Barneveld tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten: - een aggregaat en/of 124, althans een of meer armaturen (allen voorzien van assimilatielampen en/of een transformator), en/of zes, althans een of meer schakelborden en/of tien, althans een of meer koolstoffilters en/of zes, althans een of meer slakkenhuizen en/of zes, althans een of meer (metalen) ventilatoren en/of 49, althans een of meer (kunststof) ventilatoren en/of twee luchtontvochtigers (Nagano) en/of acht, althans een of meer Opticlimates en/of een Opticlimate CO2 regelaar en/of twee kachels en/of elf, althans een of meer dompelpompen en/of 104, althans een of meer cans (met groeimiddelen) en/of acht, althans een of meer hygrometers en/of 32, althans een of meer knipbenodigdheden en/of vier, althans een of meer cannacutters en/of twee weegschalen en/of vier, althans een of meer sealapparaten en/of een luchtafzuiging, waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in overweging de uitspraak van de Hoge Raad van 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1481. Voor een bewezenverklaring van de bestemming als bedoeld in artikel 11a Opiumwet is vereist dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht van belang is (vgl. HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328). Het hof kan, met de advocaat-generaal en de raadsman, op grond van het dossier niet vaststellen dat verdachte wetenschap had van het uiteindelijke doel van het voorhanden hebben van de voorwerpen, zodat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 11a Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,

mr. D. Visser en mr. O.O. van der Lee, raadsheren,

in tegenwoordigheid van L.M. van Vuuren, griffier,

en op 19 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 19 oktober 2021.

Tegenwoordig:

mr. M. Keppels, voorzitter,

mr M. Zwartjes, advocaat-generaal,

mr. D.R. de Jong, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.