Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:9867

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-10-2021
Datum publicatie
26-10-2021
Zaaknummer
200.287.557
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Hoger beroep in kort geding; verwijderingsverzoek persoonsgegevens Incidentenregister (IR) en Extern Verwijzingsregister (EVR); gedragingen verzekeringnemer voorshands voldoende voor registratie EVR; voorshands oordeel dat de registratie en de instandhouding in overeenstemming is met het proportionaliteitsvereiste.

Art. 17 lid 1 onder d AVG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.287.557

(zaaknummer rechtbank Gelderland: 377739)

arrest in kort geding van 19 oktober 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [de verzekeringnemer] ,

advocaat: mr. U. Arslan,

tegen:

de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde in het hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Achmea,

advocaat: mr. A.P.E. de Ruiter.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 1 juni 2021 hier over. Daarbij is een mondelinge behandeling bepaald.

1.2

Die mondelinge behandeling is gehouden op 31 augustus 2021. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en de vragen van het hof beantwoord. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

In hoger beroep gaat het hof uit van de navolgende feiten.

2.1

[de verzekeringnemer] heeft vanaf 14 juni 2019 een autoverzekering bij Achmea met een WA-dekking voor zijn Volkswagen Golf (hierna: de auto). Op zondag 10 mei 2020 wordt de auto van [de verzekeringnemer] gestolen. Hij heeft die avond meermaals telefonisch contact met de politie over deze diefstal.

2.2

Op maandag 11 mei 2020 om 11:48 uur breidt [de verzekeringnemer] via de website van Achmea zijn autoverzekering uit van WA dekking naar WA-plus dekking. Vervolgens belt hij om 12:25 uur naar Achmea. Hij meldt dat zijn auto de dag ervoor is gestolen en vraagt om een meldnummer. Tijdens dat telefoongesprek heeft Achmea aangegeven dat hij geen dekking heeft voor de diefstal, omdat de diefstal plaatsvond vóór de uitbreiding van de WA dekking naar de WA-plus dekking.

2.3

Omdat [de verzekeringnemer] alleen op afspraak aangifte kon doen van de diefstal heeft hij dat op vrijdag 15 mei 2020 gedaan. In het proces-verbaal van de aangifte staat onder meer:

“Op maandag 11 mei 2020, omstreeks 02:00 uur, heb ik bovengenoemde personenauto geparkeerd in de parkeerplaats voor mijn woning (…). Ik ben rond dat tijdstip nog met mijn nicht naar mijn auto gelopen om cadeautjes uit de auto te halen. We hadden moederdag gevierd.

(…)

Op maandag 11 mei 2020, omstreeks 10.00 uur werd ik wakker. Ik ben direct aan het werk gegaan. Ik werk vanuit mijn slaapkamer. Vanuit hier heb ik geen zicht op de auto.

Op maandag 11 mei 2020, omstreeks 20.00 uur, zouden we weg gaan. Ik was in mijn slaapkamer en trok mijn broek aan. Ik voelde dat mijn autosleutels er niet in zaten. Normaal gesproken doe ik de autosleutels in mijn broek als ik de auto afgesloten heb. Ik ben naar de andere kamer gelopen en heb uit het raam gekeken of de auto er nog stond. Ik zag dat de auto er niet stond en was weggenomen. (…) Ik heb direct de politie gebeld en ben doorverbonden naar het landelijk meldpunt. Daar wilden ze mij echter niet helpen. Ik moest op het bureau aangifte doen. (…)”

2.4

Op 29 mei 2020 heeft [de verzekeringnemer] gebeld met Achmea om te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de diefstal van de auto. Achmea informeerde [de verzekeringnemer] dat er geen dekking is, omdat de diefstal volgens de eerste melding van [de verzekeringnemer] (zie ro. 2.2) op 10 mei 2020 heeft plaatsgevonden vóór de omzetting van de WA-dekking in de WA-plus dekking. In reactie hierop antwoordde [de verzekeringnemer] dat de diefstal niet op 10 mei 2020, maar op 11 mei 2020 heeft plaatsgevonden. [de verzekeringnemer] heeft naar aanleiding van dit telefoongesprek het proces-verbaal van zijn aangifte (zie ro. 2.3) naar Achmea gestuurd.

2.5

Op 3 juni 2020 was er een ongeluk met de auto, waardoor de auto aanzienlijke schade heeft opgelopen. De auto is zo ook teruggevonden. [de verzekeringnemer] heeft dit ongeval en de schade gemeld bij Achmea.

2.6

Op 18 juni 2020 hebben drie telefoongesprekken plaatsgevonden tussen [de verzekeringnemer] en mevrouw [de medewerkster Achmea] van de afdeling Speciale Zaken van Achmea (hierna: [de medewerkster Achmea] ). Deze gesprekken zijn opgenomen en de geluidsopnamen zijn door Achmea in het geding gebracht. In het eerste telefoongesprek zegt [de verzekeringnemer] meermaals dat hij weet dat hij aan het werk was op de dag dat zijn auto is gestolen en dat hij nooit op zondag of in het weekend werkt. Hij zegt dit naar aanleiding van een opmerking van [de medewerkster Achmea] dat [de verzekeringnemer] bij het eerste contact met Achmea had aangegeven dat zijn auto op 10 mei 2020 (zondag) was gestolen en niet op 11 mei 2020 (maandag). Zo zegt [de verzekeringnemer] daarna onder meer:

Ja, zondag kan sowieso niet, omdat ik niet werk die dag.

(…)

Wat ik wel weet, wat ik gewoon zeker weet is dat ik aan het werk was die dag.

(…)

Ja weet je, ik weet niet, maar wat ik wel zeker weet is dat ik die zondag niet aan het werk was.

(…)

Wat ik wel weet is dat de auto pas weg is wanneer ik aan het werk ben en die zondag en die zaterdag ben ik (…) sowieso vrij.”

Op de vraag waarom hij zijn verzekering op 11 mei 2020 heeft aangepast vertelt [de verzekeringnemer] dat een buurjongen had verteld dat zijn auto was gestolen en dat er vaker auto’s werden gestolen in de buurt. Daarom wilde hij zijn verzekering aanpassen. Hij voegt daaraan toe dat hij bijna een jaar was verzekerd en de verzekering dan toch goedkoper zou worden. In het tweede telefoongesprek zegt [de verzekeringnemer] dat 10 mei toch klopt, omdat hij het heeft nagevraagd. Hij geeft aan dat hij in de war was en herhaalt dat hij aan het werk was die dag en dat hij op zondag nooit werkt. Daarnaast geeft [de verzekeringnemer] aan dat hij niet wist dat hij niet was verzekerd, maar voor de zekerheid de verzekering heeft omgezet naar een WA-plus dekking. In het derde telefoongesprek vraagt [de verzekeringnemer] of de schade aan de auto wel onder de dekking valt. [de medewerkster Achmea] geeft aan dat afwijzing van de dekking voor de diefstal betekent dat alles wordt afgewezen, dus ook de schade. Vervolgens hebben [de medewerkster Achmea] en [de verzekeringnemer] een discussie over de vraag of [de verzekeringnemer] de datum van de diefstal al dan niet bewust verkeerd heeft gewijzigd van 10 mei naar 11 mei om alsnog de diefstal onder de WA-plus dekking te laten vallen.

2.7

Op 19 juni 2020 stuurt [de medewerkster Achmea] een aantal vragen aan [de verzekeringnemer] met het verzoek deze per e-mail te beantwoorden. [de verzekeringnemer] beantwoordt de vragen op 1 juli 2020 en schrijft onder meer:

Nadat me auto op 10 mei is gestolen heb ik me verzekering uitgebreid naar WA+ in het geval dat de dader een ongeluk met me auto maakt of iets dergelijks (wat wel is gebeurd op 3 juni). Of de auto tijdens diefstal een schade loopt en of dat alsnog gedekt wordt of niet, is natuurlijk aan jullie over want heb zelf verder geen verstand daarvan. Ik had dat alleen voor alle zekerheid gewijzigd en niet eens wetend of me auto een schade gaat lopen of niet.

Ook was ik eerder van plan om mijn verzekering de wijzigen naar WA+ aangezien ik in juni

korting van jullie krijg omdat ik 1 jaar bij jullie verzekerd ben.

Me auto is op 10 mei gestolen tussen 00.30 uur nacht en 20.00 uur avond. Tijdens het doen van de aangifte bij de politie op 15 mei dacht ik dat me auto op 11 mei is gestolen aangezien ik op de dag dat me auto gestolen is aan het werk was vanuit huis. 10 mei valt op zondag en werk zelf nooit op zondag, vandaar dat ik dacht dat het 11 mei was. Daarnaast vergiste ik me met de nachturen na 00.00 uur.

2.8

[de verzekeringnemer] vraagt op 23 juni 2020 de politie om een aanvullend PV op te stellen waarin de datum van de diefstal wordt gewijzigd naar 10 mei in plaats van 11 mei 2020.

2.9

Op 20 juli 2020 schrijft [de medewerkster Achmea] aan [de verzekeringnemer] onder meer:

U probeert ons opzettelijk te misleiden

Verzekeringen en schadeclaims zijn gebaseerd op wederziend vertrouwen. Als

maatschappij moeten wij ervan uit kunnen gaan dat u of een belanghebbende van de verzekering direct juiste informatie verstrekt over schades. U hebt dat niet gedaan.

Wij kunnen de volgende maatregelen nemen bij fraude

* Wij betalen de schade niet.

* Wij stoppen uw verzekering.

* Wij registreren de fraude. Alle verzekeraars in Nederland kunnen dit zien.

U leest deze maatregelen terug in onze polisvoorwaarden.

U krijgt de gelegenheid om te reageren op deze e-mail

Hiervoor geven wij u 14 dagen de tijd. Hebben wij op 3 augustus 2020 geen reactie gehad of leidt uw reactie niet tot een ander standpunt, dan zetten wij de eerder genoemde maatregelen in gang.

2.10

[de verzekeringnemer] heeft niet op deze e-mail gereageerd. Daarop informeert Achmea hem op 10 augustus 2020 dat zij de schade niet betaalt, de verzekering stop zet en de persoonsgegevens van [de verzekeringnemer] opneemt in het Incidentenregister (hierna: IR) en het Externe verwijzingsregister (hierna: EVR). Als toelichting bij deze maatregelen schrijft [de medewerkster Achmea] onder meer:

U probeert ons opzettelijk te misleiden

U hebt op 11 mei 2020 uw verzekering uitgebreid van WA dekking naar WA plus dekking. Daarna gaf u aan dat uw auto op 11 mei 2020 is gestolen tussen 01:00 en 20:00 uur gestolen is. Achteraf blijkt dat uw auto op 10 mei 2020 is gestolen. Omdat u toen alleen een WA verzekering had is de diefstal niet gedekt. U hebt de datum 11 mei ook ten onrecht opgegeven bij de politie toen u aangifte deed van de diefstal van uw auto.

U verklaart wisselend over de reden van de uitbreiding van WA naar WA plus

  1. Tijdens ons telefoon gesprek op 19 juni 2020 gaf u aan de verzekering te hebben uitgebreid naar een WA plus dekking omdat u inmiddels een jaar verzekerd was bij Centraal Beheer. Deze verzekering zou dan minder duur uitvallen bij uitbreiding.

  2. Later geeft u aan dat de auto van de buurman recentelijk is gestolen. Dat was voor u een reden om de polis uit te breiden naar WA plus dekking.

  3. In uw mail van 1 juli 2020 geeft de volgende reden aan voor de verzekeringsuitbreiding: mocht de auto met schade worden teruggevonden dan is er verzekeringsdekking.

U bent vanaf 14 juni 2019 WA verzekerd bij Centraal Beheer. Het is niet logisch om de verzekering op 11 mei in plaats van 14 juni 2020 uit te breiden naar een WA plus dekking. Tijdens ons telefoongesprek gaf u aan niet te weten wat een WA dekking voor een autoverzekering inhoud. Wij vinden het dan ook opmerkelijk dat u dan wel begrijpt dat een WA plus verzekering dekking geeft voor diefstal van een voertuig en een WA verzekering niet.

U hebt ons willen benadelen

Hadden wij de claim niet onderzocht, dan waren deze bevindingen niet bekend geworden en had u mogelijk schade vergoed gekregen waar u geen recht op heeft. Hierdoor zouden wij benadeeld zijn.

2.11

Op 1 oktober 2020 stuurt de gemachtigde van [de verzekeringnemer] een brief aan [de medewerkster Achmea] . Daarin wordt aangegeven dat [de verzekeringnemer] zich heeft vergist in de datum van diefstal, maar dat zeker geen sprake is van een bewuste of opzettelijke benadeling van de verzekeraar. Achmea wordt daarom gesommeerd om de persoonsgegevens van [de verzekeringnemer] te verwijderen uit het IR en EVR. Op 9 oktober 2020 geeft Achmea aan dat zij de maatregelen in stand laat.

3 De vordering en de beslissing van de voorzieningenrechter

3.1

[de verzekeringnemer] heeft bij de rechtbank gevorderd om Achmea op straffe van een dwangsom te veroordelen de registratie van zijn persoonsgegevens bij het EVR en IR te verwijderen en de verzekeringsovereenkomst met hem te hervatten, omdat Achmea onzorgvuldig en onrechtmatig tegen hem had gehandeld en de duur van de registratie in het EVR disproportioneel is.

3.2

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen met veroordeling van [de verzekeringnemer] in de kosten en heeft bepaald dat Achmea de duur van de registratie dient terug te brengen naar 4 jaar in plaats van 8 jaar, zodat de gegevens van [de verzekeringnemer] per 10 augustus 2024 uit het EVR verwijderd moeten zijn.

4 De beoordeling in hoger beroep

Omvang van het hoger beroep

4.1

De grieven van [de verzekeringnemer] zijn - kort gezegd - beperkt tot het oordeel van de voorzieningenrechter dat hij geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot verwijdering van zijn persoonsgegevens uit het IR en tegen het oordeel dat voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat [de verzekeringnemer] heeft geprobeerd om Achmea opzettelijk te benadelen. [de verzekeringnemer] heeft geen grief gericht tegen de feiten. Achmea is op haar beurt niet in hoger beroep gegaan tegen de verkorting van de duur van de registratie in het EVR.

Spoedeisend belang

4.2

Tussen partijen is niet in geschil dat de registratie in het IR uitsluitend zichtbaar is voor Achmea en de verzekeringsmaatschappijen die onderdeel zijn van Achmea. Andere verzekeringsmaatschappijen hebben geen toegang tot dit register. Volgens [de verzekeringnemer] heeft hij een spoedeisend belang bij zijn vordering tot verwijdering van zijn persoonsgegevens uit het IR, omdat hij hierdoor beperkt wordt in zijn keuze van een autoverzekering. Hij is binnen zijn gezin de enige met een auto en heeft de auto nodig voor zijn werk.

Uit het feit dat alleen Achmea en de verzekeringsmaatschappijen die onderdeel zijn van Achmea toegang hebben tot het IR volgt dat [de verzekeringnemer] niet ernstig beperkt wordt in zijn keuze van een autoverzekering. Dat hij zich bij andere verzekeraars slechts kan verzekeren tegen een (veel) hogere premie heeft hij niet toegelicht en onderbouwd. Tijdens de zitting gaf [de verzekeringnemer] bovendien aan momenteel geen auto te hebben. Voor zijn werk kan hij gebruik maken van het openbaar vervoer of als het nodig is kan hij een auto lenen. Daaruit volgt te meer dat [de verzekeringnemer] ook op dit moment geen spoedeisend belang heeft bij deze vordering, waardoor de eerste grief faalt.

4.3

Ten aanzien van de registratie in het EVR ligt dat anders. Deze registratie is zichtbaar voor alle aangesloten verzekeraars, waardoor de registratie van zijn persoonsgegevens in dat register verstrekkende gevolgen voor [de verzekeringnemer] heeft. De kans dat hij hierdoor (grote) problemen ondervindt bij het afsluiten van een nieuwe (auto)verzekering is aanzienlijk, waardoor hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot verwijdering van zijn persoonsgegevens uit het EVR.

Kern van dit kort geding

4.4

Het gaat hier om een verwijderingsverzoek in de zin van artikel 17, lid 1 onder d van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Op grond daarvan heeft iedere betrokkene het recht op verwijdering van zijn persoonsgegevens indien deze persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. Volgens [de verzekeringnemer] is de registratie in het EVR onrechtmatig, omdat Achmea alleen op basis van vermoedens van fraude zijn persoonsgegevens in het EVR heeft geregistreerd en dat is onvoldoende voor deze verwerking.

4.5

Het hof stelt voorop dat Achmea als verwerkingsverantwoordelijke bij iedere verwerking van persoonsgegevens in overeenstemming moet handelen met de AVG. Dat betekent onder meer dat zij het proportionaliteitsbeginsel in acht moet nemen. Daarnaast bestaat specifiek voor een registratie in het EVR het Protocol Incidentenwaarschuwings-systeem Financiële Instellingen (hierna: het Protocol). Daarin is geconcretiseerd in welke gevallen (persoons)gegevens kunnen worden opgenomen in het EVR. In artikel 5.2.1 van het Protocol is daarover bepaald:

De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en onder toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.

  1. De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële Instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële Instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

  2. In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klacht wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.

  3. Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen.

4.6

In deze procedure in kort geding dient het hof te beoordelen of voorshands voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat Achmea’s registratie van [de verzekeringnemer] ’s persoonsgegevens in het EVR onrechtmatig is. Er is sprake van een onrechtmatige verwerking indien de verwerking in strijd is met de AVG of het Protocol. Zoals de voorzieningenrechter en ook [de verzekeringnemer] terecht aanvoeren geldt als maatstaf voor de EVR registratie dat het moet gaan om door Achmea vastgestelde gedragingen die een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de door Achmea geregistreerde fraude (zie ro. 2.10) in voldoende mate vaststaat.1

Op grond daarvan moest voor Achmea bij de registratie in het EVR voldoende vaststaan dat [de verzekeringnemer] met het doorgeven van een verkeerde datum van de diefstal van zijn auto fraude heeft willen plegen, waardoor sprake is van een bedreiging van de (financiële) belangen van financiële instellingen. Daarbij dient de registratie proportioneel te zijn, wat betekent dat deze noodzakelijk moet zijn voor genoemde belangen.

Gedragingen voorshands voldoende voor registratie EVR

4.7

Volgens Achmea heeft [de verzekeringnemer] haar opzettelijk willen misleiden door aan te geven dat zijn auto op 11 mei 2020 is gestolen, waardoor de diefstal onder de WA-plus dekking zou vallen. Dit betekent dat [de verzekeringnemer] door de verkeerde datum mee te delen aan Achmea de bedoeling moet hebben gehad om een uitkering te krijgen van Achmea, die hij niet zou krijgen als hij de juiste datum van 10 mei 2020 had meegedeeld.2

4.8

[de verzekeringnemer] stelt dat Achmea moet inzien dat het doorgeven van de verkeerde datum berust op een vergissing. Het was geen poging om toch een uitkering te krijgen van Achmea. Hij heeft op 11 mei 2020, de eerste keer dat hij contact opnam met Achmea, ook zelf aangegeven dat zijn auto de dag ervoor was gestolen. Alleen al om die reden had het voor Achmea duidelijk moeten zijn dat het daarna noemen van de verkeerde datum een vergissing was. Het hof volgt [de verzekeringnemer] niet in deze stelling.

4.9

Het hof is voorshands van oordeel dat uit de overgelegde stukken, waaronder de geluidsopnamen van de telefoongesprekken tussen [de medewerkster Achmea] en [de verzekeringnemer] , volgt dat Achmea in voldoende mate kon vaststellen dat de gedragingen van [de verzekeringnemer] gericht waren op het opzettelijk misleiden van Achmea. Uit de communicatie tussen partijen is gebleken dat [de verzekeringnemer] tegenstrijdige verklaringen gaf en onduidelijkheid heeft gecreëerd over zowel de datum van de diefstal als de reden van de wijziging van zijn verzekering.

4.10

Achmea heeft [de verzekeringnemer] direct op 11 mei 2020 geïnformeerd dat de diefstal van zijn auto niet onder zijn WA dekking viel, zoals hij die op 10 mei 2020 (nog) had. Toch heeft [de verzekeringnemer] op 29 mei 2020 nog een keer met Achmea gebeld over de diefstal. Toen hem wederom vanuit Achmea werd verteld dat de diefstal niet was gedekt gaf hij aan dat de diefstal niet op 10 mei, maar op 11 mei 2020 had plaatsgevonden. Hij heeft naar aanleiding van dat gesprek ook het PV van zijn aangifte bij de politie naar Achmea gestuurd, waarin hij ook 11 mei 2020 als datum van de diefstal had opgegeven. Zowel tijdens de aangifte bij de politie, als tijdens de telefoongesprekken op 18 juni 2020 heeft [de verzekeringnemer] meermaals benadrukt dat hij zeker wist dat de diefstal niet op een zondag kon zijn geweest, omdat hij de dag van de diefstal aan het werk was en hij op zondag nooit werkt. Het hof is daarom, net zoals de voorzieningenrechter, van oordeel dat uit de verklaringen van [de verzekeringnemer] tegenover de politie en Achmea kan worden afgeleid dat hij de datum van (maandag) 11 mei 2020 niet zomaar heeft genoemd, maar deze ook kracht bij heeft willen zetten door genoemde omstandigheden aan te voeren die deze datum onderbouwen. Ondanks dat hij eerst meermaals heeft benadrukt nooit op zondag of in het weekend te werken (zie ro. 2.6 en 2.7), verklaarde [de verzekeringnemer] tijdens de zitting dat hij toch soms ook in het weekend werkt, waarbij hij opmerkt dat hij nog steeds niet weet of hij die dag (bedoeld is zondag 10 mei, opm. hof) heeft gewerkt. Deze verklaringen kan het hof moeilijk met elkaar te rijmen.

4.11

Ook over de reden van de aanpassing van zijn verzekering van een WA dekking naar een WA-plus dekking verklaart [de verzekeringnemer] wisselend. In eerste instantie zegt hij telefonisch tegen [de medewerkster Achmea] dat een buurjongen had verteld dat zijn auto was gestolen en dat er vaker auto’s werden gestolen in de buurt. Dat was de reden dat hij zijn verzekering wilde aanpassen. Met als toevoeging dat hij bijna een jaar was verzekerd en de verzekering dan toch goedkoper zou worden. Pas nadat hij erkende dat zijn auto niet op 11 mei, maar op 10 mei 2020 was gestolen gaf hij aan dat hij ‘voor de zekerheid’ zijn dekking had aangepast (zie ro. 2.6). In zijn antwoord van 1 juli 2020 (ro. 2.7) en tijdens deze procedure verklaarde hij dat hij de dekking heeft aangepast voor het geval de dief schade zou veroorzaken aan zijn auto. Ook tijdens de zitting verklaarde [de verzekeringnemer] enerzijds dat hij zijn verzekering naar een WA-plus dekking wilde uitbreiden, omdat hij van zijn buurjongen hoorde dat er vaker auto’s werden gestolen in de buurt en anderzijds dat hij de verzekering heeft uitgebreid nadat zijn auto was gestolen voor het geval er schade aan de auto zou ontstaan. Deze verklaringen zijn op zijn minst inconsistent te noemen. [de verzekeringnemer] stelt daarnaast dat hij niet wist dat de diefstal niet onder zijn WA dekking viel. Dat valt echter weer niet te rijmen met zijn eerste verklaring dat hij zijn verzekering zou hebben aangepast naar WA-plus, omdat een buurjongen had verteld dat er veel autodiefstallen in de buurt plaatsvonden. Dat deze wisselende verklaringen komen, omdat [de verzekeringnemer] moeite heeft met dingen uitleggen en dat partijen om die reden langs elkaar heen zouden praten, zoals hij aanvoert, volgt het hof niet. Uit de verklaringen en de indruk die [de verzekeringnemer] tijdens de zitting maakte, is niet gebleken dat [de verzekeringnemer] moeite heeft met het begrijpen van vragen, het beantwoorden daarvan, of het uitdrukken van zichzelf. Hij wijzigt echter meermaals zijn antwoorden, waardoor zijn latere antwoorden niet overeenstemmen met of tegenstrijdig zijn aan eerdere antwoorden.

4.12

Doordat Achmea werd geconfronteerd met deze wisselende en tegenstrijdige verklaringen en gedragingen van [de verzekeringnemer] , acht het hof het voorshands aannemelijk dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat de registratie in het EVR niet in strijd is met het Protocol. Ten aanzien van het proportionaliteitsbeginsel heeft Achmea tijdens de zitting nog toegelicht dat zij voorafgaand aan een registratie in het EVR een puntensysteem hanteert waarin aan de hand van de diverse gedragingen wordt beoordeeld of sprake is van dreiging voor de (financiële) belangen van verzekeringsmaatschappijen. De gedragingen van [de verzekeringnemer] hadden geleid tot een hoge score in dat systeem. Gelet op genoemde gedragingen acht het hof het voorshands eveneens voldoende aannemelijk dat deze registratie noodzakelijk is voor de behartiging van de (financiële) belangen van Achmea en andere verzekeraars en dat deze belangen in dit geval prevaleren boven de belangen van [de verzekeringnemer] , waardoor deze registratie in overeenstemming is met het proportionaliteitsvereiste. Dat geldt niet alleen voor de oorspronkelijke registratie, maar ook voor de instandhouding van die registratie tot 10 augustus 2024. [de verzekeringnemer] heeft weliswaar op de zitting aangegeven dat hij momenteel problemen ondervindt om een arbeidsongeschiktheidsverzekering te verkrijgen, maar hij heeft niet onderbouwd dat hij door deze EVR registratie helemaal geen mogelijkheid zou hebben om een dergelijke verzekering af te sluiten.

5 De slotsom

5.1

De slotsom is dat het hoger beroep van [de verzekeringnemer] faalt. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [de verzekeringnemer] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Achmea zullen worden vastgesteld op € 760,- aan griffierecht en € 2.228,- aan salaris advocaat (2 punten x tarief II van € 1.114,- per punt).

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 24 november 2020;

veroordeelt [de verzekeringnemer] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Achmea vastgesteld op € 760,- voor verschotten en op € 2.228,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [de verzekeringnemer] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd tot € 246,- in geval [de verzekeringnemer] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, H.C. Frankena en S.B. Boorsma en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2021.

1 Zie HR 29 mei 2009 ECLI:NL:HR:2009:BH4720, ro. 4.4

2 Vergelijk HR 21 feb 2020 ECLI:NL:HR:2020:311, ro. 3.1.5