Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:9826

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-10-2021
Datum publicatie
21-10-2021
Zaaknummer
200.282.824/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over factuur van een advocaat. Sprake van een overeenkomst onder opschortende voorwaarde als bedoeld in artikel 6:22 BW. Opschortende voorwaarde niet vervuld, geen betaling verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.282.824/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 186277)

arrest van 19 oktober 2021

in de zaak van

Cadans Beheer en Management B.V.,

die hoger beroep heeft ingesteld en gevestigd is in Rolde,

en die bij de rechtbank optrad als eiseres,

hierna te noemen: Cadans,

advocaat: mr. C.J. Bungay, die kantoor houdt in Yde,

tegen

1 Steenwell B.V.,

gevestigd te Groningen,

2. [geïntimeerde2],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

en die bij de rechtbank optraden als gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: Steenwell c.s.,

advocaat: mr. R. Duinker, die kantoor houdt in Groningen.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Na het tussenarrest van 9 maart 2021 heeft op 16 september 2021 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Ter voorbereiding op de mondelinge behandeling is een akte uitlating producties overgelegd.

1.2

Aan het slot van de mondelinge behandeling is een datum voor arrest vastgesteld.

2 Waar gaat het in deze zaak om?

2.1

Tussen partijen bestaat een geschil over betaling van de werkzaamheden in een aandelentransactie van de voormalig advocaat mr. [naam1] (hierna: mr. [naam1] ). Steenwell c.s. betwisten dat zij destijds opdracht hebben gegeven aan mr. [naam1] voor de gedeclareerde werkzaamheden, althans menen zij dat er uitsluitend betaling zou plaatsvinden onder de voorwaarde dat de werkzaamheden in het kader van de aandelentransactie volledig waren uitgevoerd en afgerond door mr. [naam1] . Omdat aan die voorwaarde niet is voldaan, is Steenwell c.s. geen betaling aan mr. [naam1] verschuldigd.

2.2

De rechtbank heeft overwogen dat Steenwell c.s. geen opdracht hebben gegeven voor de gedeclareerde werkzaamheden en de vordering van Cadans om die reden afgewezen. Het hof komt tot de conclusie dat de vorderingen van Cadans moeten worden afgewezen, omdat de voorwaarde waaronder betaling verschuldigd zou worden niet in vervulling is gegaan. Deze beslissing zal hierna worden gemotiveerd. Het hof zal eerst de relevante feiten vermelden en daarna de argumenten van partijen bespreken aan de hand van de bezwaren (‘grieven’) van Cadans tegen het vonnis van de rechtbank.

3 De relevante feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.2

Tussen Mr. [naam1] c.s. Advocaten B.V. (hierna: [naam1] Advocaten) en aan [geïntimeerde2] verbonden rechtspersonen zijn in het verleden één of meerdere overeenkomsten van opdracht tot stand gekomen, op grond waarvan [naam1] Advocaten in de persoon van mr. [naam1] in diverse kwesties juridische bijstand heeft verleend.

3.3

Op enig moment heeft [geïntimeerde2] mr. [naam1] benaderd in verband met een voorgenomen aandelenoverdracht. De aandelenoverdracht had betrekking op fondsen die onder drie vennootschappen vielen, welke vennootschappen optraden als beherend vennoten.

3.4

Mr. [naam1] is vervolgens namens [geïntimeerde2] in onderhandeling getreden met [naam2] , als kopende partij.

3.5

Bij notariële akte van 17 november 2015 heeft [naam1] Advocaten aan Cadans, voor 50% aandeelhouder van [naam1] Advocaten, tot zekerheid van de nakoming van haar verplichtingen uit een kredietovereenkomst in stil pand recht gegeven “alle huidige en toekomstige vorderingen van pandgever op derden – in de meest ruime zin”.

3.6

Op 5 april 2016 is [geïntimeerde2] door [naam1] Advocaten aangesproken tot betaling van een factuur met kenmerk: “Steenwell/verkoop [naam2]’ en met declaratienummer [nummer1] . Ter zake van honorarium, kantoorkosten, verschotten en btw is in totaal € 33.800,79 gefactureerd. Onderaan de factuur staat vermeld: 'De betaling gaarne uiterlijk 19 april 2016 overmaken op (…)”.

3.7

[naam1] heeft bij brief van 14 april 2016 aan [geïntimeerde2] onder meer geschreven:
“Mbt factuur [nummer1] Steenwell/Verkoop [naam2]
(…)
In de mail van 11 september 2015 10.07 u van jou aan [naam3] geef je aan dat "zoals ook besproken tijdens onze bijeenkomst zal Steenwell Verkoop: [naam2] pas betaald worden als de deal doorgaat.” Daarna kom ik geen mailcorrespondentie meer tegen over dit onderwerp.”

3.8

[naam1] Advocaten is op 19 april 2016 in staat van faillissement verklaard.

3.9

De curator en Cadans hebben op 11 juli 2016 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Op 30 januari 2018 hebben ze opnieuw een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de considerans van deze laatste vaststellingsovereenkomst is onder meer vermeld dat in artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst van 11 juli 2016 is overeengekomen dat Cadans gerechtigd is tot een bedrag van € 150.000,- van de aan haar verpande vorderingen te innen, zij het dat zij van de van het bedrag van € 50.000,- tot € 150.000,- geïnde vorderingen de helft aan de curator dient af te dragen, zodat zij per saldo niet meer dan € 100.000,- mag innen, dat tot nu toe € 51.766,97 is geïnd, zodat aan de boedel een bedrag van € 883,50 toekomt en dat de rest van de vorderingen oninbaar, onverhaalbaar of betwist is. De considerans vermeldt verder dat partijen overeenkomen dat Cadans genoemd bedrag van € 883,50 aan de boedel zal betalen en dat partijen na die betaling over en weer geen uitvoering verlangen van de verplichtingen die in artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst van 11 juli 2016 staan vermeld.

3.10

Op 19 juli 2018 is Steenwell c.s. door Cadans aangesproken tot betaling van de factuur met kenmerk: ‘Steenwell/verkoop [naam2] ’. Die factuur is onbetaald gebleven.

4 Het oordeel van het hof

4.1

Cadans vordert in hoger beroep dat het hof het vonnis van 18 maart 2020 van de rechtbank zal vernietigen en Steenwell c.s., na vermindering van eis, zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 31.054,09 inclusief btw, vermeerderd met een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten en met vertragingsrente van 9,5% per jaar en met veroordeling van Steenwell c.s. in de kosten van de beide instanties.

4.2

Cadans heeft in hoger beroep zes bezwaren (grieven) aangevoerd ter onderbouwing van haar betoog dat de rechtbank ten onrechte haar vorderingen heeft afgewezen. Cadans stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde2] persoonlijk opdrachtgever is geweest van de opdracht aan mr. [naam1] en daarom gehouden is de factuur te voldoen. De contacten vonden met [geïntimeerde2] persoonlijk plaats en het was ten tijde van het geven van de opdracht door [geïntimeerde2] nog niet duidelijk hoe de voorgenomen aandelenoverdracht vorm zou krijgen. Zo was nog onduidelijk wie de verkopende partij zou zijn en welke aandelen verkocht zouden worden. [geïntimeerde2] betwist dat hij persoonlijk opdrachtgever is. [geïntimeerde2] was geen aandeelhouder van de vennootschappen waarvan de aandelen zijn verkocht en om die reden niet bevoegd en in staat deze (persoonlijk) te verkopen of te leveren. Nog los van de vraag wie als opdrachtgever moet worden beschouwd, stelt [geïntimeerde2] dat een afspraak is gemaakt dat er alleen een vergoeding voor de werkzaamheden verschuldigd zou zijn, als de ‘deal’ onder begeleiding van mr. [naam1] zou worden afgerond.

4.3

Het hof zal de voor de vordering relevante bezwaren van Cadans hierna per onderwerp bespreken, zonder alle grieven afzonderlijk te benoemen en te behandelen. Aangezien een vermindering van eis, zolang nog geen eindarrest is gewezen, te allen tijde is toegestaan, zal het hof recht doen op de gewijzigde eis.

4.4

Het hof stelt voorop dat het hier gaat om de vraag of er een betalingsverplichting voor [geïntimeerde2] en/of Steenwell bestaat, op grond van een overeenkomst van opdracht tussen een advocaat en zijn cliënt. Partijen verschillen van mening over de totstandkoming, inhoud en uitleg van deze overeenkomst. Het hof gaat er hierna veronderstellenderwijs vanuit dat [geïntimeerde2] opdrachtgever is van de door mr. [naam1] verrichte werkzaamheden.

4.5

Vervolgens moet worden beoordeeld wat de tussen partijen gesloten overeenkomst inhoudt. Dat vergt uitleg aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf.1 Het komt er daarom op aan welke betekenis de betrokken partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien. Tegen het licht van deze maatstaf oordeelt het hof als volgt.

4.6

Bij memorie van antwoord heeft Steenwell c.s. aangevoerd dat pas een bedrag door mr. [naam1] gefactureerd zou worden als de ‘deal’ geëffectueerd zou zijn. [geïntimeerde2] heeft tijdens de mondelinge behandeling hierop aanvullend toegelicht dat hij met mr. [naam1] de afspraak had gemaakt dat [naam1] pas betaald zou krijgen op het moment dat de aandelen verkocht zouden zijn én mr. [naam1] de ‘deal’ zou hebben rondgemaakt. Betaling zou dan achteraf geschieden, nadat de ‘deal’ had plaatsgevonden. Volgens de toelichting van mr. [naam1] tijdens de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde2] hem verzocht om persoonlijk deze kwestie te behandelen. Het was op dat moment nog niet duidelijk hoe de transactie precies vormgegeven zou worden. Ook heeft mr. [naam1] ter zitting in reactie op vragen van het hof onderschreven dat zijn werkzaamheden pas zouden worden gefactureerd op het moment dat de transactie daadwerkelijk zou plaatsvinden. Hieruit - en uit het zijnerzijds ontbreken van een afdoende betwisting van de juistheid van de weergave van de gemaakte afspraken door Steenwell c.s. - volgt naar het oordeel van het hof dat wat betreft de betalingsverplichting voor de in het kader van de aandelentransactie door mr. [naam1] verrichte en te verrichten werkzaamheden sprake is geweest van een verbintenis die is gesloten onder een opschortende voorwaarde (artikel 6:22 BW). Het moment waarop de werkzaamheden betaald moeten worden, is immers door partijen afhankelijk gesteld van een toekomstige, onzekere gebeurtenis, namelijk van de vraag of mr. [naam1] erin zou slagen de aandelentransactie voor [geïntimeerde2] te (doen) effectueren. Het voorgaande brengt met zich mee dat, wanneer mr. [naam1] er niet in zou slagen de ‘deal’ te effectueren, er geen betalingsverplichting voor [geïntimeerde2] zou ontstaan. Tussen partijen staat niet ter discussie dat mr. [naam1] de aandelentransactie niet heeft kunnen effectueren, onder meer door het faillissement van [naam1] Advocaten. Dit betekent dat de voorwaarde waaronder betaling verschuldigd zou worden niet in vervulling is gegaan en de vorderingen van Cadans terecht door de rechtbank zijn afgewezen.

4.7

Bij deze stand van zaken kunnen de overige stellingen van Cadans onbesproken blijven. De bewijsaanbiedingen van partijen worden gepasseerd omdat er geen stellingen of verweren zijn die na bewijslevering tot een ander oordeel zou kunnen leiden dan hiervoor overwogen.

5 Slotsom

Uit het voorgaande volgt dat de grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden en dat de vorderingen van Cadans niet toewijsbaar zijn. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd. Cadans zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep conform het gebruikelijke liquidatietarief. Dat is € 2.071,- aan procedurele kosten (verschotten) en € 2.884,- voor salaris advocaat (2 punten in tarief III).

6 De beslissing

Het hof:

1. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland in Groningen van
18 maart 2020;

2. veroordeelt Cadans in de proceskosten in hoger beroep. Tot nu toe worden die vastgesteld op:

  • -

    € 2.071,- aan procedurele kosten (verschotten), en

  • -

    € 2.884,- aan salaris advocaat,

vermeerderd met € 163,- aan nasalaris, verhoogd met € 85,- indien Cadans niet binnen 14 dagen na de datum van dit arrest aan deze veroordeling heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.M.C. Boesberg, M. Willemse en P.S. Bakker, en is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2021.

1 Vgl. HR13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 en HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2043