Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:9803

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-10-2021
Datum publicatie
21-10-2021
Zaaknummer
200.296.706
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag, artikel 1:266 BW, minderjarige kinderen niet alsnog horen, artikel 809 lid 4 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.296.706

(zaaknummer rechtbank Overijssel 259772)

beschikking van 19 oktober 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.E. Swart te Roosendaal,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Almelo,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling,

Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Hengelo (Overijssel),

verder te noemen: de GI,

en

de pleegouders,

per adres van de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 3 februari 2021 en 12 april 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 12 april 2021 zal verder ook worden genoemd: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 6 juli 2021;

- de brief van 2 september 2021 met producties van de GI;

- het verweerschrift van de raad;

- een journaalbericht van mr. Swart van 15 september 2021;

- een journaalbericht van mr. Swart van 16 september 2021.

2.2

De hierna nader te noemen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over het verzoek, maar zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

Het hof heeft het verzoek van de moeder (bij journaalbericht van 15 en 16 september 2021) om de mondelinge behandeling in dit hoger beroep uit te stellen, afgewezen. Het hof licht dat toe.

De moeder voert aan dat zij op zeer korte termijn aanvullende stukken moet verzamelen ter onderbouwing van haar standpunt, terwijl alle andere belanghebbenden ruim de tijd hebben gehad om een verweerschrift in te dienen. Het hof acht de moeder echter niet in haar belangen geschaad door de korte termijn vanaf de datum van indiening van haar beroepschrift tot de mondelinge behandeling. De moeder heeft immers al vanaf het moment dat zij met haar advocaat heeft besloten om in hoger beroep te komen stukken ter nadere onderbouwing van haar standpunt kunnen verzamelen.

Voor zover de moeder haar verzoek tot aanhouding baseert op haar gezondheidstoestand, acht het hof dat verzoek onvoldoende onderbouwd. Daarbij weegt het hof mee dat niet duidelijk is wanneer de moeder volgens haarzelf weer in staat is de zitting bij te wonen, terwijl het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is dat zij over niet al te lange tijd duidelijkheid krijgen wat de beslissing van het hof zal zijn over het gezag van de moeder over hen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 20 september 2021 plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

  • -

    de advocaat van de moeder,

  • -

    [naam1] , namens de raad,

  • -

    [naam2] , namens de GI.

De pleegouders zijn niet verschenen.

3 De feiten

3.1

De moeder en [de vader] zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren te [plaats1] [in] 2005, en

- [de minderjarige2] , geboren te [plaats2] [in] 2007.

De moeder oefent alleen het gezag uit over de kinderen.

3.2

Bij beschikking van 24 juli 2018 heeft de kinderrechter [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (voorlopig) onder toezicht gesteld, voor de duur van twee weken. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 3 oktober 2021.

3.3

Bij beschikking van 6 maart 2019 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De machtiging tot uithuisplaatsing is nadien telkens verlengd, eveneens laatstelijk tot 3 oktober 2021.

3.4

Tot de uithuisplaatsing verbleven [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de moeder. Vanaf 7 maart 2019 tot 6 mei 2019 hebben zij in een 24-uurs accommodatie jeugdhulpaanbieder verbleven. Sinds 6 mei 2019 wonen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een (perspectiefbiedend) pleeggezin.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, op verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd en de GI tot voogd benoemd.

4.2

De moeder is met acht grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de raad om het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te beëindigen alsnog af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, kosten rechtens.

4.3

De raad voert verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

4.4

De GI is het niet eens met het verzoek van de moeder. De GI verzoekt het hof in haar brief van 2 september 2021 – die het hof aanmerkt als een verweerschrift – het verzoek van de moeder strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Allereerst gaat het hof in op het verzoek van de moeder om de kinderen te horen. De moeder verzoekt dit omdat zij heeft vernomen dat de kinderen bij haar willen wonen. De moeder heeft dit verzoek gebaseerd op artikel 809 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. Het hof heeft de kinderen in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken en de kinderen hebben ervoor gekozen hiervan geen gebruik te maken. Hoewel het hof niet kan vaststellen of de kinderen in deze keuze door derden beïnvloed zijn, moet het er voor worden gehouden dat de voogd (vanuit zijn professionele achtergrond) en de pleegouders zich met het oog op de belangen van de kinderen neutraal opstellen en dit een eigen keuze van de kinderen betreft. De moeder ziet niet in dat het belastend is voor de kinderen om hun keuze niet te respecteren; de kinderen worden met het horen in een loyaliteitsconflict gebracht. Het hof gaat daarom voorbij aan het verzoek van de moeder om een nadere dag te bepalen waarop de kinderen alsnog kunnen worden gehoord.

5.3

Het hof is met de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, van oordeel dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te dragen binnen voor de kinderen aanvaardbaar te achten termijn.

5.4

Ter aanvulling overweegt het hof – mede op grond van hetgeen de raad naar voren heeft gebracht – dat de kinderen bij de moeder vóór hun uithuisplaatsing een lange periode in een situatie hebben verbleven waarin zij onvoldoende konden toekomen aan hun eigen ontwikkeling. De moeder was niet in staat om de kinderen een goed opvoedingsklimaat te bieden. De kinderen hadden weinig sociale contacten en hebben veel schoolwisselingen meegemaakt. Zij zijn zelfs een periode helemaal niet naar school geweest. Het hof heeft eerder geoordeeld dat een uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk was. De kinderen hebben zich positief ontwikkeld in het pleeggezin. De moeder zag en ziet ook thans de noodzaak van de uithuisplaatsing niet in. Hieruit leidt het hof af dat de moeder onvoldoende inzicht heeft in wat de kinderen nodig hebben en zij onvoldoende in staat is om te handelen vanuit de belangen van de kinderen.

Het hof passeert de stelling van de moeder dat de voogd haar onvoldoende informeert en betrekt bij de opvoeding van de kinderen. Uit de stukken in het dossier in deze procedure blijkt dat diverse instanties steeds geprobeerd hebben om de moeder te benaderen over de situatie en de opvoeding van de kinderen, maar dat de moeder structureel geen gebruik van deze mogelijkheden kan of wil maken en nooit aan besprekingen over de kinderen deelneemt.

5.5

Voor het hof is aannemelijk geworden dat de aanvaardbare termijn mede gelet op de leeftijd van de kinderen is verstreken. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] moeten niet langer worden belast met de spanningen die een (jaarlijkse) verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing met zich brengen. Zij zijn gebaat bij de zekerheid dat ze bij de pleegouders blijven wonen.

Dat de moeder een uitgebreider contact met de kinderen wil, is voor het hof geen reden om haar gezag niet te beëindigen. De moeder moet haar wens bespreken met de voogd. Als moeder van de kinderen moet zij betrokken blijven worden bij de opvoeding van de kinderen en daarover geïnformeerd worden. De GI heeft toegelicht dat begeleiding bij de omgang nodig is om te voorkomen dat de moeder de kinderen belast met bepaalde uitspraken onder meer over de rechtszaken. Na een bekrachtiging van de gezagsbeëindiging verwacht de GI te kunnen gaan werken aan afbouw van de begeleiding.

5.6

Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] het gezag van de moeder te beëindigen en de stabiliteit en continuïteit in hun opvoedingssituatie bij de pleegouders voort te zetten. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.

5.7

Gelet op de aard van de onderhavige procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 12 april 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, R. Feunekes en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door de griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. M.H.F. van Vugt en is op 19 oktober 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.