Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:9751

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-10-2021
Datum publicatie
09-11-2021
Zaaknummer
Wahv 200.272.676/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wanneer de griffier al de gelegenheid heeft gegeven de beroepsgronden aan te vullen, hoeft dat niet bij tussenuitspraak te worden herhaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.272.676/01

CJIB-nummer

: 215985797

Uitspraak d.d.

: 19 oktober 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 december 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert onder meer aan dat de officier van justitie het administratief beroep ongegrond heeft verklaard zonder de gemachtigde van de betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld de beroepsgronden in te dienen, terwijl daar wel om was verzocht. De kantonrechter had de beslissing van de officier van justitie dus niet in stand mogen laten.

2. Als in het beroepschrift uitdrukkelijk en zonder voorbehoud wordt verzocht om een termijn om gronden in te dienen, dan moet die worden geboden. Dat volgt uit de eisen van een zorgvuldige procesvoering. Deze verplichting lijdt uitzondering indien een redelijk belang bij inwilliging ontbreekt (vgl. het arrest van het hof van 18 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3032).

3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde bij brief van 28 mei 2018 administratief beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking en daarbij heeft verzocht om een termijn voor het indienen van gronden. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard zonder de gemachtigde een termijn te geven voor het indienen van gronden. De kantonrechter had de beslissing van de officier van justitie dus niet in stand mogen laten. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Dit brengt mee dat de overige bezwaren tegen deze beslissingen geen bespreking meer behoeven.

4. Tegen de inleidende beschikking zijn geen gronden aangevoerd. Het hof gaat voorbij aan het verzoek van de gemachtigde om hem daartoe bij tussenarrest in de gelegenheid te stellen, nu een redelijk belang daarbij ontbreekt. Daartoe wijst het hof erop dat de gemachtigde reeds door de griffier van het hof in de gelegenheid is gesteld om de gronden tegen de beslissing van de kantonrechter in te dienen en van een professioneel gemachtigde mag worden verwacht dat hij dan ook de gronden tegen de inleidende beschikking formuleert. De gemachtigde heeft niet aangegeven waarom hij daartoe niet in staat was. Aldus heeft de gemachtigde voldoende gelegenheid gehad om de bezwaren tegen de inleidende beschikking naar voren te brengen en komen de gevolgen van de omstandigheid dat hij dat niet heeft gedaan voor zijn rekening. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt daarom ongegrond verklaard.

5. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). In hetgeen de gemachtigde in dit verband heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om terug te komen op het oordeel zoals in deze arresten verwoord.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.