Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:9724

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-10-2021
Datum publicatie
26-10-2021
Zaaknummer
200.290.448/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag van de moeder wordt beëindigd ondanks haar bereidheid de kinderen elders te laten opgroeien. Het hof legt uit waarom het hof onvoldoende vertrouwen heeft in voortzetting van de uithuisplaatsing in het vrijwillig kader onder handhaving van het gezag van de moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.290.448/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 255962)

beschikking van 14 oktober 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende op een geheim te houden adres,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,

en

de raad voor de kinderbescherming,

regio Overijssel, locatie Zwolle,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad,

en


de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de vader] ,

wonende op een onbekend adres in [land] ,

verder te noemen: de vader,

2 [de pleegouders] ,

wonende op een geheim te houden adres,

verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige3] ,

3 [de gezinshuisouders] ,

wonende op een geheim te houden adres,

verder te noemen: de gezinshuisouders van [de minderjarige2] .

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van 21 januari 2021 van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 18 februari 2021;

- een brief namens de moeder van 31 maart 2021 met bijlage(n);

- een brief namens de moeder van 7 april 2021 met bijlage(n);

- een brief namens de moeder van 22 april 2021 met bijlage(n);

- een brief namens de moeder van 26 april 2021 met bijlage(n);

- een brief namens de moeder van 6 mei 2021 met bijlage(n);

- het verweerschrift van de GI;

- het verweerschrift van de raad met bijlage(n);

- een e-mail namens de moeder van 16 september 2021 met daarin bladzijde 4 van het proces-verbaal van de rechtbank van 8 januari 2021.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 september 2021 in Zwolle plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is [naam1] verschenen. Namens de GI zijn verschenen [naam2] (jeugdbeschermer) en [naam3] .

Aan een stagiaire van de GI, C. Vossegat, is bijzondere toegang tot de mondelinge behandeling verleend.

3 De feiten

3.1

Uit het huwelijk van de ouders, die inmiddels gescheiden zijn, zijn geboren [de minderjarige1] [in] 2009, [de minderjarige2] [in] 2011 en [de minderjarige3] [in] 2014.

3.2

Bij beschikking van 4 oktober 2016 heeft de kinderrechter [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] voorlopig onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Overijssel. Tevens is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in een accommodatie voor pleegzorg 24-uurs. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] is - bij aansluitende machtigingen- verlengd tot 4 januari 2022, net als de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] .

3.3

Bij beschikking van 18 januari 2018 heeft de kinderrechter Jeugdbescherming Overijssel vervangen door de GI.

3.4

[de minderjarige3] verblijft sinds 27 november 2018 in het huidige pleeggezin. [de minderjarige2] verblijft sinds 11 december 2018 in het huidige gezinshuis.

3.5

[de minderjarige1] verblijft inmiddels weer bij de moeder en zij heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige1] te belasten.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 21 januari 2021 heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de ouders over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] beëindigd en de GI tot voogd benoemd.

4.2

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 januari 2021. Deze grief ziet op de beëindiging van haar ouderlijk gezag. Ze verzoekt de beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot beëindiging van haar ouderlijk gezag over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] af te wijzen.

4.3

De raad voert verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

4.4

De GI voert verweer en verzoekt de gezagsbeëindiging te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

Het hof is het eens met het oordeel van de rechtbank dat het gezag van de moeder over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] moet worden beëindigd. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke eisen voor gezagsbeëindiging genoemd in artikel 1:266 lid 1 sub a BW.

5.4

Gebleken is dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd. Bij zowel [de minderjarige2] als [de minderjarige3] is op sociaal-emotioneel gebied sprake van ernstige problematiek waardoor zij beiden veel vragen van hun opvoedingsomgeving. De moeder erkent inmiddels dat zij dit [de minderjarige2] en [de minderjarige3] niet kan bieden.

5.5

Sinds oktober 2016 zijn de kinderen uit huis geplaatst en sinds eind 2018 verblijft [de minderjarige2] in het gezinshuis en [de minderjarige3] bij zijn pleegouders. De moeder ziet dat [de minderjarige3] het fijn en goed heeft bij de pleegouders en dat ook de zorg voor [de minderjarige2] bij het gezinshuis in goede handen is. Het perspectief van de kinderen ligt niet bij de moeder (maar in de pleeggezinnen).

5.6

De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn in beginsel van tijdelijke aard en dienen gericht te zijn op (het werken aan) de terugkeer van het kind naar de ouder(s). Deze maatregelen kunnen slechts worden verlengd indien de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn, in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding te dragen. Wanneer – zoals in dit geval - vast is komen te staan dat er niet langer gewerkt wordt aan thuisplaatsing, zijn die maatregelen niet langer passend. Dat de moeder – zoals zij stelt – inmiddels goed samenwerkt en het perspectief niet bestrijdt, maakt dat niet anders.

Bij behoud van het ouderlijk gezag zouden de maatregelen jaarlijks verlengd moeten worden, waarbij de verblijfplaats van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] steeds weer ter discussie staat of kan staan, wat onrust en spanning met zich brengt. Het risico bestaat dat de kinderen die onrust en spanning aanvoelen en overnemen.

Het laten voortduren van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing is daarom niet de aangewezen weg.

5.7

De moeder stelt dat de uithuisplaatsing voortgezet kan worden in een vrijwillig kader. De moeder geeft daarbij aan dat zij duurzaam bereid is de kinderen in de pleeggezinnen te laten opgroeien.

5.8

Het is positief en in het belang van de kinderen dat de moeder instemt met het verblijf van [de minderjarige3] bij de pleegouders en dat zij instemt met het verblijf van [de minderjarige2] in het gezinshuis. Het hof is er echter niet van overtuigd dat volstaan kan worden met een plaatsing in een vrijwillig kader - onder handhaving van het gezag van de moeder - van [de minderjarige2] in het gezinshuis en [de minderjarige3] in het pleeggezin. De moeder heeft een licht verstandelijke beperking en een beperkte draagkracht vanwege haar eigen problematiek. De moeder is betrokken en doet haar best, maar heeft veel uitleg en sturing van de GI nodig om tot goede beslissingen voor de kinderen te kunnen komen. Deze beslissingen zijn, vanwege de problematiek van de kinderen, niet altijd eenvoudig en voor de moeder soms moeilijk te begrijpen en te aanvaarden.

Voorts is de GI nodig om de contacten en het overleg met de pleegouders en de gezinshuisouders goed te houden. De moeder had en heeft nog steeds moeite met de plaatsing van [de minderjarige3] in een erg gelovig gezin. De samenwerking tussen de moeder en pleegouders en de gezinshuisouders is de laatste periode verbeterd, echter deze blijft broos en vraagt nog steeds aandacht en begeleiding van de GI.

De aanwezigheid van de GI is derhalve van wezenlijk belang, wat maakt dat een plaatsing in het pleeggezin en het gezinshuis niet in het vrijwillig kader kan plaatsvinden.

5.9

Zoals de moeder ter zitting van het hof heeft aangegeven, is er nagenoeg geen contact met de vader en wil ze niets meer met de vader te maken hebben. Als de moeder echter het gezag zou behouden, zou zij de kinderen actief moeten stimuleren en ondersteunen bij het contact met hun vader en met hem moeten overleggen. Naast de weerstand die ze tegen de vader heeft, zal dit haar draagkracht te boven gaan.

Ook voor de GI is het heel moeilijk om in contact te blijven met de vader en hem te betrekken bij het leven van de kinderen. Ter zitting heeft de GI aangegeven dat zij heel veel moeite moet doen om in contact te komen en te blijven met de vader en om tot afspraken over omgang tussen hem en de kinderen te komen (nadat hij ze maanden niet heeft gezien en de GI bij hem heeft moeten aandringen op omgang). De GI is daarom ook nodig om de contacten tussen de vader en de kinderen in goede banen te leiden en de vader een rol in het leven van de kinderen te laten houden.

5.10

De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd.

5.11

Het hof overweegt ten overvloede nog het volgende. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij bang is dat zij door de maatregel van gezagsbeëindiging niet meer de moeder van de kinderen is. Het feit dat het gezag van de moeder over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] is beëindigd, brengt niet met zich dat zij voor hen minder belangrijk is of dat zij geen rol meer in hun leven speelt. Immers, de moeder zal ook bij beëindiging van het gezag altijd hun moeder blijven. Bovendien houdt zij het recht op informatie over de ontwikkeling van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en op contact met hen voor zover het belang van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zich hiertegen niet verzet. Het is hierbij positief dat de moeder zich meewerkend opstelt en het hof acht het van belang dat de moeder de door haar ingezette positieve lijn volhoudt, zodat [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zoveel mogelijk kunnen profiteren van het contact met de moeder. Nu de verplichting van de moeder om de zaken voor hen te regelen wegvalt, kan alle aandacht uitgaan naar een goed en fijn contact tussen de moeder en [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en kan dit hun band juist versterken.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 21 januari 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, A.P. de Jong-de Goede en L. van Dijk, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 14 oktober 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.