Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:9627

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-10-2021
Datum publicatie
18-10-2021
Zaaknummer
200.269.295
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep; in eigen beheer nemen door verzekeraar van eindigende (wagenpark-) verzekering is hier niet in strijd met enige overeenkomst noch onrechtmatig jegens assurantietussenpersoon; tegen expiratie oude verzekering rechtstreekse eindonderhandeling over nieuwe verzekering; wens van verzekerde om in de eindonderhandelingen direct te worden bediend; Artikel 4:103 Wft beoogt niet om iedere concurrentie aan het eind van een verzekeringsperiode uit te sluiten, te meer in de bijzondere situatie van dit geval; artikel 4:103 Wft strekt er niet (langer) toe om aanspraken van assurantietussenpersonen op provisie veilig te stellen; het is aan de verzekeringstussenpersoon om aan de klant transparant uit te leggen wat het beheer van de verzekering direct of indirect zal kosten, waarop de klant dan, geïnformeerd, kan kiezen of hij wel, en zo ja tegen welk tarief, danwel geen gebruik wil maken van de diensten van de tussenpersoon; gederfde omzet is nog geen gederfde winst.

Artikelen 6:96 en 97, 7:425 BW en 103 Wft

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.269.295

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, NL18.15785)

arrest van 12 oktober 2021

in de zaak van

de vennootschap onder firma

Bridge V.O.F.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Bridge,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert,

tegen:

de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: verweerster,

hierna: Achmea,

advocaat: mr. J.P. Broekhuizen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 13 februari 2019 dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, tussen partijen heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 9 mei 2019,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord,

- de pleidooien overeenkomstig de overgelegde pleitnotities

- het proces-verbaal van de pleidooizitting.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op het tevoren door Bridge overgelegde dossier.

3 Waar deze zaak over gaat

de kwestie

3.1

Het gaat hier over de vraag of schadeverzekeraar Achmea jegens Bridge als assurantietussenpersoon en/of adviseur van (de oude) Spuigroep onrechtmatig heeft gehandeld dan wel is tekortgeschoten bij het in eigen beheer nemen van haar wagenparkverzekering.

de feiten

3.2

Achmea had via Interpolis sedert 2001 het wagenpark verzekerd van (de oude) Spuigroep, sedert november 2012 onder de werking van een “Mantelovereenkomst motorrijtuigverzekering”1, waarin (in artikel 9) een courtage was vastgelegd voor Bridge als adviseur van Spuigroep en voor [naam1] als administrateur2. Verder had Achmea via Centraal Beheer sedert 2011 rechtstreeks het wagenpark verzekerd van Markeur (en haar werkmaatschappijen Multilease en Multirent) . Vanwege een eind 2015 tussen Spuigroep en Markeur op gang gekomen fusieproces hebben al deze betrokkenen op 18 december 2015 onderling afspraken gemaakt om een verzekeringsoplossing te bedenken voor de nieuwe combinatie Spuigroep/Markeur (verder: Spuigroep)3. Per e-mail van 17 februari 2016 heeft Achmea aan Bridge en [naam1] geschreven dat de communicatie conform afspraken over de rolverdeling tussen Bridge, [naam1] en Achmea via [naam1] aan Bridge zou verlopen4. Op 29 maart (of 10 april) 2016 heeft Achmea/Centraal Beheer voor het gehele wagenpark van Spuigroep een verzekeringsvoorstel gedaan5, welk voorstel niet werd aanvaard. In juni 2016 heeft Bridge als bemiddelaar van Spuigroep nog met Achmea een beperkte “Samenwerkingsovereenkomst voor bemiddeling in financiële diensten”6 gesloten. In het najaar van 2016 is Bridge voor Spuigroep op zoek gegaan naar een alternatieve verzekeraar. In de loop van 2016 zijn er rechtstreekse contacten geweest tussen ( [naam2] , CFO van) Spuigroep en ( [naam3] van) Centraal Beheer/Achmea7. Bij brief van 31 oktober 2016 heeft Achmea/Interpolis aan [naam1] de wagenparkverzekering van (de oude) Spuigroep opgezegd tegen 31 december 20168. Dan zou ook de (geprolongeerde) wagenparkverzekering voor het Markeur-deel aflopen en moesten beide verzekeringen zijn overgesloten. Per e-mail van 21 december 2016 heeft Achmea aan [naam1] voor Spuigroep een nieuw mondeling aanbod van 19 december 2016 op schrift gezet9. Per e-mail van 22 december 2016 heeft Bridge aan Spuigroep het alternatieve verzekeringsvoorstel van Biesbosch Assuradeuren namens verzekeraar Ethias overgebracht10. Op 23 december 2016 heeft Achmea rechtstreeks aan ( [naam2] van) Spuigroep een definitief verzekeringsvoorstel gedaan11, dat deze heeft aanvaard. Daarin was niets geregeld ten behoeve van Bridge.

3.3

Vanwege grief 1 staat niet zonder meer vast, zoals in rov. 2.12 van het vonnis is overwogen, dat Achmea haar verzekeringsvoorstel van 21 december 2016 heeft uitgebracht op verzoek van ( [naam2] van) Spuigroep.

4 Het geschil, de beslissing van de rechtbank en de grieven

4.1

Bridge wijt in dit traject het verlies van haar provisie/inkomsten over de opvolgende jaren 2017 en 2018 aan diverse normschendingen door Achmea (zie hierna sub 4.3). Bridge heeft daarom haar veroordeling gevorderd tot betaling van een schadevergoeding van (16.000 auto’s x € 3,50 jaarprovisie × 2 jaar =) € 112.000 met rente en kosten.

In haar vonnis heeft de rechtbank de vordering afgewezen.

4.2

Daartegen komt Bridge op met haar grieven 2 tot en met 5, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen. Grief 6 tegen het dictum mist zelfstandige betekenis.

4.3

Had Bridge bij de rechtbank haar grondslag nog gezocht in een tekortkoming van Achmea, in haar memorie van grieven voert zij aan:
“STANDPUNT IN HOGER BEROEP

(…)
3.2 Achmea heeft onrechtmatig gehandeld jegens Bridge. Gelet op de vergevorderde fase waarin de onderhandelingen zich eind december 2016 bevonden, brengen de ongeschreven regels uit het maatschappelijk verkeer in de eerste plaats mee dat Achmea op 23 december 2016 niet de met [naam1] en Bridge gemaakte communicatieafspraken mocht schenden waaraan zij zich tot 23 december 2016 steeds had gehouden. Daarnaast stond het Achmea niet vrij rechtstreeks aan Spuigroep een gunstiger voorstel te doen dan de voorstellen die Achmea eerder steeds had gedaan in het contact met [naam1] en Bridge. Tot slot was het Achmea niet toegestaan voor het eerst op 23 december 2016 een voorstel te doen waarin geen rol was weggelegd voor [naam1] en Bridge.

3.3

Bovendien heeft Achmea met haar gewraakte actie op 23 december 2016 in strijd gehandeld met het wettelijke portefeuillerecht van Bridge. Het wettelijke portefeuillerecht van een assurantietussenpersoon strekt er juist toe de tussenpersoon tegen de verzekeraar te beschermen aan het einde van de looptijd van de verzekeringsovereenkomst. Achmea heeft precies gedaan waartegen het portefeuillerecht Bridge beoogt te beschermen, hetgeen onrechtmatig is”.

Achmea heeft een en ander gemotiveerd bestreden.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

twee vertrekpunten

5.1

Hoewel Bridge daarover in hoger beroep niet heel erg duidelijk is, wil het hof aannemen dat zij haar vorderingen, behalve op onrechtmatige daad, ook grondt op een toerekenbare tekortkoming van Achmea.

5.2

Verder zal het hof uitgaan van de veronderstelling dat de wagenparkverzekering van (de oude) Spuigroep in relatie tot Achmea/Interpolis deel uitmaakte van de verzekeringsportefeuille van Bridge als (hoofd-)bemiddelaar. Dit is niet zo bij de wagenparkverzekering van Markeur; die was rechtstreeks afgesloten bij Achmea/Centraal Beheer.

contractuele regels?

5.3

De Samenwerkingsovereenkomst bevatte in artikel 4 een aantal onderlinge gedragsregels12 en maakte in artikel 8 melding van een portefeuillerecht, maar daarbij is van belang dat de Samenwerkingsovereenkomst aan Bridge alleen het bemiddelingsrecht verleende voor de Achmea-merken in de tabel: Leven, Schadeverzekeringen en Inkomensverzekeringen van Avéro Achmea en Zorgverzekeringen van Avéro Achmea en Zilveren Kruis. De Samenwerkingsovereenkomst was dan ook niet van toepassing op de relatie van partijen wat betreft de wagenparkverzekeringen onder de labels Interpolis en Centraal Beheer. Bridge heeft wel gesteld13 dat de samenwerking plaatshad ingevolge artikel 1.2 van de Samenwerkingsovereenkomst en in de praktijk is uitgebreid tot de communicatieafspraken met Achmea over de wagenparkverzekering van Spuigroep, maar Achmea heeft dit, onder meer met een beroep op een andere type verzekeringsovereenkomst (grootzakelijke wagenparkverzekeringsconstructies), gemotiveerd betwist, zodat dit niet vaststaat.

5.4

In de Mantelovereenkomst was Bridge niet als partij gedefinieerd. Die overeenkomst bevatte, afgezien van de courtageregeling in artikel 9, geen gedragsregels voor partijen onderling.

5.5

De afspraken van 18 december 201514 hielden niet meer in dan dat alle partijen in januari 2016 met elkaar om de tafel zouden gaan om een nieuwe verzekeringsoplossing te bedenken voor de nieuwe combinatie Spuigroep/Markeur met als nadrukkelijke wens om een samenwerking aan te gaan voor meerdere jaren op alle facetten en onderdelen tussen alle partijen. Dit heeft geleid tot het verzekeringsvoorstel van Achmea van 29 maart 2016, dat, zoals hiervoor al vastgesteld, niet is geaccepteerd. Daarop is toen ook niet is doorgepraat. Bridge dacht, aldus [naam4] bij de pleidooien in hoger beroep, dat het geen zin had om verder te praten omdat Centraal Beheer niet thuis zou geven en dat Bridge het beter ergens anders in de markt kon proberen. Bridge heeft geen contact meer gezocht met Centraal Beheer om te vragen of er nog een mogelijkheid tot verzekeren was, zo verklaarde [naam4] . Naar het oordeel van het hof heeft Bridge daarmee ook zelf aanvaard dat de procesafspraken van 18 december 2015 na maart 2016 niet meer van toepassing waren, voor zover het (rechtstreekse) contact tussen Centraal Beheer en Spuigroep daarmee al in strijd zou zijn geweest.

onrechtmatige daad van Achmea?

5.6

Al met al bestaat er dus geen contractuele grondslag voor de vordering van Bridge.

Niettemin kunnen de gedragsregels uit artikel 4 van de Samenwerkingsovereenkomst, en indien zij een (bewezen) marktgebruik zouden betreffen, wel een zekere invloed uitoefenen bij het antwoord op de vraag of Achmea onrechtmatig heeft gehandeld. Voor zover hier van belang houdt artikel 4 in:

4. Klantbenadering

4.1

Het uitgangspunt van onze samenwerking is dat als de klant kiest voor de bediening via een Bemiddelaar, de contacten met de klant alleen via die Bemiddelaar verlopen. Kiest de klant voor een product met directe bediening dan is het uitgangspunt dat wij de klant direct benaderen. Er kan per merk verschil bestaan in de manier waarop wij de klant benaderen. Wij zorgen ervoor dat voor u altijd duidelijk is welke wijze van bediening bij welk product hoort.

4.2

Als de klant kiest voor een product van een merk met intermediaire bediening, dan geldt de in lid 1 genoemde hoofdregel dat alle contacten over het gesloten product via de bemiddelaar verlopen. Tenzij wet- of regelgeving of rechtspraak ons verplicht om de

klant rechtstreeks te informeren. Of als dat voor de juiste uitvoering van een bestaande overeenkomst in redelijkheid nodig is. In die gevallen zullen wij u tijdig een kopie van de informatie sturen. Partijen realiseren zich daarbij dat de klant altijd zelf beslist hoe en door wie hij wil worden geholpen. Daarom staan wij de klant te woord, als hij rechtstreeks contact met ons opneemt met een vraag of verzoek. Voeren wij op verzoek van een klant een mutatie door? Dan krijgt u daarvan bericht. Als in verband met de aanpassing advies noodzakelijk is, dan verwijzen wij de klant door naar u. Wij stellen u ervan op de hoogte, wanneer wij rechtstreeks contact hebben met de klant. Tenzij u ons laat weten dat u daaraan geen behoefte heeft.”

Artikel 4 regelt de informatiepositie van de assurantietussenpersoon, maar legt het primaire accent toch steeds op de wensen en de autonomie van de klant.

Zo ook artikel 4:103 Wft, dat de verzekeraar verbiedt om zonder toestemming van de bemiddelaar een verzekering uit de portefeuille van een bemiddelaar in eigen beheer te nemen behoudens een schriftelijk verzoek van de cliënt.

5.7

Op grond van de verklaring van [naam3] bij de pleidooien in hoger beroep, staat wel vast dat hij (destijds salesmanager bij Centraal Beheer) en [naam2] (voor Spuigroep) in de beide laatste werkweken van 2016 veelvuldig rechtstreeks per e-mail en telefonisch contact hebben gehad. Niet van belang vindt het hof wie het initiatief nam voor dit contact, zodat aan het bewijsaanbod van Bridge op dit punt15 wordt voorbijgegaan. ( [naam2] van) Spuigroep had op 16 december 2016 naar zijn melding aan [naam3] (de contouren van) een voorstel van een andere verzekeraar in de tas16 en wilde dat Achmea omlaag ging met de premie, maar dat heeft [naam3] geweigerd. Meerdere onderlinge contacten tussen hen in het volgend weekend, waarin [naam2] continu aan Achmea vroeg om de verschillen tussen beide verzekeraarsaanbiedingen te matchen, hebben op de volgende maandag 19 december 2016 geleid tot een nieuw, mondeling aanbod van Achmea, dat zij per e-mail heeft bevestigd op 21 december 201617 aan Bridges contactpersoon [naam1] , zodat deze wist dat Achmea weer in de race was. [naam1] heeft dit per e-mail van 22 december 2016 doorgegeven aan Bridge met de opmerking dat er nog een uiterste poging bij Centraal Beheer werd gedaan om de premie verlaagd te krijgen18. Even later die dag heeft Bridge per e-mail aan ( [naam2] van) Spuigroep het alternatieve verzekeringsvoorstel van Biesbosch Assuradeuren namens verzekeraar Ethias overgebracht (inclusief een provisie voor Bridge)19. Volgens de verklaring van [naam3] heeft er nog een bespreking in Den Haag plaatsgevonden en heeft ( [naam2] van) Spuigroep dit alternatief gebruikt om haar, Achmea, te bewegen tot een laatste bod per e-mail van 23 december 2016 om 18:52 uur (de vrijdagavond voor het kerstreces), dat werd geaccepteerd. Deze overeenkomst voorzag niet in een provisie. Daarin verbond Achmea zich om alles in verband met de verzekering in eigen beheer te doen tegen een all-in-prijs, ook het verhalen van cascoschades. Of dit door Spuigroep aanvaarde aanbod voor haar nu wel of niet financieel aanzienlijk gunstiger was dan het voorstel van Bridge/Ethias, is niet doorslaggevend, zodat het bewijsaanbod van Bridge op dit punt20 wordt gepasseerd.

5.8

Het is dus uiteindelijk ( [naam2] van) Spuigroep geweest die in rechtstreeks contact met Achmea haar laatste bod heeft uitonderhandeld en daarbij het concurrerende bod van een andere verzekeraar, dat het resultaat was van de onderzoeksinspanningen van Bridge, als basis heeft gebruikt voor die onderhandelingen. Daarin lag voor Achmea onmiskenbaar de wens van Spuigroep besloten om in de eindonderhandelingen direct te worden bediend. Er zijn geen aanwijzingen dat Achmea, bijvoorbeeld door onjuiste informatieverstrekking aan [naam1] , Bridge al dan niet bewust buitenspel zou hebben gezet. Naar Bridge onvoldoende concreet heeft weersproken, bevatte ieder verzekeringsvoorstel van Achmea nog ruimte aan Spuigroep om te kiezen voor een eventuele rol van ( [naam1] en) Bridge als bemiddelaar/tussenpersoon onder de mogelijkheid van aanpassing van premie en kosten. Dat Achmea niet (direct) een kopie van haar laatste bod aan [naam1] heeft verzonden, oogt in het licht van de (gestelde) indirecte werking van artikel 4 van de Samenwerkingsovereenkomst minder fraai, maar is op zichzelf, zonder bijkomende omstandigheden die niet zijn gesteld of gebleken, niet zonder meer in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

5.9

Evenmin kan worden volgehouden dat Achmea op de hiervoor omschreven wijze de wagenparkverzekering van de oude Spuigroep in strijd met artikel 4:103 Wft in eigen beheer heeft genomen. Niet alleen had zij daarvoor de overduidelijke toestemming van de cliënte Spuigroep, maar ook betrof het onderhandelingen over een opvolgende verzekeringsovereenkomst op een moment dat de beide eerdere wagenparkverzekeringen tegen hun eind liepen en vanwege het WA(M)-deel hoe dan ook vóór 1 januari 2017 moesten zijn overgesloten. In redelijkheid valt dan niet in te zien dat verzekeraars aan het eind van zo’n verzekering niet in rechtstreeks contact met gegadigden zouden mogen concurreren over een voor die gegadigden zo gunstig mogelijk concurrerend aanbod. Artikel 4:103 Wft beoogt niet om iedere concurrentie aan het eind van een verzekeringsperiode uit te sluiten. Dit geldt eens te meer in de bijzondere situatie van dit geval, waarin Achmea al via Centraal Beheer zonder tussenpersoon een rechtstreekse relatie onderhield met Markeur en het de wens van (ook) Spuigroep was om de beide expirerende wagenparkverzekeringen samen te voegen tot één nieuwe verzekeringsoplossing.

Al met al heeft Bridge onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat Achmea haar (zoals [naam4] verklaarde: rechts over de vluchtstrook) onrechtmatig zou hebben gepasseerd.

oorzakelijk verband met de (gevorderde) schade?

5.10

Maar ook indien wel een normschending op dit punt zou moeten worden aangenomen en Achmea (al dan niet via [naam1] ) Bridge tegelijkertijd op de hoogte had moeten brengen van haar laatste bieding dan nog kan de schade niet zo maar worden vastgesteld op basis van verloren provisie.

Onder het hypothetisch scenario is dan eerst de vraag of Bridge in dat geval tijdig vóór 1 januari 2017 bij Achmea of een andere verzekeraar een beter aanbod voor Spuigroep had kunnen uitonderhandelen dat een provisie/fee voor haarzelf zou bevatten en dat Spuigroep zou hebben aanvaard. Dat heeft Bridge, zeker tegen de achtergrond van de tijdsdruk, niet aan de hand van feiten en/of omstandigheden aannemelijk gemaakt.

Verder moet worden bedacht dat artikel 4:103 Wft er niet (langer) toe strekt om aanspraken van assurantietussenpersonen op provisie veilig te stellen. Het is aan de verzekeringstussenpersoon om aan de klant transparant uit te leggen wat het beheer van de verzekering direct of indirect zal kosten, waarop de klant dan, geïnformeerd, kan kiezen of hij wel, en zo ja tegen welk tarief, danwel geen gebruik wil maken van de diensten van de tussenpersoon. Schadeberekening kan dus niet zo maar plaatsvinden op basis van misgelopen provisie/courtage; die had Bridge steeds met Spuigroep zelf moeten overeenkomen. Bridge heeft haar standpunt niet onderbouwd dat en waarom Spuigroep tot betaling daarvan bereid zou zijn geweest, zeker niet in het licht van de omstandigheid dat Spuigroep zelf de netto-onderhandelingen (zonder provisie/courtage) met Achmea heeft ondernomen. Klaarblijkelijk heeft ( [naam2] van) Spuigroep daartoe met een rechtstreeks beheeraanbod door Achmea voor de toekomst ook geen aanleiding meer gezien.

Daar komt verder nog bij dat verlies van provisie, dus omzet, nog geen winstderving betekent; daarop zullen dan toch eerst nog de kosten in mindering moeten worden gebracht.

5.11

Op elk van beide gronden (geen aansprakelijkheid en geen schadeveroorzaking) moet de vordering worden afgewezen.

bewijsaanbod van Bridge

5.12

Bridge heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden moeten leiden. Daarom wordt haar bewijsaanbod gepasseerd.

6 De slotsom

6.1

Het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal Bridge in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

Die kosten aan de zijde van Achmea zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht (verschotten) € 5.382

- salaris advocaat € 9.834 (3 punten x appeltarief V).

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten met de, in het appelexploot gevorderde, wettelijke rente toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 februari 2019;

veroordeelt Bridge in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Achmea vastgesteld op € 5.382 voor verschotten en op € 9.834 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Bridge in de nakosten, begroot op € 163, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85 in geval Bridge niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, M.B. Beekhoven van den Boezem en V. van der Kuil, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2021.

1 productie 5 bij oproepingsbericht

2 voor het onderbrengen van de verzekeringen, de administratie inclusief rechtstreekse melding van mutaties door Spuigroep alsmede de schadebehandeling

3 zie de bevestiging hiervan door Achmea in productie 2 bij oproepingsbericht en productie 9 bij memorie van grieven

4 productie 3 bij oproepingsbericht en productie 10 bij memorie van grieven

5 productie 11 bij memorie van grieven

6 productie 4 bij oproepingsbericht

7 zie bijvoorbeeld de e-mail van ( [naam2] van) Spuigroep van 16 februari 2016 aan ( [naam3] van) Achmea in productie 3 bij oproepingsbericht

8 productie 5 van Achmea voor de mondelinge behandeling

9 productie 3 bij verweerschrift

10 productie 18 bij memorie van grieven

11 productie 4 bij verweerschrift

12 zie verderop in dit arrest

13 pleitnota sub 13

14 zie voetnoot 3

15 pleitnota sub 31

16 van Spuigroep van 8 december 2016 met Ethias in productie 13 bij memorie van grieven

17 Achmea zond per e-mail van 21 december 2016 "Zoals afgesproken tussen [naam5] (van Centraal Beheer, hof) en [naam6] (van [naam1] , hof) stuur ik je de samenvatting van het aanbod naar Spuigroep. Aangevuld met het laatste aanbod van Centraal Beheer van afgelopen maandag".

18 productie 17 bij memorie van grieven

19 productie 18 bij memorie van grieven

20 pleitnota sub 31