Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:9424

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2021
Datum publicatie
08-10-2021
Zaaknummer
21-004937-20
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2020:7084, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Vrijspraak poging tot moord. Het geheel van feiten en gedragingen kan niet anders dan leiden tot de conclusie dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever met een of meerdere schoten zou treffen, met alle mogelijke nare gevolgen van dien. Poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004937-20

Uitspraak d.d.: 8 oktober 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 18 december 2020 met parketnummer 05-284036-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 05-840536-18, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

thans verblijvende in [detentie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. S. Schuurman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft verdachte bij vonnis van 18 december 2020 wegens het medeplegen van poging tot moord veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van het voorarrest. Ook heeft de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 05-840536-18 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf toegewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 25 november 2019 te Velp, gemeente Rheden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 25 november 2019 te Velp, gemeente Rheden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 25 november 2019 te Velp, gemeente Rheden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 1 primair

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte te veroordelen wegens het onder 1 primair tenlastegelegde: het medeplegen van poging tot moord. Uit het dossier blijkt dat verdachte gericht op [slachtoffer] heeft geschoten. Nadat hij een doorlaadbeweging heeft gemaakt heeft hij meerdere keren geschoten. Uit deze handelwijze van verdachte kan worden afgeleid dat hij de opzet had om aangever [slachtoffer] van het leven te beroven. Volgens de advocaat-generaal is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat er sprake was van een plan, waarbij de verdachte en zijn medeverdachte de tijd hebben gehad om zich te beraden op het besluit om [slachtoffer] te doden en gelegenheid hebben gehad om over de gevolgen na te denken. Er is geen sprake geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dat niet bekend is wat verdachten bij het tankstation en in de woning in Presikhaaf hebben besproken en of daadwerkelijk het wapen in de woning in Presikhaaf is opgehaald, doet hieraan niet af. Volgens de advocaat-generaal is er met voorbedachte raad gehandeld. Nu voorts medeverdachte [medeverdachte] zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van het geweld en de agressie jegens aangever [slachtoffer] , maar daaraan juist heeft bijgedragen door op enig moment aan te wijzen waar aangever zich bevond, en door zelf geweld te gebruiken tegen goederen van aangever, is zijn bijdrage van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van poging tot moord. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Voor verdachte is er geen moment geweest waarin hij zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit. Hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en hij heeft dus geen gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en heeft zich daarvan geen rekenschap gegeven. Niet is gebleken dat verdachte, op het moment dat hij onderweg was naar aangever, al het plan had opgevat om op aangever te schieten. Het plan was om met aangever te gaan praten. Hij heeft bij het pakken van het wapen nooit de gedachte gehad om aangever iets aan te doen. Verdachte sprong uit de auto omdat hij zo kwaad was. Hij had het pistool boven zijn hoofd toen hij uitstapte en wilde met aangever gaan praten. Op dat moment gooide aangever de deur dicht en toen heeft hij richting de muur geschoten.

Oordeel van het hof ten aanzien van voorbedachte rade

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).

Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting en het voorliggende dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.

Nadat verdachte van zijn zus hoorde dat aangever [slachtoffer] beweerde dat medeverdachte [medeverdachte] de dochter van [slachtoffer] zou hebben verkracht, belde hij aangever [slachtoffer] . Volgens verdachte heeft hij [slachtoffer] gevraagd om naar hem toe te komen. Toen [slachtoffer] dit niet wilde, besloot verdachte om naar de woning van [slachtoffer] toe te gaan. Hij is bij een vriend in de auto gestapt en heeft vanuit de auto gebeld naar zijn schoonvader, medeverdachte [medeverdachte] , om hem op de hoogte te stellen van de beschuldiging. Medeverdachte [medeverdachte] was op dat moment met zijn vrouw op visite bij getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Medeverdachte [medeverdachte] wilde na het telefoontje van zijn schoonzoon ook naar [slachtoffer] toe om verhaal te halen. Hij was boos en de emoties liepen bij hem en zijn vrouw hoog op. Verdachte sprak met [medeverdachte] af bij een tankstation in Velp. Getuige [getuige 1] bestuurde de auto, met naast haar getuige [getuige 2] en achterin zaten medeverdachte [medeverdachte] en zijn vrouw. Bij het tankstation in Velp hebben de verdachten elkaar ontmoet. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet duidelijk geworden wat daar tussen de verdachten is besproken. Getuige [getuige 1] reed vervolgens achter de auto aan waarin verdachte en zijn vriend zaten, naar een woning in Presikhaaf. Daar zijn zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] de woning binnengegaan. Verdachte liep met de jongen van de auto mee, en medeverdachte [medeverdachte] volgde iets later. Het hof kan op basis van het voorliggende dossier niet vaststellen wat er in de woning is gebeurd of besproken.

Vervolgens, na een paar minuten, stapten beide verdachten in de auto bij [getuige 1] en reed getuige [getuige 1] op aanwijzing van de verdachten naar de woning van aangever [slachtoffer] aan de [adres] in Velp. Bijna bij de woning aangekomen sprong verdachte uit de nog rijdende auto en begon meteen te schieten in de richting van aangever [slachtoffer] , die vervolgens naar binnenging en de deur dichttrok. Uit het forensisch onderzoek blijkt immers dat er in en om de voordeur van de woning drie beschadigingen zijn geconstateerd die passen bij inschoten vanaf de openbare weg: in de voordeur, in het kozijn van de deur en in de buitenmuur naast de deur. Het schotspoor in de voordeur zit op 1,75 m hoogte. Ook is uit het forensisch onderzoek gebleken dat de inschoten in de voordeur en in het kozijn zijn veroorzaakt terwijl de voordeur deels open was. Het doorschot in de scharnierzijde van het deurkozijn heeft daarnaast een schotbeschadiging veroorzaakt in het kozijn van het toilet dat zich achter de voordeur bevond.

Toen de auto was gestopt stapten ook medeverdachte [medeverdachte] en zijn vrouw uit de auto. Medeverdachte [medeverdachte] stond in de voortuin, sloeg met tuinstoelen tegen het raam, wees verdachte erop dat hij aangever boven achter het raam zag en schreeuwde naar aangever. Getuige [getuige 1] had ondertussen de auto gekeerd en even later liepen verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en zijn vrouw terug naar de auto. Ze stapten in en getuige [getuige 1] reed met hen weg.

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, kan het hof niet wettig en overtuigend vaststellen dat de verdachte een plan had beraamd om het slachtoffer van het leven te beroven. Feit is dat verdachte een vuurwapen heeft meegenomen. Op welk moment en waar hij dit wapen heeft gepakt en bij zich heeft gestoken kan niet objectief worden vastgesteld. Ook wordt uit het dossier niet duidelijk of en zo ja op welk moment de anderen op de hoogte waren van de aanwezigheid van het vuurwapen. Hoewel er wellicht tijd en gelegenheid heeft bestaan om plannen te maken en besluiten te nemen, blijkt hiervan niet uit het dossier. Daarnaast neemt het hof in beschouwing dat sprake was van zeer hoog opgelopen emoties bij alle betrokkenen, in het bijzonder bij de verdachten. Het feit dat de verdachten met drie anderen in een auto naar aangever zijn gereden en iedereen aan het huilen en schreeuwen was, maakt dat wellicht gesproken kan worden van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dit kan naar het oordeel van het hof in elk geval niet worden uitgesloten. Dit betekent dat naar het oordeel van het hof niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat hij moet worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot moord.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het al dan niet medeplegen van poging tot doodslag. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat nergens uit het dossier en uit de thans door verdachte afgelegde verklaring blijkt dat verdachte onvoorwaardelijk opzet op de dood van aangever had. Aan de hand van het dossier kan niet worden vastgesteld dat aangever zich in het verlengde van de deur bevond toen er werd geschoten. Het schieten op de deur en op de muur is er naar de uiterlijke verschijningsvorm juist op gericht om iemand angst aan te jagen, in de zin van bedreigen. Aan de hand van het dossier kan ook niet worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans op de dood van aangever was. Mocht het hof dit anders zien, dan blijkt uit het dossier niet dat hij de kans willens en wetens heeft aanvaard. Verdachte heeft verklaard dat hij uit boosheid, toen aangever de deur dichtgooide, richting het huis heeft geschoten. Hieruit blijkt niet dat hij zich op enig moment rekenschap heeft gegeven van de kans dat aangever het leven zou kunnen laten, laat staan dat hij deze willens en wetens heeft aanvaard. Een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kan niet worden vastgesteld. Er waren geen afspraken, er was geen rolverdeling, geen gezamenlijk plan en geen gezamenlijke uitvoering.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood van aangever [slachtoffer] - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Zoals hierboven reeds is overwogen, is verdachte met een vuurwapen op zak naar de woning van aangever [slachtoffer] gegaan, is hij daar uit de nog rijdende auto gesprongen en meteen begonnen met schieten in de richting van aangever [slachtoffer] , die vervolgens naar binnenging en de deur dichttrok. Uit het forensisch onderzoek, zoals dat hiervoor reeds is aangehaald, blijkt dat alle schoten richting de voordeur zijn gelost, dat een deel van de schoten is gelost terwijl de voordeur nog open stond, en dat in ieder geval één schot door de openstaande deur is gelost. Het geheel van deze gedragingen en omstandigheden kan niet anders dan leiden tot de conclusie dat verdachte, met het op deze wijze lossen van schoten richting aangever, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever met een of meerdere schoten zou treffen, met alle mogelijke nare gevolgen van dien.

Het hof acht daarmee de poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt voorop dat betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering of bijdrage van medeverdachte [medeverdachte] aan het subsidiair tenlastegelegde. Verdachte is degene die heeft geschoten. Niet kan worden vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte] enige wetenschap had van het vuurwapen.

Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 25 november 2019 te Velp, gemeente Rheden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van het voorarrest. De verdachten zijn om wraak te willen nemen overgegaan tot een zeer vergaande vorm van eigenrichting. Aan het begin van de avond is in een woonwijk meermalen geschoten. Ook voorbijgangers en andere bewoners hadden geraakt kunnen worden. Verdachten hebben levensgevaarlijke risico’s genomen en het is niet dankzij hen dat er niemand geraakt is. Verdachte neemt geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn acties. Duidelijk is dat zijn schoonvader, medeverdachte [medeverdachte] , een grote rol speelt in zijn leven. Zijn schoonvader is een factor die meespeelt in het delictgedrag.

De raadsman heeft bepleit dat bij de strafoplegging rekening wordt gehouden met het advies van de reclassering en hetgeen de deskundige ter terechtzitting van het hof naar voren heeft gebracht. De officier van justitie vorderde in eerste aanleg voor de bewezenverklaring van de subsidiaire variant een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. De raadsman heeft verzocht om een kortere gevangenisstraf op te leggen waarvan een deel voorwaardelijk, zodat de door de reclassering geadviseerde behandeling kan plaatsvinden in het kader van de bijzondere voorwaarden. De onderhavige geweldsuitbarsting is uitzonderlijk. Op het strafblad van verdachte komen geen geweldsdelicten voor. Verdachte heeft er ontzettend veel spijt van. Tot slot heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het feit dat deze zaak wordt afgedaan na 1 juli 2021 en dus de gewijzigde regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidsstelling van toepassing is. Verdachten die na die datum worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan zes jaar zullen op grond van deze wet doorgaans (aanzienlijk) later vrijkomen dan verdachten die tot 1 juli 2021 tot een gevangenisstraf van eenzelfde duur zijn veroordeeld.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna te melden duur leiden - dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

Verdachte is met een vuurwapen op zak naar de woning van aangever gegaan, naar aanleiding van een aangifte tegen zijn schoonvader van seksueel misbruik jegens aangevers dochter. Toen hij aangever bij de voordeur van de woning zag staan, heeft hij vanaf de straat meerdere kogels afgeschoten richting aangever. De woning van aangever is een rijtjeswoning gelegen in een woonwijk. Verdachte had, mede gelet op het tijdstip vroeg in de avond, in zijn beheerstheid en onervarenheid met het vuurwapen ook anderen kunnen raken. Verdachte heeft met deze actie levensgevaarlijke risico’s voor lief genomen. Een poging tot doodslag is een zeer ernstig misdrijf dat bijdraagt aan gevoelens van grote onveiligheid in de samenleving.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 augustus 2021 volgt dat verdachte eerder veroordeeld is, voornamelijk wegens vermogensdelicten. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing. Verdachte is niet eerder veroordeeld wegens een vuurwapengerelateerd feit. Wel liep hij nog in de proeftijd van een andere strafzaak.

Omtrent de persoon van verdachte concludeert de reclassering in het advies van 17 augustus 2021 dat verdachte, pratende over het delict, vooral ondoordacht lijkt te hebben

gehandeld in de zin van niet nagedacht te hebben over mogelijke consequenties en de impact van het delict op anderen. Hij lijkt te hebben gehandeld uit een (snelle) behoefte bevrediging. Verdachte heeft in de huidige zaak niet meegewerkt aan een rapportage van het NIFP en de door het NIFP voorgestelde plaatsing in het PBC werd niet overgenomen. Hierdoor is het niet duidelijk of er sprake is van psychische-of persoonlijkheidsproblematiek, anders dan in het verleden door Trajectum vastgesteld, en in welke mate dit mogelijk heeft meegespeeld tijdens de huidige tenlastelegging. De kans op recidive wordt in algemene zin als hoog ingeschat. De kans dat met behandeling of

toezicht gedragsbeïnvloeding plaats zal vinden is klein, mede doordat er geen zicht is (doordat verdachte niet heeft meegewerkt aan onderzoek van het NIFP) op eventueel aanwezige problematiek. Alleen in het geval verdachte een kortere gevangenisstraf zou worden opgelegd, ziet de reclassering daartoe mogelijkheden door middel van het opleggen van een CoVa+ training, een aanmelding bij het Fact-team(ForFact) van Trajectum en het uitvoeren van een delictanalyse. Mocht verdachte een langere gevangenisstraf opgelegd worden dan kunnen deze voorwaarden worden ingezet in het kader van detentiefasering teneinde verdachte te ondersteunen bij zijn re-integratie in de samenleving.

Ter terechtzitting van het hof heeft reclasseringswerker [reclasseringswerker] verklaard dat verdachte iemand is die door impulsiviteit en een licht verstandelijke beperking niet goed kan nadenken over zijn handelen. Het feit heeft grote impact op hem, hij lijdt aan een depressie. Verdachte heeft aangegeven open te staan voor toezicht en begeleiding en wil die kans met beide handen aangrijpen en stelt zich actief op. De detentie en daarmee de afstand tot zijn gezin valt hem zwaar.

Gelet op al het bovenstaande acht het hof een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Het hof komt tot een lagere straf dan opgelegd door de rechtbank, omdat het hof verdachte vrijspreekt van de primair tenlastegelegde poging tot moord en het medeplegen ten aanzien van de poging tot doodslag. Verdachte zal in het kader van detentiefasering alsnog de hulp, begeleiding en eventueel behandeling van de reclassering aangeboden krijgen en met beide handen kunnen aanpakken.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Overijssel van 18 juli 2018 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 56 dagen, parketnummer 05-840536-18. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 18 juli 2018, parketnummer 05-840536-18, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 56 (zesenvijftig) dagen.

Aldus gewezen door

mr. M.J. Vos, voorzitter,

mr. I.P.H.M. Severeijns en mr. H.W. Samson-Geerlings, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. B.T.H. Toonen-Janssen, griffier,

en op 8 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. H.W. Samson-Geerlings is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 8 oktober 2021.

Tegenwoordig:

mr. M.H.D.M. van Leent, voorzitter,

mr. J.B.H.M. Simmelink, advocaat-generaal,

mr. H.E. Schoenmakers, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.