Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:9357

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-10-2021
Datum publicatie
07-10-2021
Zaaknummer
200.297.210
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing, indien niet gewerkt meer wordt aan een terugplaatsing naar de ouders kan niet worden volstaan met een verzoek tot verlenging uithuisplaatsing, de noodzaak naar een verderstrekkende maatregel moet dan worden onderzocht, benoemen deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.297.210

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 519145)

beschikking van 5 oktober 2021

inzake

[verzoekster] en

[verzoeker] ,

beiden wonende te [woonplaats1] ,
verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: de ouders, respectievelijk de moeder en de vader,

advocaat: mr. R.F.P. Scheele te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

belanghebbende in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

en

[de pleegmoeder] ,

wonende te [woonplaats2] ,

belanghebbende in hoger beroep,

verder te noemen: de pleegmoeder (tante moederszijde).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 mei 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 16 juni 2021;

- het verweerschrift van de GI met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 17 augustus 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de ouders, bijgestaan door mr. Scheele;

- [naam1] en [naam2] , jeugdbeschermers, namens de GI.

De pleegmoeder is niet verschenen. De raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) is met schriftelijke kennisgeving vooraf ook niet verschenen.

3 De feiten

3.1

De moeder en de vader zijn de ouders van :

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2015 te [woonplaats1] , en

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2017 in [woonplaats1] .

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over deze kinderen.

3.2

Bij beschikking van 24 januari 2019 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland de kinderen onder toezicht gesteld voor de duur van 24 januari 2019 tot 24 april 2019. De termijn van de ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, voor het laatst in de bestreden beschikking.

3.3

In die beschikking van 24 januari 2019 heeft de kinderrechter tevens machtiging verleend om de kinderen in het netwerkpleeggezin (tante moederszijde) te plaatsen met ingang van 24 januari 2019 voor de duur van vier weken, te weten 21 februari 2019. Deze machtiging is nadien ook steeds verlengd, voor het laatst in de bestreden beschikking.

3.4

De kinderen wonen sinds juli 2018 bij de pleegmoeder.

4 De omvang van het geschil

4.1

In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 19 april 2022 en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een netwerkpleeggezin verlengd tot 19 april 2022.

4.2

De ouders zijn met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen wat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing betreft, dan wel de procedure aan te houden en op kosten van 's Rijks kas op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een deskundige te benoemen.

4.3

De GI voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van de ouders tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot benoeming van een deskundige af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 8 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 (“Brussel II bis”) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, nu de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Op grond van het bepaalde in artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (Trb. 1997, 299) dient het Nederlandse recht te worden toegepast.

5.2

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.3

Gebleken is dat de GI ruim anderhalf jaar geleden heeft besloten om niet meer te werken aan terugplaatsing van de kinderen bij de ouders. De ouders doen erg hun best en werken goed samen met de GI en daarom heeft de GI aanvankelijk de raad nog niet verzocht een onderzoek in te stellen naar de noodzakelijkheid van een gezagsbeëindigende maatregel. Inmiddels heeft de GI de raad wel verzocht dit onderzoek te gaan verrichten. De ouders stellen dat de GI het perspectief van de kinderen niet mag bepalen en dat het in strijd is met het wettelijk kader van de machtiging uithuisplaatsing om niet meer aan terugplaatsing van de kinderen bij hun ouders te werken. Ook stellen de ouders dat de raad weliswaar alsnog onderzoek kan gaan doen naar een gezagsbeëindigende maatregel, maar dat de raad niet objectief is, gelet op de inhoud van de adviezen die de raad in eerdere procedures betreffende de kinderen al heeft gegeven. De ouders vinden dat zij recht hebben op een second opinion.

5.4

Het hof is van oordeel dat in het geval de GI van mening is dat het niet in het belang van de kinderen is om te werken aan een terugplaatsing naar de ouders en zich dan ook niet meer inspant om een terugplaatsing op termijn mogelijk te maken, niet alleen (meer) kan worden volstaan met een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. In dat geval is namelijk niet langer voldaan aan de eisen die de wet stelt voor het verlenen of verlengen van een machtiging tot uithuisplaatsing, omdat de ouders in de visie van de GI niet langer in staat zijn binnen een aanvaardbare termijn zelf voor de kinderen te zorgen. In een dergelijke situatie dient de noodzaak van een verderstrekkende maatregel van beëindiging van het gezag (artikel 1:266 BW) te worden onderzocht, zo nodig samen met een verzoek tot schorsing van het gezag (artikel 1:268 lid 1 onder a BW). De GI kan daartoe de verzoeken doen die zijn genoemd in artikel 1:267 en 1:268 BW. Wat hiervan ook zij, het hof zal in dit geding nadat het hierna te bespreken onderzoek door een deskundige op grond van artikel 810a Rv is verricht beslissen of de ouders, zoals zij zelf zeggen, nog in staat zijn binnen een aanvaardbare termijn zelf voor de kinderen te zorgen en in hoeverre in dat geval dan nog een machtiging tot uithuisplaatsing nodig is.

5.5

Gebleken is dat de situatie van de ouders ten opzichte van voorgaande jaren is verbeterd. De moeder heeft psychoses gehad en erkent dat ze gevoelig is. Haar ziektebeeld is op dit moment onder controle met behulp van medicatie. Bij stress kan de medicatie minder goed ingesteld raken en kunnen er stresspieken ontstaan. De moeder heeft meerdere malen te maken gehad met een terugval en in het verleden heeft de vader daarop niet adequaat gereageerd. Inmiddels is er een crisisplan opgesteld om de veiligheid van de kinderen bij een terugval van de moeder te waarborgen. In een dergelijk geval zal de vader samen met familie de volledige zorg voor zijn rekening nemen. De vader werkt niet meer en is volledig beschikbaar voor de opvoeding en verzorging van de kinderen. De ouders zijn zelfs bereid om, wanneer de professionals dat nodig achten, gescheiden van elkaar te gaan wonen, zodat de vader de hoofdopvoeder van de kinderen kan zijn. De GI heeft bevestigd dat er rond de jaarwisseling 2020-2021 sprake is geweest van een terugval bij de moeder en dat de vader de signalen bij de moeder toen wel adequaat heeft opgepakt. De GI is van mening dat de kinderen na alles wat ze hebben meegemaakt gedurende de afgelopen jaren duidelijkheid moeten krijgen over waar ze gaan verblijven. De kinderen zijn inmiddels goed gehecht bij de pleegmoeder. De aanvaardbare termijn is volgens de GI verstreken.

5.6

Artikel 810a Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

5.7

Het hof is op basis van het onder 5.4 en 5.5 overwogene van oordeel dat het verzoek van de ouders om een deskundige te benoemen voldoende concreet en ter zake dienend is en acht zich onvoldoende voorgelicht of een uithuisplaatsing (nog steeds) noodzakelijk is voor de kinderen. Het hof passeert de - algemene - stelling van de GI dat het onderzoek door de raad naar een gezagsbeëindigende maatregel niet belastend is voor de kinderen en een onderzoek door een deskundige wel, omdat in het laatste geval ook zal worden onderzocht hoe de kinderen zich ontwikkelen en hoe de interactie tussen de ouders en de kinderen is. De raad daarentegen betrekt uitsluitend de volwassenen die bij de opvoeding van de kinderen zijn betrokken (ouders, tante, familie en professionals) in het onderzoek, aldus de GI. De GI heeft naar het oordeel van het hof geen concrete feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan toewijzing van het verzoek tot het benoemen van een deskundige in strijd is met de belangen van de kinderen. In de stukken wordt vermeld dat de kinderen zich goed ontwikkelen; daaruit kan niet worden afgeleid dat de kinderen een deskundigenonderzoek niet zullen aankunnen. Het is in dit stadium van groot belang voor de ouders en de kinderen dat een deskundige op grond van artikel 810a Rv onderzoekt of het perspectief van de kinderen daadwerkelijk niet meer bij de ouders ligt.

5.7

Het hof zal daarom een deskundige benoemen die bij de ouders een persoonlijkheidsonderzoek moet afnemen en de ontwikkeling van de kinderen moet onderzoeken. Daarbij wil het hof de volgende vragen aan de deskundige voorleggen:

- Wat zijn de affectieve en pedagogische vaardigheden van de vader en de moeder in relatie tot de opvoedingsbehoeften van de kinderen en is sprake van persoonlijke problematiek bij (één van beide) ouders die mogelijk belemmerend werkt in hun opvoedvaardigheden?

- Voor zover de affectieve en/of pedagogische vaardigheden van de vader en de moeder op dit moment onvoldoende zijn: in hoeverre zijn zij hierin leerbaar?

- Is er bij de kinderen sprake van een hechtings- of een andere ontwikkelingsstoornis? Zo ja, wat is de oorzaak daarvan?

- Hoe zien de kinderen de verhoudingen met hun ouders en pleegmoeder?

- Zijn er (contra)indicaties voor opvoeding en verzorging van de kinderen in de thuissituatie bij de ouders?

- In hoeverre is terugplaatsing van de kinderen (op korte of langere termijn) bij de ouders in hun belang? Indien tot terugplaatsing bij de ouders wordt overgegaan, is hulpverlening dan aangewezen? Zo ja, voor wie, in welke vorm, waar dient deze op gericht te zijn en hoe zullen de betrokkenen zich hiertegenover opstellen of daarvan van kunnen profiteren?

- Eventuele andere vragen die volgens de onderzoeker in het kader van het onderzoek beantwoording verdienen.

5.8

Het hof is voornemens het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, Midden-Nederland, te vragen om een deskundige voor te stellen en eventuele nadere of andere vragen te formuleren, indien dit in de ogen van het NIFP dan wel de voorgestelde deskundige (meer) aangewezen is voor het onderzoek, en de kosten van het onderzoek te begroten. Het hof zal indien de ouders instemmen met het benoemen van een deskundige via het NIFP en met de voorgestelde onderzoeksvragen met het oog op het toewijzen van het onderzoek de processtukken in deze zaak aan het NIFP toesturen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

alvorens verder te beslissen:

verzoekt de advocaat van de ouders en de GI het hof vóór 19 oktober 2021 te berichten of zij kunnen instemmen met de te benoemen deskundige via het NIFP en of zij kunnen instemmen met de hiervoor in 5.6 gestelde onderzoeksvragen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, E.B. Knottnerus en R. Krijger, bijgestaan door de griffier, en is op 5 oktober 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.