Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:9308

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-10-2021
Datum publicatie
13-10-2021
Zaaknummer
200.275.103
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending zorgplicht agrarisch adviseurs.

Deze zaak tussen verpachtster en adviseurs is de vrijwaringszaak van de hoofdzaak tussen verpachter en pachter (zaaknummer 200.275.119). In de hoofdzaak hebben partijen afgesproken om te onderzoeken of volledige overeenstemming bereikt kan worden. Partijen in de vrijwaring willen graag een beslissing van het hof zodat de positie van de adviseurs bij een eventuele schikking duidelijk is. De adviseurs hebben verpachtster bijgestaan bij de overgang van haar melkveehouderij aan de pachter. Verpachtster verwijt de adviseurs dat zij haar niet voldoende hebben gewaarschuwd voor het risico van het ontstaan van een (hoeve)pachtovereenkomst met de pachter. Die hoevepachtovereenkomst is in een gerechtelijke procedure vastgelegd en de pachter vordert in de hoofdzaak nu schadevergoeding van verpachtster omdat ze die overeenkomst niet volledig kan nakomen. Het hof oordeelt dat de adviseurs niet aansprakelijk zijn voor de eventuele schadevergoeding die verpachtster aan de pachter zal moeten betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvAR 2022/8115, UDH:TvAR/17443 met annotatie van mr. J.M.M. Menu
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.275.103

(zaaknummer rechtbank Den Haag 7818055)

arrest van de pachtkamer van 5 oktober 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Piluha B.V.,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

appellante, tevens geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van PPP-Agro,

in eerste aanleg: eiseres in vrijwaring,

hierna: Piluha,

advocaat: mr. E.H.M. Harbers,

tegen:

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Flynth Adviseurs en Accountants B.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,

advocaat: mr. M.A.E. Peters,

geïntimeerde,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PPP-Agro Advies West B.V.,

gevestigd te Ilpendam,
advocaat: mr. C.A. van Kooten- [medewerker v PPP-Agro]

geïntimeerde, tevens appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

in eerste aanleg beide: gedaagden in vrijwaring,

hierna: de adviseurs of Flynth en PPP-Agro.

1 Kern van de zaak en de beslissing

1.1

Deze zaak tussen Piluha en de adviseurs is de vrijwaringszaak van de hoofdzaak tussen Piluha als verpachter en [pachter] (hierna [pachter] ) als pachter (zaaknummer 200.275.119). In de hoofdzaak hebben partijen afgesproken om te onderzoeken of volledige overeenstemming bereikt kan worden. Partijen in de vrijwaring willen graag een beslissing van het hof zodat de positie van de adviseurs bij een eventuele schikking duidelijk is.

1.2

De adviseurs hebben Piluha bijgestaan bij de overgang van haar melkveehouderij aan [pachter] . Piluha verwijt de adviseurs dat zij haar niet voldoende hebben gewaarschuwd voor het risico van het ontstaan van een (hoeve)pachtovereenkomst met [pachter] . Die hoevepachtovereenkomst is in een gerechtelijke procedure vastgelegd en [pachter] vordert in de hoofdzaak nu schadevergoeding van Piluha omdat ze die overeenkomst niet volledig kan nakomen. Het hof oordeelt net als de pachtkamer in eerste aanleg dat de adviseurs niet aansprakelijk zijn voor de eventuele schadevergoeding die Piluha aan [pachter] zal moeten betalen.

1.3

Hierna legt het hof zijn oordeel uit. Eerst vermeldt het hof nog wat er in de procedure in hoger beroep is gebeurd.

2 Het procesverloop tot nu toe

2.1

Het hof heeft op 5 januari 2021 een tussenarrest in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak gewezen. Daarin heeft het hof het procesverloop tot dan toe beschreven en een zitting aangekondigd.

2.2

Op 9 september 2021 heeft de zitting plaatsgevonden waarvan een verslag is gemaakt. [Partijen hebben daarop nog gereageerd.] Aan het eind van de zitting hebben partijen het hof gevraagd uitspraak te doen in de vrijwaringszaak.

3 De beoordeling van het hoger beroep

3.1

De pachtkamer in eerste aanleg heeft zeer uitgebreid de standpunten van partijen in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak opgenomen in het eindvonnis van 16 januari 2020. Ook heeft de pachtkamer de feiten uiteengezet. Het hof zal dat hier niet nogmaals doen, maar kort samengevat komt het op het volgende neer. Piluha, van wie [aandeelhouder/bestuurder v Piluha] (hierna [aandeelhouder/bestuurder] ) middellijk enig aandeelhouder en bestuurder is, was eigenaar van een melkveebedrijf met bijna 50 ha grond. In het verleden hebben de ouders van [aandeelhouder/bestuurder] het melkveebedrijf geëxploiteerd en [aandeelhouder/bestuurder] heeft dat een aantal jaren voortgezet, waarbij zij steeds gebruik maakten van een bedrijfsleider.

3.2

Ruim 40 ha was al in 1995 door de ouders van [aandeelhouder/bestuurder] in economische eigendom overgedragen aan een rechtsvoorganger van Terra. Deze gronden heten hierna de A-gronden. In 2007 wilde Piluha de exploitatie van het bedrijf overdragen en zij heeft toen gezocht naar een overnamekandidaat. [pachter] had interesse. PPP-Agro in de persoon van [medewerker v PPP-Agro] heeft voor de exploitatieovername aanvankelijk een verhuurovereenkomst opgesteld, waarin de bedrijfsgebouwen, de ongeveer 7 ha niet in economische eigendom overgedragen gronden (hierna de B-gronden) en de A-gronden waren begrepen. Bij een toets door Flynth in de persoon van [medewerker v Flynth] is [medewerker v PPP-Agro] erop gewezen dat de overeenkomst risico’s opleverde omdat het feitelijk om een verpachting ging.

3.3

Daarna is gekozen voor een andere constructie om de gevolgen van de pachtwetgeving te ontlopen. Piluha heeft daarop per 1 september 2007 de bedrijfsgebouwen aan [pachter] verhuurd bij de overnameovereenkomst. De 7 ha onbelaste B-gronden heeft zij voor drie jaar in geliberaliseerde pacht gegeven aan [pachter] in verband met de overdracht van melkquotum. Het gebruik van de A-gronden gaf zij aan de loonwerker [loonwerker] voor
€ 450 per hectare, waarna [pachter] het grasgewas van [loonwerker] kocht. Feitelijk heeft [pachter] ook vanaf het begin de A-gronden in gebruik genomen waarbij hij € 450 per hectare aan [loonwerker] betaalde. De B-gronden is [pachter] tegen betaling blijven gebruiken na afloop van de geliberaliseerde pachtovereenkomst.

3.4

Piluha heeft de A-gronden in december 2013 moeten leveren aan Terra. In 2014 heeft [pachter] vastlegging van hoevepacht gevorderd voor de B-gronden en de A-gronden. Die overeenkomst is door de pachtkamer te Gouda vastgelegd en door Centrale Grondkamer gewijzigd goedgekeurd. De eerste termijn van de hoevepachtovereenkomst eindigt door de werking van artikel 7:322 BW in samenhang met artikel 7:325 BW in 2025. [pachter] vordert in de hoofdzaak schade, nader op te maken bij staat, omdat Piluha de A-gronden niet meer in reguliere pacht aan hem ter beschikking kan stellen.

3.5

Piluha verwijt de adviseurs in deze vrijwaringszaak dat zij haar niet voldoende hebben gewaarschuwd voor het risico op (hoeve)pacht wat de A-gronden betreft. Net als de pachtkamer in eerste aanleg neemt het hof tot uitgangspunt dat de adviseurs een zorgplicht hebben en dat hun handelen dus getoetst moet worden aan de zorgvuldigheid die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in het concrete geval in acht zou nemen. Deze zorgplicht kan onder meer meebrengen dat de opdrachtnemer de opdrachtgever ongevraagd dient te informeren over en zo nodig moet waarschuwen voor bepaalde mogelijkheden of risico’s.

3.6

De A-gronden waren in economische eigendom overgedragen. Daarbij had Terra de ouders van [aandeelhouder/bestuurder] en [aandeelhouder/bestuurder] zelf een persoonlijk gebruiksrecht gegeven dat niet overdraagbaar was. Piluha mocht de gronden dus niet aan een ander in gebruik geven en zij moest de gronden op enig moment vrij van pacht leveren. Dat wist Piluha. Verder wist zij dat de ingebruikgeving van de B-gronden en de gebouwen aan [pachter] het risico opleverde dat [pachter] reguliere pacht kon claimen. Ze wist kortom dat ingebruikgeving van agrarische grond en gebouwen tegen betaling tot pacht kon leiden. Juist daarom hebben de adviseurs gezocht naar een constructie om de pachtregelgeving te omzeilen. Ook daarvan was Piluha op de hoogte.

3.7

Dat zij het risico op pacht wel heeft begrepen voor de B-gronden maar niet voor de A-gronden, zoals zij betoogt, vindt het hof niet aannemelijk en voor zover dat al het geval is, moet dat voor haar rekening blijven. Het risico dat de ingebruikgeving van de grond pacht zou opleveren is voldoende duidelijk en ook voldoende indringend onder haar aandacht gebracht. Het hof wijst vooral op de e-mail van 13 juli 2007 met cc aan Piluha waarin [medewerker v Flynth] de risico’s uiteenzet:
“De nu voorliggende overeenkomst kan bepaalde problemen opleveren wat betreft het gebruik door [pachter] . (...)

1. De verkoper van de grond destijds (…) heeft het voortgezet gebruik om niet bedongen. (...) Het voortgezet gebruik is strikt persoonlijk. Stel nu, dat het grasgewas verkocht wordt aan [pachter] . Mijns inziens is dat (in beginsel) niet in strijd met de overeenkomst met AMVEST (althans niet met het voortgezet gebruik). (...)

2. Indien [pachter] de bedrijfsgebouwen huurt en het grasgewas koopt, lijkt het er veel op, dat ere sprake is van een constructie, waarmee de pachtwet omzeild wordt (...) Indien in zo'n situatie (verhuur bedrijfsgebouwen en verkoop grasgewas aan [pachter] ) [pachter] zich op een pachtrecht zou beroepen, acht ik de kans groot, dat hij gelijk zou krijgen. (...)

3. In de situatie dat [pachter] zich op zijn pachtrecht zou beroepen, zou dit voor PiLuHa vervolgens ook consequenties hebben richting AMVEST: PiLuHa kan de grond niet zonder pachtrecht leveren. (...)

Kortom, ik vind de overeenkomst zoals die nu voorligt, gevaarlijk en raad hem af. Wij hebben dit net ook al besproken. Wij hebben daarna ook naar oplossingen gezocht en deels wellicht gevonden. Die zou jij op papier zetten. Ik zal daar dan vanavond of morgenochtend op reageren.”

3.8

[aandeelhouder/bestuurder] is ook naderhand voldoende op de hoogte gesteld van de risico’s, waardoor zij heeft moeten begrijpen dat de feitelijke ingebruikgeving van de A-gronden aan [pachter] het risico op pacht in het leven riepen. Het hof wijst op de e-mail van [medewerker v Flynth] van 6 september 2007 waarin hij waarschuwt dat in de uiteindelijk opgemaakte overnameovereenkomst geen enkele melding van de overeenkomst tussen Piluha, [loonwerker] en [pachter] over de A-gronden mag staan. Daarop heeft [aandeelhouder/bestuurder] bij e-mail van 6 september 2007 geschreven:
“5. Met betrekking tot de evt. op te eisen pachtrechten met betrekking tot de 9 ha eigen grond [de B-gronden, hof] lijkt er geen andere oplossing dan ook dit risico te nemen.
6. M.b.t. de grond via [loonwerker] [de A-gronden, hof] idem een risico maar laten we advies van [medewerker v Flynth] volgen door het risico zo klein mogelijk te laten zijn.”
Uit deze mail volgt dat Piluha bereid was risico’s te nemen en daaruit hebben de adviseurs ook mogen begrijpen dat zij voldoende was gewaarschuwd. Daarna heeft Piluha op 7 september 2007 de Overeenkomst inzake overdracht (exploitatie) onderneming met [pachter] ondertekend. Piluha heeft tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden onvoldoende toegelicht dat zij niet voldoende op de risico’s is gewezen of dat zij erop mocht vertrouwen dat de gekozen constructie waterdicht was, in de zin dat er door de ontduikingsconstructie geen enkel risico meer was op een pachtclaim van [pachter] . Zij kan de adviseurs dan ook niet aansprakelijk houden voor het feit dat dat risico zich heeft verwezenlijkt. De zorgplicht gaat in dit geval niet zover dat de adviseurs destijds verdergaande pogingen hadden moeten ondernemen Piluha van het sluiten van de overeenkomst met [pachter] te weerhouden en dat zij hadden moeten toezien op de wijze waarop [aandeelhouder/bestuurder] invulling gaf aan de overeenkomst met [pachter] .

3.9

Het hoger beroep faalt dus. Bij deze stand van zaken hoeft het hof niet meer in te gaan op het bezwaar van de adviseurs dat Piluha de processtukken uit de hoofdzaak niet aan hen heeft gegeven terwijl zij daar wel een beroep op doet.

3.10

Het bewijsaanbod van Piluha passeert het hof, omdat de te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden, indien bewezen, niet tot een andere conclusie kunnen leiden.

Slotsom

3.11

Het hoger beroep faalt. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Piluha in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten van Flynth en PPP-Agro stelt het hof per partij vast op € 760 aan griffierecht en op € 2.228 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II). Als niet weersproken zal het hof ook de door PPP-Agro gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten toewijzen zoals hierna vermeld. Aan het voorwaardelijk ingestelde incidenteel hoger beroep van PPP-Agro komt het hof niet toe en daarin volgt dan ook geen proceskostenveroordeling.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer te Gouda (rechtbank Den Haag) van 16 januari 2020 voor zover in vrijwaring gewezen;

veroordeelt Piluha in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Flynth vastgesteld op € 760 voor griffierecht en op € 2.228 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt Piluha in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van PPP-Agro vastgesteld op € 760 voor griffierecht en op € 2.228 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Piluha wat PPP-Agro betreft ook in de nakosten, begroot op € 163, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85 in geval Piluha niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, H.L. Wattel, en B.J.H. Hofstee en de deskundige leden mr. ing. H.J. Vinke en ir. J.H. Jurrius, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2021.