Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:9059

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-09-2021
Datum publicatie
30-09-2021
Zaaknummer
200.276.471/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2020:519, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Instorting stal. Aansprakelijkheid, ondeugdelijke uitvoering. Zaken afkomstig van opdrachtgever (7:760 lid 2 BW). Eigen schuld (6:101 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.276.471

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 228207)

arrest van 28 september 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Tasche Staalbouw B.V.,

gevestigd te Albergen,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Tasche,

advocaat: mr. B.M. Stroetinga,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. B. van Treijen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 23 maart 2021 hier over. Het verdere verloop blijkt uit de mondelinge behandeling van 2 juli 2021, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Ter gelegenheid daarvan heeft Tasche een akte met een productie genomen, en [geïntimeerde] een antwoordakte. Tasche heeft tijdens de zitting haar vordering dat [geïntimeerde] nog bepaalde verklaringen in het geding moest brengen (op grond van artikel 843a Rv), ingetrokken.

Na een aanhouding voor schikkingsonderhandelingen hebben partijen arrest gevraagd. Vervolgens zijn de stukken overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 Kern van de zaak en de beslissing

2.1

[geïntimeerde] drijft een agrarische onderneming en heeft onder meer een aantal varkensstallen. In september 2015 is meer dan 1/3e deel van een 68 meter lange varkensstal van [geïntimeerde] ingestort. Eind oktober 2015 heeft [geïntimeerde] aan Tasche gevraagd om nieuwe trekstangen te maken en te leveren voor het resterende deel van de stal. Kort daarna heeft [geïntimeerde] aan Tasche gevraagd om de trekstangen ook te monteren. Nadat medewerkers van Tasche waren begonnen met het vervangen van trekstangen op 12 november 2015, is het nog overeind staande deel van de stal (met een lengte van 41 meter) ingestort. Uit onderzoeksrapporten is naar voren gekomen dat de trekstangen in de stal ernstig verzwakt waren door corrosie.

2.2

[geïntimeerde] houdt Tasche aansprakelijk voor de schade die voortvloeit uit de instorting in november 2015, kort gezegd omdat zij onzorgvuldig heeft gehandeld door niets te ondernemen om de krachten van het dak op te vangen, zoals het dak stutten. Tasche betwist onzorgvuldig te hebben gehandeld en verwijt [geïntimeerde] eigen schuld (art. 6:101 BW), kort gezegd omdat hij essentiële informatie heeft achtergehouden. Daarnaast twisten partijen (onder meer) over de omvang van de schade.

2.3

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 15 januari 2020 geoordeeld dat Tasche toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verbintenis tot aanneming van werk, bestaande in het vervangen van de trekstangen in de stal, en aansprakelijk is voor de schade. Het beroep door Tasche op eigen schuld heeft de rechtbank afgewezen. Over de schade heeft de rechtbank nog geen oordeel gegeven. De rechtbank heeft tussentijds hoger beroep toegestaan. Tasche heeft hiervan gebruik gemaakt, onder aanvoering van twee grieven. [geïntimeerde] voert verweer.

Het hof is het met de rechtbank eens dat Tasche toerekenbaar is tekortgeschoten, maar is daarnaast van oordeel dat [geïntimeerde] eigen schuld heeft aan de schade. In zoverre blijft het aangevallen tussenvonnis niet in stand. Hieronder legt het hof zijn oordeel uit.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Aansprakelijkheid Tasche

3.1

Aan de eerste grief van Tasche ligt kort gezegd het betoog ten grondslag dat Tasche niet ondeugdelijk heeft gehandeld noch anderszins een fout heeft gemaakt, omdat zij geen (althans hooguit een marginale) onderzoeksplicht had naar de staat van de trekstangen, noch de stabiliteit van de constructie hoefde te beoordelen, en niet voor de schade aansprakelijk is. Deze grief faalt. Het hof overweegt als volgt.

3.2

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat tussen Tasche en [geïntimeerde] een overeenkomst van aanneming van werk is tot stand gekomen, met als inhoud het vervangen van de bestaande trekstangen in de stal door nieuwe trekstangen die Tasche eerder op verzoek van [geïntimeerde] had vervaardigd.

De stal waar de aannemingsovereenkomst op zag, werd rond 1980 gebouwd met een dak in de vorm van een driehoek. De stalen spantconstructie van het dak rustte op een houten muurplaat zonder stalen kolommen in de zijmuren (gemetselde spouwmuren). Aan de dakconstructie waren trekstangen verbonden. De trekstangen in de stal waren essentieel voor de stevigheid van de dakconstructie: zonder de spankracht van de trekstangen komt het hele gewicht van het dak op de zijmuren te rusten, die daardoor naar buiten worden gedrukt, met instorting tot gevolg. Door jarenlang optredende corrosie is de diameter van sommige trekstangen in de stal sterk verminderd, waardoor de belastbaarheid is afgenomen. Als een trekstang bezwijkt, werkt dat door in de constructie omdat de naastgelegen trekstangen er plotseling extra belastingen bijkrijgen.

Nadat medewerkers van Tasche in november 2015 twee trekstangen aan de voorzijde van de stal hadden verwijderd en vervangen door nieuwe trekstangen, vond de instorting van de stal plaats. Dit gebeurde nadat de spanwartel van de derde trekstang aan de voorzijde van de stal door medewerkers van Tasche met kracht werd losgedraaid en die trekstang bij het aanhechtingspunt plotseling afbrak (knapte), waarna nog meer trekstangen knapten.

3.3

Het onderzoeksrapport van Alferink-Van Schieveen bouwtechnisch adviesbureau (rapport d.d. 13 oktober 2015, productie 1 conclusie van antwoord), dat is opgesteld naar aanleiding van de eerste instorting in september 2015, beschrijft dat jarenlange condensatie met corrosie tot gevolg is opgetreden aan de trekstangen, die een essentieel onderdeel van de constructie zijn. Door het eigen gewicht van het dak van de stal wordt een kritiek punt bereikt als de trekstangen insnoeren tot een diameter van minder dan 10 mm; zij kunnen dan de er op inwerkende krachten niet meer goed opvangen en vervullen hun constructieve functie niet langer. Sommige trekstangen in het ingestorte deel waren volgens dit rapport plaatselijk zo ernstig ingesnoerd dat er van de oorspronkelijke 16 mm diameter nog 4 mm over was. Deze verzwakking was (met name) opgetreden rond de aanhechtingspunten aan de spanten. In het rapport wordt opgemerkt dat ook in het gedeelte van de stal dat nog overeind staat (de resterende 41 meter) een aantal trekstangen door corrosie zijn aangetast en dat het duidelijk zal zijn dat hier “op korte termijn maatregelen nodig zijn om een verdere calamiteit te voorkomen”.

In het onderzoeksrapport van Achmea Expertise na de tweede instorting in november 2015 (productie 2 conclusie van antwoord) wordt geconcludeerd dat deze instorting het gevolg is van de in zeer slechte staat verkerende constructie (trekstangen) van de draagconstructie van het dak van de stal. In een bijlage (rapport Biesboer Expertise B.V.) staat dat bij enkele trekstangen een diameter resteerde van slechts 6-8 mm.

3.4

Het hof is van oordeel dat Tasche, alvorens te beginnen met het vervangen van de trekstangen, had moeten onderzoeken of het nodig was om voorzorgsmaatregelen te nemen, zoals het dak van de stal stempelen (stutten), om de werkzaamheden deugdelijk uit te voeren. Aanvankelijk was de opdracht aan Tasche om alleen de trekstangen te vervaardigen en te leveren. De directeur van Tasche heeft van de ingestorte stal enkel de voorste twee trekstangen ingemeten. Naar de andere trekstangen verder achterin de stal heeft hij niet gekeken. Nadien (op 3 november 2015) heeft Tasche mondeling de opdracht gekregen om de trekstangen ook te monteren in de stal. Vervolgens hebben medewerkers van Tasche op 12 november 2015 de werkzaamheden uitgevoerd, ook toen zonder dat nog door Tasche is gekeken naar de andere trekstangen in de stal. Tasche had daar niet mee mogen volstaan, omdat het haar, als professionele aannemer, duidelijk moet zijn geweest dat het ging om werkzaamheden aan de dragende constructie van (het dak van) de stal. De directeur van Tasche heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat hij had waargenomen dat van de twee ingemeten trekstangen nog 10 mm en 12 mm over was. Tasche heeft aangevoerd dat zij op dat moment niet wist of kon weten bij welke (resterende) diameter de trekstangen in de stal hun constructieve functie niet langer vervulden, maar dat betekent nu juist dat zij dus omzichtig te werk moest gaan. Het roept overigens ook de vraag op waar Tasche’s inschatting, dat de twee ingemeten trekstangen van voldoende kwaliteit waren en dat mogelijke risico’s van de constructie niet tot onderzoek dwong, op was gebaseerd. Dat bepaalde delen van de trekstangen, in het bijzonder rond de aanhechtingspunten, door de dakbetimmering mogelijk niet goed zichtbaar waren, had voor Tasche reden te meer voor (nader) onderzoek moeten zijn. De constructieve veiligheid was daardoor immers ook niet goed ‘op het oog’ in te schatten.

3.5

Door het werk uit te voeren zonder voldoende onderzoek te doen naar en acht te slaan op de (slechte) kwaliteit van de aanwezige trekstangen en, in samenhang daarmee, de risico’s aangaande de (stabiliteit van de) dakconstructie van de stal, heeft Tasche niet gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot te werk zou zijn gegaan. Weliswaar betreft het hier gebreken in zaken afkomstig van [geïntimeerde] (ernstige corrosie van de aanwezige trekstangen), maar deze komen voor rekening van Tasche op grond van artikel 7:760 lid 2 BW. Tasche is naar het oordeel van het hof tekort geschoten in de van haar te verwachten deskundigheid en de van haar in de onderhavige omstandigheden te vergen zorgvuldigheid met betrekking tot het (tijdig) onderkennen van de gebreken in de aanwezige trekstangen, mede in verband met de dakconstructie (zonder stalen kolommen) waar Tasche evenmin onderzoek naar heeft gedaan. De ondeugdelijke uitvoering van het werk komt daarom voor rekening van Tasche. Ook als de medewerkers van Tasche de twee door hen gemonteerde trekstangen direct weer op spanning hebben gebracht (partijen twisten er over of dit is gebeurd) is dat onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Het ging daarbij mis bij het losmaken van de derde trekstang. Dat [geïntimeerde] eerder aan een (andere) trekstang had gedraaid vormde nog een extra reden voor onderzoek, nu Tasche hiermee bekend was voor de aanvang van het werk (zie r.o. 6.9 van het bestreden vonnis, waar niet tegen gegriefd is door Tasche).

3.6

Dat de opdracht van [geïntimeerde] aan Tasche in twee fasen is gegeven (zie 3.4 van dit arrest) – eerst het vervaardigen en leveren van de nieuwe trekstangen, later aanvullend ook het monteren ervan – ontsloeg Tasche niet van haar verplichting om zich (tijdig) van de situatie ter plaatse op de hoogte te stellen om te beoordelen hoe het werk aan de trekstangen deugdelijk uitgevoerd kon worden. Tussen het aannemen van de opdracht tot montage op 3 november 2015 en het begin van de uitvoering van het werk op 12 november 2015 zat ook voldoende tijd om nog onderzoek te doen naar de kwaliteit van de aanwezige trekstangen en, in samenhang daarmee, de dakconstructie, waar Tasche (de inrichting van) haar werkzaamheden dan op had kunnen aanpassen. Als Tasche niet (meer) op de hoogte was van het feit dat stallen vroeger ook wel zonder stalen kolommen in de zijmuren werden gebouwd (Tasche heeft de dakconstructie van de stal geleverd in opdracht van de vader van [geïntimeerde] rond 1980, toen de vorige generatie het familiebedrijf van Tasche leidde) komt ook dat voor haar rekening als professionele aannemer, tegenover [geïntimeerde] als agrariër.

3.7

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat Tasche toerekenbaar tekort geschoten is in haar verbintenis tot aanneming van werk, te weten het vervangen van de trekstangen in de stal van [geïntimeerde] . Het hof komt dan toe aan het beroep van Tasche op eigen schuld (artikel 6:101 BW).

Eigen schuld [geïntimeerde]

3.8

Dat Tasche onvoldoende deskundigheid en zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd bij de uitvoering van het werk laat naar het oordeel van het hof onverlet dat de door [geïntimeerde] geleden schade mede het gevolg is van een aan [geïntimeerde] toe te rekenen omstandigheid (eigen schuld). Dit omdat [geïntimeerde] heeft nagelaten mede te delen aan Tasche dat hij tot het vervangen van de trekstangen overging op advies van een deskundige nadat een deel van de stal was ingestort in september 2015. De hierop gerichte grief 2 van Tasche slaagt. Het hof overweegt als volgt.

3.9

[geïntimeerde] is mondeling gewaarschuwd na de instorting van een deel van de stal op 14 september 2015 dat de trekstangen slecht waren. Hij heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat hem de vervanging van de trekstangen in het nog overeind staande deel van de stal was geadviseerd door een deskundige. [geïntimeerde] had die informatie met Tasche moeten delen, ook al beschikte hij naar eigen zeggen op dat moment nog niet over het schriftelijke rapport van Alferink-Schieveen. Volgens Tasche beschikte [geïntimeerde] vóór het instorten van het tweede deel van de stal al wel over dit rapport. Tasche heeft in dit verband een verklaring van [geïntimeerde] d.d. 30 november 2015 overgelegd. [geïntimeerde] heeft betwist dat deze verklaring juist is en betoogt dat hij niet op de hoogte was van het rapport van Alferink-Schieveen voorafgaand aan het instorten van het tweede deel van de stal. Het hof kan in het midden laten of [geïntimeerde] al dan niet op de hoogte was van het rapport van Alferink-Schieveen voor het instorten van het tweede deel van de stal in november 2015, omdat zelfs als dit niet zo was, [geïntimeerde] die informatie met Tasche had moeten delen. [geïntimeerde] moet immers na het mondelinge advies van de deskundige tenminste onder ogen hebben gezien dat de aanwezige trekstangen mogelijk ondeugdelijk waren en dat instortingsgevaar niet denkbeeldig was. Zelfs als [geïntimeerde] zeker meende te weten dat de kwaliteit van de aanwezige trekstangen nog redelijk was – hoewel [geïntimeerde] ook heeft benadrukt dat hij hieromtrent niet deskundig is – en dat de eerste instorting stormschade betrof, had hij mededeling moeten doen van het advies van de deskundige. Het vergt geen bijzonder inzicht of specifieke deskundigheid van [geïntimeerde] om te begrijpen dat die informatie van wezenlijk belang was voor Tasche, in elk geval vanaf het moment dat zij zich verbond om de trekstangen te vervangen. Tasche had dan haar eigen afwegingen kunnen maken, zoals of zij het werk in de stal nog aandurfde. In dat verband is relevant dat de directeur van Tasche tijdens de zitting in hoger beroep heeft verklaard dat Tasche, als hij had geweten van de oorzaak van het instorten van het andere gedeelte van de stal, de opdracht niet zou hebben gedaan.

Overigens heeft [geïntimeerde] ook nagelaten Tasche behoorlijk te informeren dát er een instorting van een deel van de stal in september 2015 had plaatsgevonden. Door een houten schot aan de achterzijde was het ingestorte deel vanuit de stal niet te zien. Volgens [geïntimeerde] heeft hij op 12 november 2015, toen de medewerkers van Tasche met de werkzaamheden bezig gingen, aan een van hen mededeling gedaan van een eerdere instorting door blikseminslag, maar dat acht het hof te laat en te terloops. Dat [geïntimeerde] eerder met de directeur van Tasche op de dag van het inmeten van de trekstangen langs het ingestorte deel van de stal is gelopen, zoals hij stelt maar Tasche betwist, doet ook niet af aan de eigen schuld van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] meent immers dat blikseminslag of noodweer de instorting van september verklaart. Waarom [geïntimeerde] dan mocht aannemen dat de directeur van Tasche, als deze het ingestorte deel van de stal al heeft waargenomen, zelf een verband zou leggen met het latere werk aan de trekstangen, valt niet in te zien.

3.10

Het percentage eigen schuld van [geïntimeerde] stelt het hof vast op 50%. Het hof rekent het [geïntimeerde] zwaar aan dat hij het vervangen van de trekstangen op zijn beloop heeft gelaten, zonder Tasche op de hoogte te stellen van het advies van de deskundige na de eerste instorting. Het hof wil overigens aannemen dat beide partijen zijn verrast door de snelheid van de instorting in november – vlak voor dat moment bevonden immers de medewerkers van Tasche, familieleden van [geïntimeerde] en andere personen zich nog in of vlakbij de stal – maar dat doet aan al het voorgaande niet af.

3.11

Het hof passeert de bewijsaanbiedingen van partijen, omdat de te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden, indien bewezen, niet tot een andere conclusie kunnen leiden.

3.12

Het hof merkt nog op dat partijen ter zitting bij het hof, naar aanleiding van een verkenning van een minnelijke regeling, het debat hebben voortgezet over de vraag of de schade aan de restantwaarde of de herbouwwaarde van de stal moet worden gerelateerd. Aangezien de rechtbank de (omvang van de) schade nog niet heeft beoordeeld, spreekt het hof zich hierover niet uit. Het hof zal de zaak terugverwijzen naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing (art. 355 en 356 Rv).

Slotsom

3.13

Het hoger beroep slaagt voor zover het ziet op de afwijzing van het beroep op eigen schuld van [geïntimeerde] , en faalt voor het overige.

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Tasche zullen worden vastgesteld op € 5.517 voor griffierecht en € 102,97 voor explootkosten, en € 4.062 voor salaris advocaat (2 punten x tarief IV). Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussenvonnis van de rechtbank Overijssel (zittingsplaats Almelo) van 15 januari 2020, behoudens voor zover daarin is beslist dat het beroep door Tasche op eigen schuld van [geïntimeerde] wordt afgewezen, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

bepaalt dat [geïntimeerde] eigen schuld heeft aan de schade die voortvloeit uit de instorting van de stal over een lengte van 41 meter in november 2015, en stelt het percentage eigen schuld vast op 50%;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, om de zaak tussen partijen verder te behandelen en te beslissen;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Tasche vastgesteld op € 5.619,97 voor verschotten en € 4.062 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 163, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85 en de explootkosten van betekening van de uitspraak in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.R. den Dekker, F.J. de Vries en L.A. de Vrey en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 september 2021.