Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8973

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
24-09-2021
Zaaknummer
200.298.394/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Betreft een spoed kort-geding bij verhuizing door een ouder met eenhoofdig gezag: Ouders zijn het er over eens dat de vader gezag zal krijgen maar voor dat dit was geregeld verhuist de moeder met de minderjarige. Het hof maakt een belangenafweging en concludeert dat er onvoldoende zicht is op de belangen van de minderjarige. In de bodemprocedure zal hier nader onderzoek naar verricht worden en tot die tijd dient er in de situatie van de minderjarige zo weinig mogelijk veranderd te worden. Dit heeft als gevolg dat hij -tot nader beslissingen in de bodemprocedure- terug moet naar zijn oude omgeving en bij de vader zal gaan verblijven zolang de moeder niet terug verhuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.298.394/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 206453)

arrest in kort geding van 19 augustus 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: eiser in conventie, gedaagde in reconventie

hierna: de vader,

advocaat: mr. B.L. van Riel, die kantoor houdt te Assen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats2] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. O.J.C. Toxopeus, die kantoor houdt te [plaats2] .

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 4 augustus 2021 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen (hierna: het bestreden vonnis).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep bij het hof binnengekomen op 11 augustus 2021 met grieven en met producties,

- de pleitnotities van mr. Toxopeus, tevens houdende incidenteel hoger beroep.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 19 augustus 2021 plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen en hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) was [naam1] aanwezig. Mr. Toxopeus heeft het woord gevoerd aan de hand van aan het hof verstrekte pleitaantekeningen.

2.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof mondeling uitspraak gedaan. De schriftelijke uitwerking ervan staat in dit arrest en is vastgesteld op 7 september 2021.

2.4

De vader vordert in het (principaal) hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende, te bepalen, in afwachting van de bodemprocedure, dat

primair

I. [de minderjarige] door de week bij de vader verblijft van zondag 16:00 uur tot vrijdag schooltijd en het overige bij de moeder waarbij de moeder [de minderjarige] op vrijdag uit school haalt en de vader [de minderjarige] op zondag bij de moeder haalt;

[de minderjarige] de vakanties van 1 week verblijft bij de moeder, de vakanties van 2 weken of meer door partijen bij helfte verdeeld worden waarbij de moeder de eerste helft [de minderjarige] bij zich

heeft en de vader [de minderjarige] de tweede helft, waarbij partijen in de vakanties het halen en brengen delen;

II. onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat de moeder in

gebreke blijft om hieraan te voldoen;

III. de moeder wordt veroordeeld in de proceskosten gerelateerd aan de procedure bij de

voorzieningenrechter, alsmede in de proceskosten van de

procedure in hoger beroep;

subsidiair:

(indien [de minderjarige] in afwachting van de bodemprocedure door de week bij de moeder is en

aldaar naar een nieuwe school zal gaan:)

IV. [de minderjarige] elk weekend van vrijdag uit school tot zondag 16:00 uur bij de vader is waarbij

de moeder primair [de minderjarige] haalt en brengt en subsidiair [de minderjarige] op vrijdag en zondag tussen

de ouders wordt gewisseld in [plaats1] ;

V. onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat de moeder

in gebreke blijft om hieraan te voldoen;

VI. de moeder wordt veroordeeld in de proceskosten gerelateerd aan de procedure bij de

voorzieningenrechter, alsmede in de proceskosten van de

procedure in hoger beroep.

2.5

De moeder concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vader en bekrachtiging van het vonnis van de voorzieningenrechter, behoudens de vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] . Zij vordert in het incidenteel hoger beroep te bepalen dat de vader drie weekenden per maand omgang heeft met [de minderjarige] van vrijdagmiddag tot zondagmiddag 16.00 uur alsmede de herfstvakantie, de helft van de kerstvakantie, de voorjaarsvakantie en de helft van de meivakantie, in afwachting van de beslissing in de bodemprocedure.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten.

3.2

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad en hebben nooit samengewoond. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2017.

3.3

De moeder heeft [de minderjarige] erkend. De moeder oefent het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit.

3.4

De moeder heeft daarnaast twee dochters uit een eerdere relatie.

3.5

De moeder is eind juli 2021 met haar dochters en [de minderjarige] verhuisd naar [woonplaats2] .

3.6

Tot de verhuizing van de moeder gold als omgangsregeling dat [de minderjarige] van elke tien dagen vier dagen bij de vader verbleef. Welke dagen dit waren, hing af van het werkschema van de vader. Daarnaast werden de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte verdeeld.

3.7

De vader heeft op 2 juli 2021 bij de rechtbank een verzoek ingediend om hem mede met het gezag te belasten en de lopende omgangsregeling als zorgregeling vast te stellen. De geplande mondelinge behandeling in september 2021 is na het bestreden vonnis aangehouden in afwachting van de uitkomsten van een onderzoek door de raad.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

De vader heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd:

I. de moeder te verbieden om met [de minderjarige] te verhuizen naar [woonplaats2] of elders voor de duur van de bodemprocedure,

II. de moeder te veroordelen tot nakoming van de geldende omgangsregeling die inhoudt dat [de minderjarige] elke tien dagen vier dagen en in de zomervakantie van 2021 van 16 juli tot en met 1 augustus bij de vader verblijft op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 500,- per dag of dagdeel dat de moeder in gebreke blijft om hieraan te voldoen,

III. de moeder te veroordelen in de proceskosten.

4.2

Bij akte van 23 juli 2021 heeft de vader zijn vorderingen aangevuld in die zin dat hij

vordert dat, indien de moeder is verhuisd, [de minderjarige] drie weekenden per maand van vrijdag uit

school tot zondagavond bij de moeder verblijft waarbij de moeder [de minderjarige] op vrijdag bij de vader ophaalt en de vader [de minderjarige] op zondag bij de moeder ophaalt en [de minderjarige] in de herfstvakantie van 2021 bij de moeder verblijft.

4.3

De moeder heeft in eerste aanleg in conventie tot niet-ontvankelijkheid van de vader dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vader geconcludeerd. Zij heeft in reconventie kort samengevat gevorderd, in afwachting van de behandeling van het verzoekschrift van de vader in de bodemprocedure, dat [de minderjarige] om de week een weekend bij de vader zal zijn van vrijdagmiddag 16:00 uur tot zondagmiddag 17:30 uur.

4.4

De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden vonnis van 4 augustus 2021

in conventie en in reconventie

- voor de duur van het geding de volgende omgangsregeling vastgesteld:

- [de minderjarige] verblijft vanaf 27 augustus 2021 ieder weekend van vrijdag uit school tot

zondag 16:00 uur bij de vader waarbij de man [de minderjarige] op vrijdag uit school ophaalt en

de vader [de minderjarige] op zondag bij de vader ophaalt,

- [de minderjarige] verblijft van zondag 16:00 uur tot vrijdag naar school bij de vader,

- voor de duur van het geding de volgende verdeling van de vakanties en

feestdagen vastgesteld:

- [de minderjarige] verblijft in de vakanties die één week duren bij de vader,

- [de minderjarige] verblijft in de vakanties die langer dan één week duren de ene helft van de

vakantie bij de vader en de andere helft van de vakantie bij de vader, waarbij

partijen in onderling overleg dienen af te stemmen hoe de concrete verdeling van

de vakanties die langer dan één week duren eruit dient te zien,

- partijen dienen de feestdagen in onderling overleg bij helfte te verdelen,

- de proceskosten gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

- de raad opdracht gegeven onderzoek te doen naar het gezag en de omgangsregeling en advies uit te brengen in de lopende bodemzaak;

- dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard,

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Het geschil dat partijen verdeeld houdt, is de verhuizing van [de minderjarige] , nu vier jaar oud, met de moeder en de gevolgen daarvan voor de omgang tussen de vader en [de minderjarige] .

5.2

Het hof overweegt met de voorzieningenrechter dat de moeder, omdat zij het eenhoofdig gezag heeft, de bevoegdheid heeft om over de woonplaats van [de minderjarige] te beslissen. Deze bevoegdheid wordt echter begrensd. De moeder heeft de plicht om een ingrijpende verhuizing vooraf met de vader te bespreken. Daarnaast dient zij er voor te zorgen dat de band tussen [de minderjarige] en de vader niet in het gedrang komt.

5.3

De relatie van de vader en de moeder was al verbroken toen [de minderjarige] is geboren en hun communicatie daarna is niet probleemloos geweest. Beiden hebben individuele hulp ontvangen en ook hebben zij intensieve hulp gehad om hun ouderschap vorm te geven. Deze hulp heeft zijn vruchten afgeworpen. Ouders hebben ieder hun individuele hulp afgesloten en zijn, na een lange periode van geleidelijke opbouw van de omgang tussen de vader en [de minderjarige] , in staat gebleken te komen tot een stabiele, uitgebreide omgangsregeling. Er zijn ter zitting of in het dossier geen aanwijzingen dat deze omgangsregeling momenteel niet in het belang van [de minderjarige] is of tussen de ouders tot problemen leidt. In het verslag van 7 mei 2021 beschrijft de hulpverlener van [naam2] dat ze ouders heeft leren kennen als oprechte en eerlijke mensen die in het hier en nu goede afspraken kunnen maken met betrekking tot hun zoon. Ze informeren elkaar en delen de leuke momenten die ze met elkaar beleven.

De hulpverlener merkt tegelijkertijd op dat de ouders wel in een patstelling zijn gekomen betreffende de wens van de vader om gezag te krijgen en de wens van de moeder om naar [woonplaats2] te verhuizen.

5.4

Kort na het uitkomen van dit verslag heeft de moeder haar wens om naar [woonplaats2] te verhuizen verwezenlijkt. De nieuwe woning ligt omstreeks 180 km van [plaats2] , waar de moeder met haar gezin woonde, en 160 km van [woonplaats1] , waar de vader woont.

Het hof overweegt dat deze verhuizing zal betekenen dat de omgang van [de minderjarige] met zijn vader minder zal worden. De vader zal [de minderjarige] alleen nog in de weekenden en vakanties kunnen zien en de vader zal minder betrokken kunnen zijn bij het dagelijks leven van [de minderjarige] . Sportactiviteiten bijwonen wordt lastiger en ook het leren kennen van het sociale netwerk van [de minderjarige] zal voor de vader moeilijker worden hetgeen invloed zal hebben op hun band.

De moeder wil graag in [woonplaats2] wonen omdat haar familie daar woont. Zij heeft daar werk gevonden en de vader van haar dochters woont daar inmiddels ook. De moeder heeft een lang traject achter de rug om haar draagkracht en draaglast in balans te krijgen en heeft daarbij al jaren de wens om in [woonplaats2] te wonen. In haar baan als kraamverzorgster heeft ze onregelmatige werktijden en kan ze soms ook ’s nachts worden opgeroepen. Als alleenstaande moeder is de steun van haar netwerk daarbij voor haar heel belangrijk.

5.5

Het is het hof nu nog niet duidelijk wat in het belang van [de minderjarige] is en welk gewicht aan zijn belangen gegeven dient te worden, in het licht van de (overige) belangen als genoemd in 5.4. De raad zal hier onderzoek naar doen en dit zal verder besproken worden in de bij de rechtbank aanhangige bodemprocedure.

5.6

Het hof overweegt voorts dat het karakter van de procedure in kort geding met zich brengt dat het hof slechts ordemaatregelen kan treffen, in afwachting van de beslissing in een bodemprocedure. Naar het oordeel van het hof dient in een procedure als deze ervoor gewaakt te worden dat er beslissingen genomen worden die een onomkeerbaar effect hebben. De verhuizing naar [woonplaats2] is voor [de minderjarige] een zeer ingrijpende gebeurtenis. Zo zal hij naar een nieuwe school gaan, die op 30 augustus 2021 begint, nieuwe vriendjes moeten maken en beginnen bij een nieuwe sportvereniging. Wanneer de rechtbank te zijner tijd, na een periode van gewenning in [woonplaats2] , zou besluiten dat [de minderjarige] terug moet verhuizen, zal dat opnieuw een ingrijpend gebeuren voor [de minderjarige] zijn. Daarmee is niet gezegd dat de uitkomst van de bodemzaak vast staat, maar het risico op tweemaal een dergelijke ingrijpende gebeurtenis is niet in zijn belang en moet worden vermeden.

5.7

Het hof is dan ook van oordeel dat de situatie zoals die was voorafgaand aan de verhuizing van de moeder naar [woonplaats2] hersteld moet worden, zodat de raad vanuit die situatie onderzoek kan verrichten naar de meest wenselijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Herstel van de oude situatie betekent dat [de minderjarige] in [plaats2] naar school blijft gaan en dat beide ouders een grote rol spelen in zijn leven. De moeder is echter al naar [woonplaats2] verhuisd en heeft geen woning meer in [plaats2] . Om de oude situatie zo veel mogelijk te benaderen zal [de minderjarige] doordeweeks bij zijn vader in [woonplaats1] moeten verblijven. De vader heeft toegezegd dat hij [de minderjarige] naar zijn school in [plaats2] zal brengen. In de weekenden zal [de minderjarige] conform de primaire vordering van de vader bij de moeder in [woonplaats2] verblijven.

5.8

Het hof gaat er overigens van uit dat, indien de moeder zou terugverhuizen naar (de omgeving van) [plaats2] , op dat moment de situatie herleeft waarbij - kort gezegd - [de minderjarige] van de tien dagen vier dagen bij zijn vader verblijft, zoals de vader ter zitting heeft aangegeven.

5.9

Ten slotte merkt het hof op dat het onderzoek van de raad ziet op de omgang en het gezag. Ten aanzien van het gezag heeft de moeder ter zitting in hoger beroep verklaard geen bezwaren te hebben tegen het verzoek van de vader tot gezamenlijk ouderlijk gezag. Gelet hierop neemt het hof aan dat partijen dit op korte termijn onderling zullen regelen en dat het onderzoek door de raad zich niet langer hoeft te richten op het gezag over [de minderjarige] . Mocht de moeder in [woonplaats2] willen blijven dan is het wellicht wenselijk dat de raad zijn onderzoek tevens richt op de vraag bin wie van de ouders [de minderjarige] zijn hoofdverblijf moet hebben. (De advocaten van) partijen zijn er ter zitting bij het hof op gewezen dat zij, wanneer zij dat wensen, bij de rechtbank om uitbreiding van het onderzoek dienen te vragen.

6 De slotsom

In het principaal hoger beroep

6.1

Gelet op het voorgaande wordt het bestreden vonnis deels vernietigd en de primaire vordering onder I en II van de vader toegewezen.

6.2

Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil het uit die relatie geboren kind betreft, zal het hof beslissen dat de proceskosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep worden gecompenseerd.

In het incidenteel hoger beroep

6.3

Gelet op het voorgaande wordt de vordering van de moeder in hoger beroep afgewezen.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding in principaal en incidenteel hoger beroep:

7.1

vernietigt het vonnis van 4 augustus 2021 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, voor zover het betreft de tijdelijke omgangsregeling, en in zoverre opnieuw recht doende:

bepaalt dat totdat in de bodemprocedure (anders) is beslist de volgende tijdelijke omgangsregeling zal gelden:

[de minderjarige] verblijft door de week bij de vader van zondag 16:00 uur tot vrijdag naar school. De overige dagen verblijft hij bij de moeder waarbij de moeder [de minderjarige] op vrijdag uit school haalt en de vader [de minderjarige] op zondag ophaalt bij de moeder. Gedurende de vakanties van één week verblijft [de minderjarige] bij de moeder. De vakanties van twee weken of meer worden door partijen bij helfte verdeeld waarbij de moeder [de minderjarige] de eerste helft bij zich heeft en de vader [de minderjarige] de tweede helft en waarbij partijen in de vakanties het halen en brengen delen, alles op straffe van een door de moeder aan de vader te betalen dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat de moeder in gebreke blijft om hieraan te voldoen, met een maximum van € 5.000,-;

7.2

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.3

compenseert de proceskosten van het geding in hoger beroep aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt;

7.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beslissing is mondeling gegeven en ter zitting uitgesproken op 19 augustus 2021 door mrs. M.A.F. Veenstra, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en I.A. Vermeulen, in tegenwoordigheid van de griffier.

De schriftelijke uitwerking van het arrest is vastgesteld op 7 september 2021.