Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:897

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2021
Datum publicatie
10-02-2021
Zaaknummer
21-005353-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van medeplegen hennepteelt en diefstal in vereniging van elektriciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005353-18

Uitspraak d.d.: 29 januari 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 17 september 2018 met parketnummer 16-652740-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 1 jaar en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. B.A.F. van Drimmelen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij bovengenoemd vonnis is verdachte veroordeeld ter zake van het tezamen en in vereniging met anderen telen van hennep en plegen van diefstal van elektriciteit tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 16 februari 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 307, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

2.
hij op in of omstreeks de periode van 1 augustus 2016 tot en met 16 februari 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in het arrondissement Midden Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit (37.872 kWh), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] NV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting van het hof erkend dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het telen van ongeveer 307 hennepplanten in een door hem gehuurd pand en dat in dat kader diefstal van elektriciteit is gepleegd.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van het hof, behalve voor wat betreft de onder 2 ten laste gelegde pleegperiode. Volgens haar was de hennepkwekerij niet eerder dan vanaf december 2016 in werking, zodat ook pas vanaf die datum sprake was van diefstal van elektriciteit.

Het hof volgt de raadsvrouw hierin niet. De begindatum van de ten laste gelegde pleegperiode is gekoppeld aan het moment dat verdachte het pand waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, is gaan huren. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de pleegperiode zoals die is ten laste gelegd kan worden bewezen, mede in aanmerking genomen dat exacte gegevens over het beginmoment van de kwekerij en de daarmee samenhangende diefstal van elektriciteit ontbreken. Dat de kwekerij na het huren van het pand nog moest worden opgebouwd en dus feitelijk niet direct op 1 augustus 2016 in werking was, maakt het voorgaande niet anders. Vaststaat immers dat de diefstal van elektriciteit binnen de ten laste gelegde periode heeft plaatsgevonden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 16 februari 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van ongeveer 307 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.


2.
hij in de periode van 1 augustus 2016 tot en met 16 februari 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [naam] NV, waarbij verdachte en zijn mededaders die weg te nemen elektriciteit onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tezamen en in vereniging met anderen telen van hennep en het plegen van diefstal van elektriciteit. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan de bevordering en instandhouding van het illegale circuit betreffende de productie, handel en het gebruik van softdrugs, waardoor ook andere vormen van criminaliteit in de hand worden gewerkt. Diefstal van elektriciteit veroorzaakt bovendien overlast en schade en zorgt in veel gevallen voor brandgevaarlijke situaties. Hoewel verdachte ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij door anderen onder druk werd gezet om de bewezenverklaarde feiten te plegen, neemt dit het strafwaardige van zijn handelen niet weg.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 15 december 2020 blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is ter zake van soortgelijke strafbare feiten. De enige andere veroordeling dateert van meer dan 20 jaar geleden. Bij de strafoplegging zal het hof verdachte daarom als first offender beschouwen.

De landelijke oriëntatiepunten van straftoemeting houden ter zake van het opzettelijk telen van de hier aan de orde zijnde hoeveelheid hennepplanten een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaar in, alsmede een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. De straf die de politierechter aan verdachte heeft opgelegd, is daarmee in lijn.

Het hof is van oordeel dat dit gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten een passende en terechte straf is. De aangevoerde omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en verdachtes persoonlijke omstandigheden zijn niet zodanig dat deze een matigend effect op de straf moeten hebben. Een geheel voorwaardelijke straf zoals de raadsvrouw heeft verzocht, is dan ook niet aan de orde.

Het tijdsverloop gedurende de procedure in hoger beroep leidt evenmin tot een lagere straf. Er is immers slechts sprake van een geringe overschrijding van de termijn in hoger beroep (de procedure in hoger beroep heeft ongeveer 2 jaar en 4 maanden geduurd), en het tijdsverloop is met name het gevolg van uitgevoerde onderzoekswensen van de verdediging.

Alles afwegende, legt het hof verdachte daarom een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren. Het hof acht een proeftijd van 2 jaren geboden en ziet voor een kortere proeftijd zoals de advocaat-generaal heeft voorgesteld, geen aanleiding. Met deze voorwaardelijke straf beoogt het hof tevens te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. Daarnaast legt het hof verdachte een taakstraf van 120 uren op, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. A.H. toe Laer, voorzitter,

mr. G.A. Versteeg en mr. F.A. Hartsuiker, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 29 januari 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Hartsuiker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.