Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8869

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-09-2021
Datum publicatie
23-09-2021
Zaaknummer
200.292.725/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing conservatoir beslag nadat de rechtbank in de bodemzaak de vordering heeft afgewezen en de beslaglegger tegen dat vonnis hoger beroep heeft ingesteld. Belangenafweging. Vordering tot opheffing ook in hoger beroep afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.292.725/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 203957)

arrest in kort geding van 21 september 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellant,
bij de rechtbank: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. Y. Moszkowicz, die kantoor houdt te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats2] ,

geïntimeerde,

bij de rechtbank: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J. Doornbos, die kantoor houdt te Groningen.

1 Het geding bij de voorzieningenrechter

Voor de procedure bij de voorzieningenrechter verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 26 februari 2021 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

2 De procedure bij het hof

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 26 maart 2021 (met grieven en één productie),

- de conclusie van eis,

- de memorie van antwoord (met drie producties),

- een akte uitlating producties.

2.2

Vervolgens hebben partijen de processtukken ingediend en heeft het hof een datum voor het arrest vastgesteld.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep - samengevat - dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigt en alsnog het ten laste van hem gelegde conservatoire beslag op zijn woning en/of op de gelden bij het notariskantoor opheft, dan wel [geïntimeerde] , op straffe van het verbeuren van een dwangsom, veroordeelt deze beslagen op te heffen, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten bij de voorzieningenrechter en bij het hof.
2.4 In de procedure bij de voorzieningenrechter heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld de beslagen op te heffen en te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van zodanige opheffing, indien [geïntimeerde] niet binnen drie dagen na betekening van het vonnis tot opheffing overgaat. In hoger beroep heeft hij zijn eis gewijzigd doordat hij nu primair vordert dat het hof de beslagen opheft. De oorspronkelijk primaire vorderingen worden nu subsidiaire vorderingen. Het hof leest het gewijzigde petitum van de appeldagvaarding zo, dat de gevorderde proceskostenveroordeling zowel betrekking heeft op de primaire vordering als op de subsidiaire vorderingen.
2.5 De wijziging van eis is opgenomen in het eerste processtuk in hoger beroep. [appellant] heeft er geen bezwaar tegen gemaakt. Het hof ziet ook geen reden om de wijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten. Het zal dan ook beslissen op de gewijzigde eis.
3. Waar gaat het in deze zaak om?

3.1

[geïntimeerde] meent dat hij een forse vordering op [appellant] heeft. Ten laste van [appellant] heeft hij twee conservatoire beslagen laten leggen. De vordering van [geïntimeerde] op [appellant] is door de rechtbank Noord-Nederland afgewezen bij vonnis van 6 januari 2021. Tegen dit vonnis heeft [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld. Het gaat in kort geding om de vraag of de conservatoire beslagen moeten worden opgeheven.

3.2

De voorzieningenrechter heeft die vraag ontkennend beantwoord en heeft geoordeeld dat de vordering van [appellant] om [geïntimeerde] te veroordelen de beslagen op te heffen moet worden afgewezen. Het hof komt tot een zelfde beslissing. Het zal deze beslissing hierna motiveren door eerst de relevante feiten te vermelden en door vervolgens aan de hand van de bezwaren (‘grieven’) van [appellant] tegen het vonnis van de voorzieningenrechter, de vordering (en) van [appellant] te bespreken.

4 De vaststaande feiten

4.1

Op 14 april 2011 heeft [appellant] horecagelegenheid ‘ [de horecagelegenheid] ’ [plaats1] in opdracht van derden (de erven [naam1] ) verkocht aan [geïntimeerde] . Eerder hadden [appellant] en [de ex-echtgenote] , de ex-echtgenote van [geïntimeerde] , een intentieverklaring ondertekend over de verkoop van [de horecagelegenheid] aan [de ex-echtgenote] .

4.2

[geïntimeerde] is nadien met toestemming van de erven [naam1] gestart met de renovatie en herinrichting van [de horecagelegenheid] en hij is [de horecagelegenheid] gaan exploiteren.

4.3

Nadat [de ex-echtgenote] conservatoir beslag tot levering had gelegd op [de horecagelegenheid] , heeft zij een procedure aanhangig gemaakt tegen de erven [naam1] . Haar vordering tot levering is door de rechtbank Noord-Nederland op 6 maart 2013 toegewezen. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

4.4

Op 4 januari 2014 hebben [geïntimeerde] en [de ex-echtgenote] een overeenkomst getekend waarin, kort gezegd, is vermeld dat [geïntimeerde] zijn aanspraken op [de horecagelegenheid] prijsgeeft.

4.5

In een vonnis van 23 augustus 2017 heeft de rechtbank Noord-Nederland op vordering van [de ex-echtgenote] [geïntimeerde] veroordeeld [de horecagelegenheid] te ontruimen. Dit hof heeft dat vonnis in een arrest van 11 december 2018 bekrachtigd. Het cassatieberoep tegen het arrest is op 26 juni 2020 door de Hoge Raad verworpen.

4.6

[geïntimeerde] heeft [de horecagelegenheid] , uiteindelijk, na een vonnis in kort geding, op 25 maart 2019 verlaten. De erven [naam1] hebben [de horecagelegenheid] op 21 oktober 2019 aan [de ex-echtgenote] geleverd.

4.7

[geïntimeerde] heeft [appellant] aansprakelijk gesteld voor de schade die hij lijdt doordat [de horecagelegenheid] niet aan hem is geleverd. Hij heeft een procedure aanhangig gemaakt tegen [appellant] bij de rechtbank Noord-Nederland, waarin hij vorderde dat [appellant] wordt veroordeeld om:

a. onder oplegging van een dwangsom, ervoor zorg te dragen dat [de ex-echtgenote] de door [geïntimeerde] gemaakte kosten van renovatie en onderhoud van – afgerond - € 385.000,- te vermeerderen met een bedrag van € 165.000,- voor de daardoor gemaakte indirecte kosten en schade aan hem betaalt;
b. de door [geïntimeerde] gemaakte juridische kosten van ruim € 270.000,- aan hem te betalen;
c. de schade vanwege de onrechtmatige verkoop en levering van de inventaris van [geïntimeerde] , begroot op € 150.000,-, aan hem te vergoeden.

4.8

Tot zekerheid van de betaling van zijn vorderingen heeft [geïntimeerde] conservatoir beslag doen leggen ten laste van [appellant] op diens woning en conservatoir derdenbeslag onder PlasBossinade Notarissen N.V. Door het laatste beslag is een bedrag van € 850.000,- getroffen.

4.9

In een vonnis van 6 januari 2021 heeft de rechtbank Noord-Nederland de vorderingen van [geïntimeerde] (en overigens ook de reconventionele vordering van [appellant] ) afgewezen. [geïntimeerde] heeft van dit vonnis op 12 februari 2021 hoger beroep ingesteld.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

Spoedeisend belang?
5.1 In de procedure bij de voorzieningenrechter heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat [appellant] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot opheffing van de gelegde beslagen. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen biedt artikel 705 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een eigen rechtsgang ten behoeve van de opheffing van conservatoire beslagen. Een spoedeisend belang is niet vereist voor toegang tot deze rechtsgang. Los daarvan is de vordering van [appellant] , gelet op de aard ervan, spoedeisend.
Het juridisch kader
5.2 Op grond van artikel 705 lid 2 Rv wordt een conservatoir beslag opgeheven wanneer ‘summierlijk blijkt’ van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht. Het ligt op de weg van degene die de opheffing vordert om aannemelijk te maken dat de gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Hierbij moeten de beperkingen van het kort geding in acht worden genomen; de kortgedingrechter zal moeten beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summier met bewijsmateriaal is onderbouwd. Deze beoordeling kan niet plaatsvinden los van de in zo’n geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen van partijen1. Het gaat er daarbij niet om dat wordt vastgesteld of de gepretendeerde vordering al dan niet gegrond is. In het kader van art. 705 lid 2 Rv gaat het om niet meer dan een voorlopig oordeel over het bestaan van de gepretendeerde vordering2. De omstandigheid dat die vordering door de bodemrechter is afgewezen rechtvaardigt, als tegen de afwijzing een rechtsmiddel is ingesteld, niet zonder meer het oordeel dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van de vordering. In dat geval moeten de wederzijdse belangen tegen elkaar worden afgewogen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat een conservatoir beslag bedoeld is om te waarborgen dat als een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van zijn vordering voor de door het beslag ontstane schade kan worden aangesproken. Bij die afweging moet de omstandigheid dat de rechter in de hoofdzaak de vordering heeft afgewezen worden meegewogen. Van de voorzieningenrechter kan niet worden gevergd dat hij in zijn vonnis ook een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis aangewende rechtsmiddel3.

De vordering tot opheffing
5.3 Anders dan [appellant] suggereert, heeft de voorzieningenrechter bij de beoordeling van zijn vordering tot opheffing van de gelegde beslagen het hiervoor vermelde kader toegepast. [appellant] heeft in hoger beroep geen feiten en argumenten aangevoerd die de voorzieningenrechter niet heeft besproken en heeft betrokken in het oordeel over deze vordering. Het hof neemt de overwegingen en het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het door [geïntimeerde] gevorderde summierlijk ondeugdelijk is en dat ook een belangenafweging niet leidt tot opheffing van de beslagen daarom over. Het voegt daar nog het volgende aan toe.

5.4

[appellant] heeft aangevoerd dat hij er belang bij heeft dat het beslag op de derdengeldrekening van de notaris wordt opgeheven. Met het bedrag op die rekening, dat nu getroffen wordt door het beslag, kan hij de hypotheek op zijn woning aflossen. Op die manier bespaart hij € 14.000,- rente per jaar. [geïntimeerde] heeft in de procedure bij de voorzieningenrechter aangegeven en heeft in hoger beroep herhaald, dat hij - onder de door hem gestelde en naar het oordeel van het hof, alleszins redelijke voorwaarden - bereid is eraan mee te werken dat het door het beslag onder de notaris getroffen geldbedrag wordt gebruikt voor aflossing van de hypothecaire geldlening betreffende de woning van [appellant] . Gelet op dit aanbod van [geïntimeerde] is opheffing van de beslagen niet noodzakelijk om het belang dat [appellant] daarbij stelt te hebben te realiseren. Door het onder de notaris rustende bedrag, conform de door [geïntimeerde] gestelde voorwaarden, aan te wenden ter aflossing van de hypotheek op zijn woning, kan [appellant] de door hem gewenste rentebesparing realiseren en daarmee ook de door hem gestelde schade ten gevolge van het beslag beperken. Dat [geïntimeerde] geen verhaal biedt voor die schade, zoals [appellant] stelt, is in dat licht bezien niet zo relevant meer. [appellant] heeft geen ander concreet belang bij opheffing van de beslagen aangevoerd en een dergelijk belang is ook niet aannemelijk geworden. Bij de, noodzakelijke, afweging van belangen leggen de belangen van [appellant] dan ook onvoldoende gewicht in de schaal.

5.5

De vorderingen van [appellant] zijn gelet op wat hiervoor is overwogen, niet toewijsbaar. De grieven die [appellant] heeft aangevoerd tegen het vonnis van de voorzieningenrechter falen dan ook.

6 De slotsom

6.1

Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigen.

6.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen (geliquideerd salaris van de advocaat: 1 punt, tarief II), te vermeerderen met het nasalaris.

7 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 26 februari 2021;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 338,- voor verschotten en op € 1.114,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te vermeerderen met het nasalaris begroot op € 163,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- indien [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, O.E. Mulder en M.M. Lorist en is door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

21 september 2021.

1 Hoge Raad 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105 en 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5529.

2 Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074.

3 Hoge Raad 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559 en 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074.