Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:88

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-01-2021
Datum publicatie
08-02-2021
Zaaknummer
: Wahv 200.259.862/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toestemming/gedoogbeleid? Een zes jaar oude brief van de gemeente waarin staat dat op een niet genoemde locatie 'voorlopig' met twee wielen op de stoep mag worden geparkeerd, maakt toestemming of een gedoogbeleid niet aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.259.862/01

CJIB-nummer

: 214596748

Uitspraak d.d.

: 6 januari 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “met een stilstaand voertuig niet de rijbaan gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 februari 2018 om 17:06 uur op het Paschalispad in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken

[00-YY-YY] .

2. In hoger beroep voert de betrokkene aan dat hij een schriftelijke toestemming van de gemeente Den Haag (hierna: gemeente) heeft om zijn auto ter plaatse met twee wielen op de stoep te parkeren. Hij verwijst daarvoor naar bijgevoegde brief van de gemeente van 6 november 2012. De betrokkene merkt op dat sprake is van een expliciete toezegging die niet is ingetrokken. Dat de gemeente er uiteindelijk voor heeft gekozen om geen verkeersborden te plaatsen doet daar niet aan af. Het opleggen van de sanctie is daarom in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarnaast heeft de overheid onzorgvuldig gehandeld door de beschikking niet in te trekken nadat de gemeente niet heeft gereageerd op het informatieverzoek van het openbaar ministerie van 9 mei 2018. De afdeling handhaving van de gemeente heeft de betrokkene telefonisch bevestigd dat uit beleid en procedures bij het openbaar ministerie volgt dat in dat geval de beschikking moet worden vernietigd. Verder voert de betrokkene aan dat er voor de gemeente een plicht tot handhaving bestaat. De beperkte capaciteit aan menskracht en financiële middelen brengt met zich dat bij het uitoefenen van het toezicht prioritering mag worden aangebracht. Echter met duidelijke signalen dat er een overtreding plaatsvindt, moet iets worden gedaan. Er is geen relatie tussen de beginselplicht tot handhaving en het handhavingsbeleid van de gemeente. Dit leidt tot willekeur. Daar komt bij dat de gemeente genoegzaam bekend is met de situatie ter plaatse en de overlast. Door ervoor te kiezen om in de meeste gevallen niet op te treden, is tevens sprake van een stilzwijgend gedogen. Verder wijst de betrokkene erop dat het openbaar ministerie in 2012 heeft besloten een beschikking alsnog in te trekken terwijl die casus identiek was aan deze. Ook dit leidt tot willekeur. Tot slot verlangt de betrokkene naast een proceskostenvergoeding ook een bedrag van € 500,- voor immateriële schade.

3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Het voertuig stond geparkeerd op een weggedeelte dat is bestemd voor het verkeer van voetgangers, zijnde een voetpad c.q. trottoir. Ik heb geen voor dat gebied geldige ontheffing waargenomen. Met 2x wielen en 3 kwart voertuig op het trottoir geparkeerd. (…)

Opmerkingen ambtenaar 1: geen activiteiten rondom het voertuig waargenomen. Geen geldige GPK (het hof leest: gehandicaptenparkeerkaart) zichtbaar in het voertuig aanwezig. Tevens parkeerverbod van kracht door middel van een onderbroken gele streep. Tevens stilstaan binnen 5 meter van een kruising langs een verlaagde trottoir waardoor deze volledig was geblokkeerd en hinder kon ontstaan voor minder valide mensen.”

5. Het dossier bevat daarnaast een aanvullend proces-verbaal van 29 mei 2018 waarin de ambtenaar onder meer verklaart:

“Op de bovengenoemde locatie zijn geen E8b RVV 1990 borden aangebracht ter aanduiding dat er met twee wielen op het trottoir geparkeerd mocht worden.”

6. De ambtenaar heeft tevens foto’s bijgevoegd die hij ter plaatse heeft gemaakt. Op de foto’s is het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] te zien terwijl het met twee wielen op (de hoek van) het trottoir staat geparkeerd.

7. Gezien het voorgaande en het feit dat de betrokkene erkent dat het voertuig met twee wielen op het trottoir stond geparkeerd, staat vast dat de gedraging is verricht. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er omstandigheden zijn om te oordelen dat oplegging van de sanctie niet billijk is of het bedrag van de sanctie moet worden gematigd.

8. De betrokkene heeft een brief overgelegd van de gemeente, afdeling parkeren, van 6 november 2012. Uit deze brief volgt niet op welke locatie dit schrijven precies betrekking heeft. Namens de gemeente is geschreven dat “hier” het parkeren met twee wielen op het trottoir voorlopig toe te staan en daarom borden te plaatsen die aangeven dat dit toegestaan is. Daarnaast volgt uit voornoemd schrijven dat de gemeente niet gebleken is dat er een gedoogbeleid op die locatie bestaat en tevens dat bij de invoering van het betaald parkeren aan de bewoners is gemeld dat parkeren op het trottoir en hoeken van straten niet is toegestaan. De stelling van de betrokkene dat “zwart op wit” staat dat op het Paschalispad te Den Haag het parkeren met twee wielen op het trottoir is toegestaan dan wel wordt gedoogd, volgt het hof daarom niet.

9. Verder overweegt het hof dat ambtenaren over een discretionaire bevoegdheid beschikken op grond waarvan zij een zekere vrijheid hebben om te bepalen of zij in een concreet geval al dan niet een sanctie opleggen. De enkele omstandigheid dat mogelijk andere bestuurders - om welke reden dan ook - geen sanctie is opgelegd, brengt niet mee dat de betrokkene, die de gedraging heeft verricht, daarvan gevrijwaard zou moeten blijven. Het is het hof daarnaast niet gebleken dat de ambtenaar zijn bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie op welke wijze dan ook heeft misbruikt. Het hof wijst er in dit licht ook nog op dat van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene alleen sprake is als zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene is afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid (vgl. de uitspraak van het Hof Leeuwarden van 8 oktober 2003, ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326). Daarvan is, gelijk hiervoor overwogen, in dit geval niet gebleken. Ten overvloede overweegt het hof in dit verband dat indien de gemeente een beleid zou voeren dat erop neerkomt dat niet handhavend wordt opgetreden tegen parkeerovertredingen begaan tijdens de momenten dat ouders hun kinderen naar school brengen en van school halen, in ieder geval jegens de betrokkene niet in strijd met dat beleid wordt gehandeld. Niet valt in te zien waarom de gemeente dergelijk beleid niet mag voeren.

10. Voor zover de betrokkene stelt dat sprake is van willekeur omdat het openbaar ministerie in 2012 heeft besloten een beschikking alsnog in te trekken terwijl die casus identiek was aan deze, wordt overwogen dat niet vast staat dat het voertuig van de betrokkene op (nagenoeg) dezelfde plaats stond geparkeerd als in 2012. Daar komt bij dat uit informatie van de advocaat-generaal volgt dat destijds heeft meegespeeld dat sprake was van een gewijzigde situatie (2011-2012) waardoor er onduidelijkheden bestonden. Kortom: elke zaak dient te worden beoordeeld op de eigen feiten en omstandigheden. Dat sprake is van willekeur is niet gebleken.

11. Voor wat betreft de stelling van de betrokkene dat sprake is van beleid van de officier van justitie om de inleidende beschikking te vernietigen als niet (adequaat) wordt voldaan aan een verzoek om nadere informatie, wordt overwogen dat het hof niet is gebleken van een dergelijk beleid. De informatie van de afdeling handhaving van de gemeente Den Haag aan de betrokkene is daartoe onvoldoende. Weliswaar kan onder omstandigheden het achterwege blijven van nadere informatie de officier van justitie ertoe brengen een inleidende beschikking te vernietigen omdat de gedraging onvoldoende vast is komen te staan, maar het betreft dan een oordeel in een concrete zaak en wijst niet op het door de betrokkene gestelde beleid.

12. Gezien het bovenstaande doen zich geen omstandigheden voor die aanleiding geven de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie matigen. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

14. Met betrekking tot het verzoek om een bedrag van € 500,- voor immateriële schade overweegt het hof dat de Wahv de mogelijkheid van (immateriële) schadevergoeding niet kent. Het hof zal dit verzoek daarom niet-ontvankelijk verklaren.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af;

verklaart het verzoek om immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van Swart als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.