Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8711

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
21-005277-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake schuldheling tot een geldboete van 600 euro waarvan 300 euro voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en reclasseringstoezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005277-19

Uitspraak d.d.: 9 september 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 30 september 2019 met parketnummer 18-010002-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw,

mr. M. Rosema, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter voornoemd heeft verdachte ter zake van schuldheling veroordeeld tot een geldboete van € 600,00 te vervangen door 12 dagen hechtenis en de vordering van de benadeelde partij afgewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 14 januari 2018 te [plaats] , een goed te weten een (brom)scooter (merk: AGM, type: V50, kenteken: [kenteken] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

subsidiair

hij op of omstreeks 14 januari 2018 te [plaats] , een (brom)scooter (merk: AGM, type: V50, kenteken: [kenteken] ) in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof heeft geconstateerd dat verdachte niet consistent is in zijn verklaringen.

Op 14 januari 20181 omstreeks 02.10 uur verklaart verdachte bij zijn staandehouding dat hij de scooter van een maatje van hem, genaamd [naam1] , heeft gekocht en dat de kentekenplaat er moest zijn afgevallen. De scooter had hij ongeveer een maand in zijn bezit, hij had de kentekenkaart niet bij zich en wist niet waar het framenummer te vinden was op de scooter. Verdachte had de scooter ook nog niet op zijn naam overgeschreven.

Op 14 januari 20182 om 11.53 verklaart verdachte bij zijn verhoor dat hij de naam niet weet van degene van wie hij de scooter heeft gekocht. De gegevens van die persoon zitten samen met de kentekenplaat in de buddyseat. Verdachte heeft nog niet in de buddyseat gekeken omdat hij geen gereedschap had om de kentekenplaat te monteren.

Verdachte verklaart dat hij de scooter sinds donderdag 11 januari 2018 in zijn bezit heeft en ontkent dat hij eerder anders heeft verklaard. Hij verklaart dat hij met de verkoper van de scooter in contact is gebracht door iemand die hij de avond ervoor op een feestje heeft ontmoet. Hij kent deze (tussen)persoon niet en weet alleen dat hij zich heeft voorgesteld als [naam2] .

Daarna verklaart verdachte dat hij bij de koop de papieren van de scooter heeft bekeken en de kentekenplaat heeft gezien. De buddyseat kon verdachte openmaken met de sleutel.

Verdachte heeft de scooter niet op eigen naam gezet en verzekerd.

Verdachte heeft, gelet op het voorgaande, niet alleen wisselend verklaard over het tijdstip waarop en de persoon van wie hij de scooter heeft gekocht, maar ook is een belangrijk deel van de door verdachte verstrekte informatie weinig concreet en volstrekt oncontroleerbaar. Daar komt bij dat verdachtes verklaring erop neerkomt dat hij van een volslagen vreemde, naar wiens identiteit verdachte geen onderzoek heeft gedaan en van wie verdachte geen contactgegevens heeft vastgelegd, een scooter heeft gekocht waarvan de kentekenplaat niet op de voorgeschreven wijze was aangebracht. Onder die omstandigheden moet het er

– minstgenomen - voor worden gehouden dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de scooter van misdrijf afkomstig was.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 januari 2018 te [plaats] , een goed te weten een (brom)scooter (merk: AGM, type: V50, kenteken: [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

primair: schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een scooter.

Heling is het gevolg van een door een ander gepleegd misdrijf, veelal diefstal. Het maakt dat eerder gepleegde misdrijf lonend. Ook verdachte heeft door zijn betrokkenheid bij het bewezenverklaarde de eigenaar van de scooter, zij het indirect, getroffen in zijn eigendomsrechten.

Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met de justitiële documentatie van verdachte d.d. 21 juli 2021. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het hof heeft eveneens rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte afstand heeft gedaan van de door hem gekochte scooter.

Alles afwegende acht het hof het passend en geboden om aan verdachte een deels voorwaardelijke geldboete op te leggen. Door de oplegging van een voorwaardelijk deel heeft verdachte een stok achter de deur, die hem hopelijk behoedt voor het opnieuw plegen van strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 125,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. G.A. Versteeg, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. A. Meester, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, griffier,

en op 9 september 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Proces-verbaal bevindingen PL0100-2018009073-7

2 Proces-verbaal verhoor PL0100-2018009073-11