Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8709

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
21-004417-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake meermalen dealen en aanwezig hebben van harddrugs en bezit nep-vuurwapen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Vonnis politierechter doet onvoldoende recht aan aard en ernst bewezenverklaarde feiten. Hof heeft in aanmerking genomen de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004417-18

Uitspraak d.d.: 9 september 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 30 juli 2018 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-720235-18 en 18-720243-18, 18-720396-17, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-157035-16, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarde toezicht door de reclassering en een meldplicht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. M.R. van der Pol, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft – kort gezegd - verdachte bij voormeld vonnis ter zake van meerdere keren handelen in strijd met de Opiumwet en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal melden bij de Reclassering Nederland en de opdracht aan de reclassering op toezicht tot de naleving van de bijzondere voorwaarde.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 18-720235-18:

1.
hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2017 tot en met 27 oktober 2017 te [plaats] , opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.
hij, op of omstreeks 28 oktober 2017, te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 19 bolletjes cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Zaak met parketnummer 18-720396-17 (gevoegd):

1. primair
hij op of omstreeks 17 december 2017 te [plaats] een wapen van categorie III, onder 1⁰, te weten een revolver, voorhanden heeft gehad;

1. subsidiair
hij op of omstreeks 17 december 2017, te [plaats] , een wapen van categorie IV, onder 7⁰, heeft gedragen, te weten een nep revolver, in elk geval een voorwerp, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen en/of werd gezien op een door verdachte gemaakt filmpje, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel;

1. meer subsidiair
hij op of omstreeks 17 december 2017, te [plaats] , een wapen van categorie I, onder 7°, te weten een neprevolver, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en/of met een voor ontploffing bestemd voorwerp voorhanden heeft gehad;

2.
hij op of omstreeks 18 december 2017, te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 4 bolletjes (0,68 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Zaak met parketnummer 18-720243-18 (gevoegd):

1.
hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 5 januari 2018 tot en met 24 mei 2018, althans op 24 mei 2018, te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer

18-720396-17 onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-720235-18 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-720396-17 onder 1 meer subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 18-720243-18 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

zaak met parketnummer 18-720235-18:

1.
hij in of omstreeks de periode van 6 juli 2017 tot en met 27 oktober 2017 te [plaats] opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd hoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.
hij op 28 oktober 2017 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad 10 bolletjes cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

zaak met parketnummer 18-720396-17:

1.meer subsidiair
hij op 17 december 2017, te [plaats] , een wapen van categorie I, onder 7°, te weten een neprevolver, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen voorhanden heeft gehad.


2.
hij op 18 december 2017 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad 4 bolletjes (0,68 gram) bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

zaak met parketnummer 18-720243-18:

1.
hij op verschillende tijdstippen in de periode van 5 januari 2018 tot en met 24 mei 2018 te [plaats] telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 18-720235-18 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 18-720235-18 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het in de zaak met parketnummer 18-720396-17 onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het in de zaak met parketnummer 18-720396-17 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het in de zaak met parketnummer 18-720243-18 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het dealen van harddrugs en het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs schade kunnen berokkenen aan de gebruikers daarvan en kunnen leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Bovendien gaan de handel en het gebruik van drugs vaak gepaard met allerlei vormen van criminaliteit. De verdachte heeft zich hier kennelijk niets van aangetrokken en heeft enkel gedacht aan persoonlijk financieel gewin.

Daarnaast heeft verdachte gebruik gemaakt van een nep-vuurwapen om anderen schrik aan te jagen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 juli 2021 waaruit volgt dat de verdachte eerder veelvuldig onherroepelijk voor uiteenlopende strafbare feiten is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Bovendien heeft de verdachte de feiten gepleegd terwijl hij nog in een proeftijd liep.

Daarnaast heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken.

Tot slot heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 2 mei 2018. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal melden op afspraken met de reclassering.

Op grond van het vorenstaande en mede in aanmerking nemende de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting, is het hof van oordeel dat de door de politierechter opgelegde straf onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Daarnaast acht het hof oplegging van een langere voorwaardelijke straf met een proeftijd van 3 jaren noodzakelijk als stok achter deur om te voorkomen dat verdachte zich wederom aan soortgelijke feiten zal schuldig maken.

Daarom zal het hof verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Het hof acht oplegging van de bijzondere voorwaarde eveneens geboden. Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard geen bezwaar te hebben tegen het opleggen van reclasseringstoezicht en de daarbij behorende meldplicht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 2 november 2016, parketnummer 18-157035-16, opgelegde proeftijd van 2 jaren te verlengen met een jaar. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof heeft vastgesteld dat voornoemde proeftijd inmiddels is verstreken. De vordering tot tenuitvoerlegging zal daarom bij gebrek aan opportuniteit worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-720396-17 onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-720235-18 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-720396-17 onder 1 meer subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 18-720243-18 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-720235-18 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-720396-17 onder 1 meer subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 18-720243-18 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op door de reclassering vast te stellen dagen/tijdstippen te melden bij de reclassering Nederland, Zoutbranderij 1, 8933 AJ Leeuwarden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Nederland van 21 februari 2018, strekkende tot verlenging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 2 november 2016, parketnummer 18-157035-16, opgelegde proeftijd van 2 jaren.

Aldus gewezen door

mr. G.A. Versteeg, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. A. Meester, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, griffier,

en op 9 september 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.