Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8708

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
21-002936-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bedreiging, mishandeling en vernieling tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met een proeftijd van 3 jaren, met reclasseringstoezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002936-19

Uitspraak d.d.: 9 september 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 22 mei 2019 met parketnummer 18-166973-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis, waarvan beroep, met veroordeling van de verdachte ter zake van hetgeen hem onder 1, 2 en 3 is tenlastegelegd tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij] vordert de advocaat-generaal de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W. Koopmans, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 22 mei 2019 de verdachte ter zake van hetgeen hem onder 1, 2 en 3 is tenlastegelegd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht, een contactverbod en reclasseringstoezicht. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot een bedrag van € 1.364,-, bestaande uit € 514,- materiële- en € 850,- immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2018, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 22 augustus 2018 te [plaats] [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen "Ik zal je godverdomme toch een paar klappen om de oren geven" en/of "dan trap ik je kop helemaal letterlijk en figuurlijk van je romp af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.
hij op of omstreeks 22 augustus 2018 te [plaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij]

- bij de keel te pakken en daarbij haar lichaam tegen een muur aan te drukken en/of

- ( vervolgens) (nog een keer) bij de keel te pakken en/of in de keel te knijpen;

3.
hij op of omstreeks 22 augustus 2018 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een (mobiele) telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde partij] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten onder 1, 2 en 3.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde merkt de advocaat-generaal op dat de zinssnede: “Ik zal je godverdomme toch een paar klappen om de oren geven” geen bedreiging met enig misdrijf tegen het leven en/of zware mishandeling oplevert, hetgeen moet leiden tot partiële vrijspraak.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat zij zich aansluit bij de opmerking van de advocaat-generaal betreffende de partiële vrijspraak en dat zij zich ten aanzien van de feiten 2 en 3 refereert aan het oordeel van het hof.

Oordeel van het hof

Ten aanzien van feit 1

Het hof acht het tenlastegelegde onder feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bekend het tenlastegelegde te hebben gepleegd en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Daarom volstaat het hof, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van bewijsmiddelen.

Deze opgave luidt als volgt:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 22 augustus 2018, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018222415 d.d. 24 augustus 2018, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij] ;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 23 augustus 2018, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte.

Het hof zal verdachte vrijspreken van het onderdeel “Ik zal je godverdomme toch een paar klappen om de oren geven”, nu die zinsnede naar het oordeel van het hof geen bedreiging als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht oplevert.

Ten aanzien van feit 2

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof ontkend aangeefster bij haar keel te hebben gepakt.

Gelet op de ontkennende verklaring van de verdachte is voor een bewezenverklaring van de hiervoor door aangeefster omschreven mishandeling vereist dat haar verklaring in voldoende mate steun vindt in overige bewijsmiddelen. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier voldoende bewijsmiddelen om te kunnen komen tot het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de tenlastegelegde geweldshandelingen heeft begaan.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting van het hof, stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast en wordt het volgende overwogen.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 22 augustus 2018, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018222415 d.d. 24 augustus 2018, inhoudende als verklaring van [benadeelde partij] :

Op 22 augustus 2018 te [plaats] kwam mijn vader (het hof begrijpt: verdachte) binnen en pakte hij mij direct met zijn rechterhand bij mijn keel. Ik viel hierdoor tegen de muur aan en begon te gillen. Toen mijn vader mij bij mijn keel pakte voelde ik pijn in mijn keel.

Ik zag dat mijn vader direct uit de auto stapte. Hij pakte mij opnieuw bij mijn keel maar veel harder dan de eerste keer. Ik kreeg geen adem.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 23 augustus 2018, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik heb toen met mijn rechterhand haar (het hof begrijpt: aangeefster) naar achteren geduwd. Ik had mijn hand op de borst en die gleed naar boven naar haar hals. Ik duwde naar achteren ik bleef staan.

Ik (…) ben wel met mijn hand op haar keel geweest door het drukken.

Ik wilde weer verder en ik wilde instappen maar [benadeelde partij] kwam weer op mij af. Ik pakte [benadeelde partij] bij haar haar beet en ik zei: wat wil je nu? Ik had haar beet in de buurt van haar nek.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 22 augustus 2018, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam1] :

Op 22 augustus 2018 was ik aan de [adres1] te [plaats] . Ik zag dat mijn vader (het hof begrijpt: verdachte) mijn zus [benadeelde partij] ter hoogte van haar nek met vlakke hand terug de wc in duwde. Ik kon zien dat hij dit met kracht deed. Ik zag namelijk dat mijn zus tussen de wc en de muur op de grond viel.

Mijn zus trok de autoportier open. Ik zag toen dat mijn vader uit de auto stapte en mijn zus bij haar keel greep. Ik zag dat hij dit met kracht deed omdat zijn vingers samenknepen.

Conclusie

Het hof overweegt dat de verklaring van aangeefster dat zij is mishandeld door verdachte, steun vindt in de verklaring van de getuige [naam1] en verdachtes eigen verklaring bij de politie. Het hof acht de verklaring van aangeefster, in combinatie met de verklaringen van [naam1] betrouwbaar en zal voornoemde bewijsmiddelen bezigen voor het bewijs, nu deze op essentiële onderdelen overeen komen.

Ten aanzien van feit 3

Het hof acht het tenlastegelegde onder feit 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bekend het tenlastegelegde te hebben gepleegd en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Daarom volstaat het hof, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van bewijsmiddelen.

Deze opgave luidt als volgt:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 22 augustus 2018, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018222415 d.d. 24 augustus 2018, inhoudende de verklaring van [benadeelde partij] ;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 23 augustus 2018, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 22 augustus 2018, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam1] .

Bewezenverklaring

Door voornoemde wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 22 augustus 2018 te [plaats] [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen "dan trap ik je kop helemaal letterlijk en figuurlijk van je romp af";

2.
hij op 22 augustus 2018 te [plaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] - bij de keel te pakken en

- vervolgens nog een keer bij de keel te pakken en in de keel te knijpen;

3.
hij op 22 augustus 2018 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een mobiele telefoon, die aan [benadeelde partij] toebehoorde, heeft vernield.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot oplegging van een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de ongewenste gevolgen van detentie voor het contactherstel met de kinderen, maar ook voor verdachtes participatiebaan als taxichauffeur. De raadsvrouw heeft aangegeven dat het momenteel beter gaat met verdachte. Hij zet stappen in de goede richting door dagbesteding en structuur in zijn leven. Verdachte heeft in het verleden veel gehad aan het toezicht van de reclassering. De raadsvrouw verzoekt een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen en een voorwaardelijke straf toe te voegen met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld reclasseringstoezicht.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op zich op 22 augustus 2018 schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten, te weten bedreiging en mishandeling van zijn dochter en vernieling van haar mobiele telefoon. Verdachte heeft door zijn handelen letsel en pijn toegebracht aan zijn dochter. De bedreiging en mishandeling vonden plaats in/rond haar eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten voelen. De feiten hebben voorts bij aangeefster gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn dochter. Dit rekent het hof verdachte ernstig aan.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 juli 2021 is gebleken dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten.

Het hof houdt voorts rekening met de veranderende persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken. Hij onderhoudt op vrijwillige basis contact met de reclassering en hij heeft sinds enige tijd een zinvolle dagbesteding als taxichauffeur in het kader van een participatiebaan. Ook lijkt er inmiddels sprake te zijn van (voorzichtig) contactherstel met zijn dochter Bonny.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat – gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan – in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.

Het hof heeft ter zitting vastgesteld dat het sinds de onderhavige feiten rustig is gebleven in het contact tussen verdachte en aangeefster. Het hof acht dat laatste een belangrijk gegeven, omdat aangeefster verschoond dient te blijven van ongewenst contact met verdachte.

Om voornoemde redenen volstaat het hof voor wat betreft het onvoorwaardelijk strafdeel met de oplegging van een (onvoorwaardelijke) taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof zal daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken opleggen, met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan gekoppeld reclasseringstoezicht, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Ter terechtzitting is het hof gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is ingetrokken. Om die reden behoeft het hof geen beslissing meer te nemen omtrent de vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich binnen een week na het ingaan van de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Leonard Springerlaan 21 in Groningen. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht om het reclasseringstoezicht uit te oefenen.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. G.A. Versteeg en mr. A. Meester, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,

en op 9 september 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.