Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:87

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-01-2021
Datum publicatie
08-02-2021
Zaaknummer
Wahv 200.259.375/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gehandicaptenparkeerplaats. Het recht om van een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats gebruik te maken, is niet overdraagbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.259.375/01

CJIB-nummer

: 215843296

Uitspraak d.d.

: 6 januari 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is M. Lagas, Appjection B.V., kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 128,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is verzocht om toekenning van proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 380,- opgelegd voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 31 maart 2018 om 15:57 uur op de J.S. Ruppertstraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. De gemachtigde van de betrokkene betwist niet dat het voertuig van de betrokkene op een gehandicaptenparkeerplaats stond en dat het gebruik van die gehandicaptenparkeerplaats voorbehouden was aan een ander voertuig dan dat van de betrokkene. Hij voert echter aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven de sanctie achterwege te laten, dan wel het bedrag van de sanctie te matigen. De betrokkene had namelijk van de rechthebbende toestemming gekregen om van de parkeerplaats gebruik te maken. Bovendien heeft de betrokkene slechts kortstondig, namelijk slechts vijf minuten, van de parkeerplaats gebruik gemaakt om een grote hoeveelheid boodschappen uit te laden. Er is dan ook geen sprake geweest van parkeren, maar van laden en lossen. Als de ambtenaar de algemeen aanvaarde pardontijd van tien minuten (in plaats van vijf minuten) had aangehouden dan was hij de betrokkene tegengekomen, omdat de betrokkene slechts korte tijd binnen is geweest om de boodschappen uit te laden. De gemachtigde merkt op dat de kantonrechter niet is ingegaan op deze door hem aangevoerde omstandigheden, zodat sprake is van een motiveringsgebrek. Tot slot wijst de gemachtigde erop dat aan de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht niet de bijzondere bewijskracht van een ambtsedige verklaring toekomt, nu deze verklaring niet op ambtseed of –belofte is opgemaakt.

3. De onder 1. genoemde gedraging is een overtreding van artikel 26, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Dit artikel houdt in:

''Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:

a. een gehandicaptenvoertuig, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van een gehandicapte;

b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur van die instelling is verstrekt; of

c. indien de gehandicaptenparkeerplaats is gereserveerd voor een bepaald voertuig, dat voertuig.''

4. Het hof stelt voorop dat de Wahv niet de eis stelt dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende verklaring:

“Gedragingsgegevens: het voertuig stond geparkeerd op een door bord E6 RVV 1990 aangeduide gehandicaptenparkeerplaats. Blijkens het onderbord is het gebruik van deze gehandicapten-parkeerplaats voorbehouden aan het voertuig met kenteken [00-YYY-0] en [01-YYY-1] . Bij het constateren van het feit werd vastgesteld dat er gedurende een tijd van ongeveer 5 minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig plaats vond, zodat er geen sprake was van onmiddellijk laden of lossen van goederen dan wel van het in of uit laten stappen van personen.

Verklaring betrokkene: Ik ga snel mijn boodschappen boven brengen. Het is de plek van mijn buurman.”

6. Namens de betrokkene wordt niet betwist dat zijn voertuig op een gehandicaptenparkeerplaats stond en dat het gebruik van die gehandicaptenparkeerplaats voorbehouden was aan een ander voertuig dan dat van de betrokkene. Voor de vaststelling of de gedraging is verricht is van belang om vast te stellen of de betrokkene al dan niet heeft geparkeerd.

7. Artikel 1 van het RVV 1990 verstaat onder parkeren: “Het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.”

8. Onder onmiddellijk laden of lossen van goederen dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is (HR 12 mei 1999, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:1999:AA2760). Het dient te gaan om goederen die niet of bezwaarlijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden opgehaald of gebracht (HR 10 juni 1975, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:1975:AJ4297). Het ligt op de weg van een betrokkene om aannemelijk te maken dat van laden of lossen - als uitzondering op parkeren - sprake is (Hof Arnhem-Leeuwarden 3 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:3877).

9. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat door hem gedurende ongeveer vijf minuten geen activiteiten rondom het voertuig zijn waargenomen. Daarnaast volgt uit de verklaring van de betrokkene dat hij een grote hoeveelheid boodschappen heeft uitgeladen en in de woning heeft gebracht. Reeds hieruit volgt dat van onmiddellijk laden en lossen geen sprake was. Immers, het voertuig heeft niet uitsluitend stilgestaan zo lang als nodig was voor het ononderbroken verrichten van het geheel van handelingen dat redelijkerwijs noodzakelijk was om de boodschappen uit te laden. Dit brengt mee dat de hiervoor bedoelde uitzondering zich hier niet voordoet en dat sprake is van parkeren. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Hierbij is niet van belang welke pardontijd de ambtenaar in acht heeft genomen.

10. Het hof ziet in dat wat namens de betrokkene is aangevoerd evenmin aanleiding het opleggen van een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. Het hof neemt hierbij onder meer in aanmerking dat, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, het recht op het gebruik van een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats niet overdraagbaar is aan derden (Hof Leeuwarden 29 juli 2008, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2008:BG1690). Om die reden kon de betrokkene geen rechten ontlenen aan de door de rechthebbende verleende toestemming voor het gebruik van zijn parkeerplaats. Ook het argument dat de betrokkene slechts kortstondig van de parkeerplaats gebruik heeft gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel. Het bepaalde in artikel 26 van het RVV 1990 betreft namelijk een absoluut verbod.

11. Met de gemachtigde stelt het hof vast dat de kantonrechter niet is ingegaan op het verweer dat sprake zou zijn van laden en lossen. Daarmee is er sprake van een motiveringsgebrek. Nu dit motiveringsgebrek niet afdoet aan de juistheid van de door de kantonrechter gegeven beslissing, zal het hof deze beslissing bevestigen met verbetering van gronden.

12. Het voorgaande brengt mee dat het hof als volgt zal beslissen.

13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden.

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.