Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8661

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
16-09-2021
Zaaknummer
200.277.397/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2021:2488. Arbeidsongeval of niet? Werkgever heeft afgezien van het leveren van tegenbewijs. Het hof acht bewezen dat sprake is geweest van een bedrijfsongeval. De werkgever is voor dit ongeval aansprakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1183
PS-Updates.nl 2021-0730
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.277.397/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad 6417365)

arrest van 14 september 2021

in de zaak van

1 [de VOF appellante1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: [de VOF appellante1],

2. [appellant2] ,

wonende te [woonplaats1] ,

hierna: [appellant2],

3. [appellante3] ,

wonende te [woonplaats2] ,

hierna: [appellante3],

appellanten,

bij de kantonrechter: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. J.M.P. Blom, die kantoor houdt te Lelystad,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats3] ,

geïntimeerde,

bij de kantonrechter: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.P. Hovinga, die kantoor houdt te Rotterdam.

1 De verdere procedure bij het hof

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 maart 2021 hier over.

1.2

In dat tussenarrest heeft het hof [appellanten] c.s. in de gelegenheid gesteld tegenbewijs door middel van getuigen te leveren.

1.3

Nadat een datum voor het horen van getuigen was vastgesteld, hebben [appellanten] c.s. laten weten af te zien van het leveren van getuigenbewijs.

1.4

Vervolgens heeft het hof een datum voor arrest vastgesteld.

2 De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

2.1

In het tussenarrest heeft het hof onder meer geoordeeld dat [geïntimeerde] voorshands heeft bewezen dat hij op 13 juli 2013 bij zijn werkzaamheden voor [de VOF appellante1] een arbeidsongeval heeft gehad. Het hof heeft [appellanten] c.s. toegelaten tegenbewijs te leveren tegen dat voorshands bewezen geachte feit.

2.2

Omdat [appellanten] c.s. hebben afgezien van het leveren van tegenbewijs staat vast dat [geïntimeerde] op 13 juli 2013 bij werkzaamheden voor [de VOF appellante1] een arbeidsongeval heeft gehad. Om die reden falen de grieven IV tot en met IX, waarmee [appellanten] c.s. bezwaar maken tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] heeft bewezen dat hij gewond is geraakt in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Hetzelfde geldt voor grief I, die ook gericht is tegen dit oordeel.

2.3

Bij de afzonderlijke bespreking van grief II hebben [appellanten] c.s. gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen belang meer. Zij betwisten weliswaar (zonder nadere motivering) dat de geluidsopname van 4 maart 2014 dateert, maar niet de inhoud van de geluidsopname die het hof heeft betrokken in de bewijswaardering.

2.4

Ook bij de bespreking van grief III hebben [appellanten] c.s. geen belang. In het tussenarrest heeft het hof ook de omstandigheid dat de Inspectie SZM de melding van het arbeidsongeval heeft onderzocht, maar niet heeft kunnen vaststellen dat er in het bedrijf van [de VOF appellante1] een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden, in aanmerking genomen. Deze omstandigheid is in 3.6 van het tussenarrest vermeld. Het hof heeft er geen doorslaggevende betekenis aan toegekend, omdat onduidelijk is wat het onderzoek van de Inspectie heeft ingehouden. Ook heeft het onderzoek feiten opgeleverd, die niet door het hof in zijn overwegingen zijn betrokken.

2.5

In het tussenarrest is grief X (over het causaal verband tussen de zorgplichtschending en het ongeval) al besproken en verworpen.

2.6

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 18 december 2019 overwogen dat een of meer (medisch) deskundigen benoemd zullen moeten worden om de aard en omvang van het letsel van [geïntimeerde] vast te stellen en dat het voorschot op de kosten van deze deskundigen door [appellanten] c.s. zal moeten worden gedragen. Tegen dat laatste is grief XI gericht.

2.7

De grief faalt. Het staat vast dat [geïntimeerde] tijdens zijn werkzaamheden voor [de VOF appellante1] een ongeval heeft gehad, dat [de VOF appellante1] haar zorgplicht heeft geschonden, dat sprake is van causaal verband tussen dat ongeval en de zorgplichtschending en dat geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde] . Ook staat vast dat [geïntimeerde] bij het ongeval letsel (in elk geval een snijwond aan de linkerhand) heeft opgelopen. [appellanten] c.s. zijn op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk voor de schade van [geïntimeerde] . Tussen partijen staat niet ter discussie dat om de omvang van de schade te kunnen vaststellen onderzoek nodig is naar de aard en de ernst van het letsel van [geïntimeerde] . Indien dat buiten rechte zou gebeuren, zouden de kosten daarvan op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor rekening van [appellanten] c.s. komen. Er is geen reden om in dit geval, waarin de kosten in het kader van een gerechtelijke procedure moeten worden gemaakt, [geïntimeerde] met (het voorschot op) deze kosten te belasten. Dat [appellanten] c.s. deze kosten niet kunnen dragen, hebben zij onvoldoende onderbouwd, nog daargelaten of dit een reden is hen niet met dit voorschot te belasten.

2.8

Uit het voorgaande volgt dat alle grieven falen. Het hof zal het tussenvonnis van de kantonrechter van 18 december 2019 dan ook bekrachtigen. [appellanten] c.s. zullen worden veroordeeld in de kosten van de procedure bij het hof (geliquideerd salaris van de advocaat: 1 punt, tarief VII). [geïntimeerde] heeft een veroordeling in de werkelijke proceskosten gevorderd, maar het hof ziet geen reden om af te wijken van de hoofdregel dat de proceskosten worden begroot volgens het toepasselijke liquidatietarief.

3
3. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het tussenvonnis van de kantonrechter te Lelystad van 18 december 2019 in het geschil tussen partijen;

verwijst de zaak naar die kantonrechter ter verdere behandeling;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de proceskosten en bepaalt deze kosten, voor zover tot nu toe door [geïntimeerde] gemaakt, op € 332,- aan verschotten en op € 4.851,- voor salaris van de advocaat;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, O.E. Mulder en J.E. Wichers en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 september 2021, in aanwezigheid van de griffier.