Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8618

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
21-003826-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming. Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 8.000,00 (achtduizend euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 8.000,00 (achtduizend euro).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003826-20

Uitspraak d.d.: 7 september 2021

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 22 oktober 2020 met parketnummer 18-235706-18 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman, mr. T.H. Kapinga, naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 63.071,22 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 31.500,-. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 8.000,- en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.000,-. De advocaat-generaal gaat uit van één succesvolle oogst.

Standpunt van betrokkene

De betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat hij één keer succesvol heeft geoogst en dat hij daarmee € 8.000,- heeft verdiend aan de hennepkwekerij. De tweede oogst is verloren gegaan door brand en de derde oogst is door de politie inbeslaggenomen.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene is bij arrest van dit hof van 7 september 2021 (parketnummer 21-003823-20) ter zake van – kort gezegd – medeplichtigheid aan het telen van hennep veroordeeld tot straf.

Met betrekking tot de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof van oordeel dat aannemelijk is dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het bewezenverklaarde handelen waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

In de onderhavige zaak is door de betrokkene verklaard over het aantal oogsten, de kweekperiodes, de opbrengsten, de gemaakte kosten en de verworven inkomsten. Betrokkene heeft zijn woning ter beschikking gesteld voor de hennepteelt en heeft verklaard dat hij één succesvolle oogst heeft gehad en daarmee € 8.000,- heeft verdiend. Betrokkene heeft geen kosten gemaakt.

Het hof acht de verklaring van de betrokkene aannemelijk geworden. Het hof grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden die in het rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 13 november 20181 zijn vervat en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.

Bij de vaststelling van de omvang van het verkregen voordeel zal het hof dan ook uitgaan van voornoemd rapport en van de verklaring van de betrokkene daaromtrent.

Uit het rapport komt naar voren dat in de woning van betrokkene in de periode van 18 december 2017 tot en met 12 juli 2018 hennep is geteeld.

De verdediging heeft zich, op grond van feiten en omstandigheden als genoemd in de pleitnota, op het standpunt gesteld dat de hennepkwekerij op 5 december 2017 in werking is getreden. Uitgaande van een cyclus van 10 weken, heeft de eerste oogst op 13 februari 2018 plaatsgehad. Aan deze (succesvolle) eerste oogst heeft betrokkene € 8.000,- verdiend. De tweede oogst is op 20 februari 2018 opgestart en eind april 2018 is deze oogst door brand in de woning verloren gegaan. De tweede oogst had een beoogde einddatum van 1 mei 2018. De derde oogst is opgezet op 10 mei 2018 en is door de politie, bij in de inval van 12 juli 2018 inbeslaggenomen. Vastgesteld is dat de hennepplanten bij de inval van de politie toen 9 weken oud waren.

Deze aan het rapport ontleende feiten en omstandigheden alsmede de door betrokkene afgelegde verklaring ontleende feiten en omstandigheden acht het hof redengevend voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aan de inhoud van vorenstaande wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 8.000,-.

De verplichting tot betaling aan de Staat

Op grond daarvan zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op voornoemd bedrag.

Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen

Artikel 36e, lid 11, van het Wetboek van Strafrecht is gewijzigd bij de op 1 januari 2020 gedeeltelijk in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82 (Wet USB)). Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur van de gijzeling wordt voor elke volle 50 euro van het opgelegde bedrag maximaal één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste drie jaren.

Het voorgaande brengt mee dat het hof, gelet op de hoogte van het bedrag dat betrokkene aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dient te betalen, de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv kan worden gevorderd bepaalt op ten hoogste 160 dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 8.000,00 (achtduizend euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 8.000,00 (achtduizend euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 160 dagen.

Aldus gewezen door

mr. M.C. van Linde, voorzitter,

mr. E.M.J. Brink en mr. F. van der Maden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,

en op 7 september 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij, d.d. 13 november 2018, opgemaakt door [naam] , opgenomen op pagina 119 e.v. van het dossier PL0100-2018298635