Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8615

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
21-004247-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Preliminair verweer raadsman. Bevoegdheid van de commune meervoudige strafkamer in eerste aanleg. “Samenhang” tussen het tenlastegelegde economische delict en de overige tenlastegelegde (commune) feiten. Heropening van het onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004247-19

Uitspraak d.d.: 7 september 2021

TEGENSPRAAK

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 24 juli 2019 met parketnummer 16-706703-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot verwerping van het preliminaire verweer van de raadsman. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en haar raadsman, mr. E.J. van Gils, naar voren is gebracht.

Procesgang

De veroordeelde is bij vonnis van de commune meervoudige strafkamer in de rechtbank Midden-Nederland van 17 juli 2019 (parketnummer 16-706703-16) ter zake van – kort gezegd – feit 1: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 1, eerste lid onder a van de Wet op de Kansspelen, opzettelijk begaan, terwijl hiervan een gewoonte is gemaakt, meermalen gepleegd; feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II; feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; en feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf van honderdvijftig uren, subsidiair vijfenzeventig dagen hechtenis. Tegen voornoemd vonnis is geen hoger beroep ingesteld. Dit vonnis is onherroepelijk.

De beslissing waarvan beroep

Op 24 juli 2019 heeft de commune meervoudige strafkamer in de rechtbank Midden-Nederland (parketnummer 16-706703-16) bij beslissing waarvan beroep het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat vastgesteld op een bedrag van

€ 56.443,23. Aan betrokkene is de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat, ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, een bedrag van € 56.443,23.

Bevoegdheid van de commune meervoudige strafkamer in eerste aanleg

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof een preliminair verweer gevoerd ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtbank die in eerste aanleg over de ontnemingsvordering heeft beslist. De raadsman stelt dat de beslissing waarvan beroep moet worden vernietigd en de zaak moet worden terugverwezen naar een economische strafkamer van de rechtbank, nu de commune strafkamer in de rechtbank Midden Nederland onbevoegd was om van de ontnemingsprocedure kennis te nemen.

Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de rechtbank niet heeft gehandeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 38 juncto artikel 39, tweede lid van de Wet op de Economische Delicten (hierna: WED).

De vraag die voorligt is of “samenhang” bestaat tussen het tenlastegelegde economische delict en de overige tenlastegelegde feiten. De raadsman is van mening dat er geen samenhang bestaat en verwijst naar een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 april 2010 (ECLI:NL:RBSGR:2010:BM1237).

Naar de stelling van de raadsman blijft deze vraag van belang in hoger beroep, ook al is geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in de hoofdzaak. Ook het feit dat het preliminaire verweer niet is gevoerd in eerste aanleg laat onverlet dat de commune meervoudige strafkamer van de rechtbank onbevoegd was om te oordelen over het economische delict. Nu de ontnemingsprocedure is aan te merken als een sequeel van de vervolging in de hoofdprocedure had, zo heeft de raadsman bepleit, de economische kamer aldus moeten oordelen over het feit en moeten beslissen in de ontnemingsprocedure.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het preliminaire verweer moet worden verworpen, nu het verweer noch in de hoofdzaak, noch in de ontnemingszaak in eerste aanleg is gevoerd, waardoor de commune strafkamer van de rechtbank over dit feitencomplex heeft geoordeeld en er een onherroepelijk vonnis in de hoofdzaak ligt van de commune strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland. Verdachte heeft tegen voormeld vonnis in de hoofdzaak geen hoger beroep ingesteld. Omdat de ontnemingszaak annex is aan de strafzaak, staat het vorenstaande er aan in de weg om inzake de beslissing in de ontnemingszaak, waartegen het hoger beroep is gericht, de zaak weer terug te wijzen naar de economische kamer van de rechtbank.

Oordeel van het hof

Het hof acht de volgende wettelijke bepalingen en wetsgeschiedenis bij de beoordeling van het verweer van belang.

Art. 52, eerste lid, RO, dat luidt:

"Het bestuur [van de rechtbank] vormt voor het behandelen en beslissen van zaken betreffende economische delicten enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van economische kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers."

Art. 38 WED, dat luidt:

"De kennisneming van economische delicten in eerste aanleg is bij uitsluiting opgedragen aan de rechtbank. Economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van de Wet op de rechterlijke organisatie."

Artikel 39, eerste lid, WED, dat luidt:

“De economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van de Wet op de rechterlijke organisatie, behandelen en beslissen ook zaken betreffende strafbare feiten die geen economische delicten zijn, indien de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van die strafbare feiten en die strafbare feiten zijn begaan in samenhang met een of meer economische delicten, en die strafbare feiten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die economische delicten.”

Bij de invoering van dit artikel werd destijds in de Memorie van Toelichting bij artikel 39, tweede lid, WED (oud) (Kamerstukken II, 1984/1985, 18 802, nr. 3, blz. 9) overwogen:

“Het voorstel om bij samenval van economische delicten en misdrijven waarvan de rechtbank in eerste aanleg kennis neemt, voortaan één instantie te weten de economische strafkamer, bevoegd te verklaren van beide delicten kennis te nemen, is hierboven reeds toegelicht. Aan de hand van de concrete omstandigheden zal het openbaar ministerie tot het oordeel moeten komen of een economisch delict zozeer met een commuun delict samenhangt, dat berechtiging van beide delicten door één instantie te weten de economische strafkamer is aangewezen. Indien het meent dat deze samenhang bestaat, zal het beide delicten tezamen telasteleggen. Daarmee is aan de voorwaarde om de economische strafkamer bevoegd te laten zijn, voldaan.”.

Art. 39, tweede lid, WED, dat luidt:

"Berechting door een andere dan de economische kamer is mogelijk indien economische delicten zijn begaan in samenhang met een of meer strafbare feiten, niet zijnde economische delicten waarvan de rechtbank bevoegd is kennis te nemen en die economische delicten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die andere strafbare feiten."

Bij de invoering van dit artikel werd destijds in de Memorie van Antwoord bij artikel 56, vierde lid, RO (oud) (Kamerstukken II, 1986/1987, 19 020, nr. 5, blz. 4) overwogen:

"Zoals de leden constateerden voorzag het wetsvoorstel 18 802 reeds in de mogelijkheid dat bij samenval van economische delicten en misdrijven waarvan de rechtbank in eerste aanleg kennis neemt, de economische kamer bevoegd is van beide delicten kennis te nemen. Dit wetsvoorstel dat inmiddels op 23 april 1986 wet is geworden (Stb. 1986, 206) vormt dus als het ware het spiegelbeeld van het voorstel, zoals thans neergelegd in de nota van wijziging."

Het hof stelt vast dat in eerste aanleg vonnis is gewezen in de hoofd- en ontnemingszaak door ‘de meervoudige commune kamer’ van de rechtbank Midden-Nederland. Verdachte is in de hoofdzaak onder meer onherroepelijk veroordeeld voor het medeplegen van overtreding van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de kansspelen. Deze overtreding is aan te merken als een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten. De ontnemingsprocedure is aan te merken als een sequeel van de vervolging in de hoofdprocedure, die aldus in samenhang moet worden bezien met de hoofdprocedure.

Aan de verdachte zijn naast het economische delict ook strafbare feiten niet zijnde economische delicten tenlastegelegd.

Ingevolge art. 39, tweede lid, WED is de gewone strafkamer, die bevoegd is kennis te nemen van de tenlastegelegde niet economische delicten, ook bevoegd kennis te nemen van de economische delicten, indien deze in samenhang zijn begaan.

Het hof leidt uit de wetsgeschiedenis van artikel 39, eerste lid, WED af dat bij het toetsen van de vraag of bij samenhang van economische delicten en andersoortige delicten de economische kamer van de rechtbank bevoegd is, “de doelmatige rechtsbedeling” als maatstaf moet worden gehanteerd. Gelet op wetsgeschiedenis van artikel 39, tweede lid, WED moet bovendien worden aangenomen dat dit evenzeer geldt voor het 'spiegelbeeld' daarvan, namelijk dat de commune strafkamer van de rechtbank bevoegd is bij samenhang van commune delicten en economische delicten.

Het vorenstaande impliceert voorts dat enkel doordat het openbaar ministerie economische delicten en andersoortige delicten in één tenlastelegging opneemt de bevoegdheid van de commune strafkamer van de rechtbank om ook het economische delict te berechten in beginsel daarmee gegeven is.

Naar het oordeel van het hof dient deze beslissing van het openbaar ministerie om de tenlastelegging aldus vorm te geven echter nog wel marginaal te worden getoetst door de rechter aan de hierboven bedoelde maatstaf.

De aan verdachte ten laste gelegde feiten vertonen samenhang in tijd en plaats. Het wapen en de verdovende middelen zijn bij gelegenheid van een doorzoeking in de woning van betrokkene op 29 oktober 2016 tegelijkertijd en in dezelfde woning aangetroffen als de lotto administratie.

Daardoor heeft de officier van justitie uit oogpunt van doelmatige rechtsbedeling in alle redelijkheid tot de beslissing kunnen komen om zowel het economische delict als het commune delict ter beslissing aan de commune strafrechter voor te leggen, zodat op een eventueel verweer over de rechtmatigheid van het politieoptreden door één gerecht kan worden beslist.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat de commune strafkamer van de rechtbank bevoegd was kennis te nemen van de ontnemingsvordering tegen verdachte. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

BESLISSING

Het hof:

Verwerpt het preliminaire verweer;

Heropent het onderzoek;

Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting;

Beveelt de oproeping van de betrokkene tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw van de betrokkene.

Aldus gewezen door

mr. F. van der Maden, voorzitter,

mr. E.M.J. Brink en mr. M.C. van Linde, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,

en op 7 september 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.