Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8543

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
200.284.289
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 4:131 lid 1 en 2

Is verzoeker zodanig tekort geschoten in de uitvoering van de last dat een vervallenverklaring van haar recht als erfgenaam gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.284.289

(zaaknummer rechtbank Gelderland 362011)

beschikking van 9 september2021

inzake

de stichting: Stichting [verzoekster],

gevestigd te [vestigingsplaats1] ,
verzoekster in het hoger beroep, verder te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. W. H. van Zundert te Rotterdam,

en

de stichting: Stichting [verweerster],

in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan

[naam1] (verder te noemen: [naam1] ),

gevestigd te [vestigingsplaats2] ,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: [verweerster] ,

advocaat: mr. M.H. Hogeman te Zutphen.

1 Het verdere verloop van de rechtszaak bij het hof

1.1

In deze zaak heeft het hof op 25 februari 2021 een beschikking gegeven en het verzoek van [naam2] om hem als belanghebbende aan te merken afgewezen.

1.2

Vervolgens heeft op 27 mei 2021 de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [verzoekster] is [naam3] verschenen met haar advocaat. Namens de [verweerster] is [naam4] verschenen met haar advocaat.

1.3

In het dossier van het hof zitten de volgende stukken:

- de stukken van de rechtszaak bij de rechtbank;

- het beroepschrift van [verzoekster] (9 oktober 2020);

- het verweerschrift van [verweerster] (14 december 2020);

- een incidentele conclusie tot tussenkomst ex artikel 217 Rv van [naam2] (hierna ook: [naam2] ) (18 januari 2021);

- de schriftelijke reacties op deze incidentele conclusie van [verzoekster] en [verweerster] (9 februari 2021);

- de tussenbeschikking van 25 februari 2021;

- de brief met bijlagen van mr. Van Zundert van 21 mei 2021.

2 Waar gaat het over

Het hof heeft in de beschikking van 25 februari 2021 al beschreven waarover deze zaak gaat. Voor de leesbaarheid van deze beschikking herhaalt het hof dat hieronder en vult dat nog aan.

2.1

[naam1] (hierna: [naam1] ) is de zoon van [erflater]

, overleden [in] 2004 (hierna: erflater) en [erflaatster]

, overleden [in] 2001 (hierna: erflaatster).

2.2.

De ouders van [naam1] hebben op 4 juni 1996 samen met [naam3]

en [naam5] de stichting Stichting [verzoekster] opgericht.

2.3

In de statuten van de stichting staat:

DOEL EN MIDDELEN

Artikel 2

1. De stichting heeft ten doel:

a. de zorg en de verlichting van het lot van enkelvoudig en meervoudig gehandicapte

personen;

b. de zorg en verlichting van het lot van (…) [naam1] (...).

2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door:

- de exploitatie van de boerderij aan de [adres] te [plaats1] ,

en de daarbij behorende gronden alsmede het beheer daarvan;

- alle andere wettige middelen, welke voor het bereiken van de doelstellingen van de

stichting bevorderlijk kunnen zijn.

Het eerste bestuur van [verzoekster] bestond uit de vier oprichters.

2.4.

Erflater heeft in zijn testament van 29 november 1996 voor het geval hij niet voor erflaatster overlijdt bepaald:

"Ik benoem tot enig erfgenaam van mijn nalatenschap (...) [verzoekster] (...), en zulks onder de

last voor die stichting om met het door haar verkregen vermogen uit mijn nalatenschap het lot en de leefomstandigheden van enkelvoudig en meervoudig gehandicapte personen, in het bijzonder die van mijn genoemde zoon [naam1] [...] te verlichten.”

Erflater heeft [verzoekster] in dit testament benoemd tot executeur met het recht van bezit.

2.5.

Op 27 augustus 1998 hebben de ouders van [naam1] de boerderij met

woonhuis, erf en tuin en bedrijfsopstallen en cultuurgronden gronden aan en nabij de [adres] te [plaats1] , ter grootte van 16.96.20 hectare (hierna: de boerderij) verkocht en geleverd aan [verzoekster] . De koopsom van fl. 885.700,00 is omgezet in een geldlening. [verzoekster] heeft op de boerderij een recht van hypotheek gevestigd ten behoeve van de ouders en tot zekerheid voor de terugbetaling van die lening.

2.6

Erflater heeft in juli 1986 een deel van de onder 2.5 genoemde onroerende zaken verpacht aan [naam10] . Het betreft: de percelen land nabij de [adres] te [plaats1] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] met een totale oppervlakte van 8.72.70 ha. Erflater en de pachter zijn ter zitting van de Centrale Grondkamer te Arnhem van 26 mei 1997 in het kader van een door die Grondkamer voorgestelde minnelijke regeling overeengekomen de pachtovereenkomst te wijzigen in die zin, dat de pachtovereenkomst eindigt op 30 april 2025, behoudens verdere verlenging, en dat pachter na die wijziging instemt met overdracht in eigendom van gemelde en verpachte onroerende zaken door verpachter aan de stichting: Stichting [verzoekster] , gevestigd te

[plaats1] . Deze afspraak is in augustus 1997 neergelegd in een onderhandse akte; de grondkamer heeft de wijziging van de pachtovereenkomst op 2 oktober 1997 goedgekeurd.

2.7

Het bestuurslidmaatschap van erflater en erflaatster in [verzoekster] is door hun overlijden geëindigd. Op 19 oktober 2004 is de zoon van [naam3] en [naam5] , [naam6] , lid geworden van het bestuur van [verzoekster] .

2.8

De kantonrechter heeft op 14 maart 2017 de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam1] onder bewind gesteld, met benoeming van [verweerster] tot bewindvoerder. Ook is op die dag een mentorschap ingesteld ten behoeve van [naam1] , met benoeming van [naam3] tot mentor. De kantonrechter heeft [naam3] op 3 juli 2020 ontslagen als mentor en [verweerster] met ingang van die datum tot opvolgend mentor benoemd. [naam3] heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld.

2.9

In 2019 heeft [verweerster] weet gekregen van de boerderij met gronden, het bestaan en het doel van [verzoekster] en het testament van erflater.

2.10

Uit de boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater per 18 oktober 2004 blijkt dat daartoe behoren:

a. een bankrekening bij de [bank] nummer [nummer1] , saldo € 7.174,27

b. een auto ter waarde van € 500

c. een TV ter waarde van € 150

d. Meubels waarde nihil

e. Restant-inventaris ter waarde van € 500

Verder behoort tot de nalatenschap een vordering uit hypothecaire geldlening van

fl. 885.700 (rov. 2.5) op [verzoekster] . De tegenwaarde in euro’s bedraagt circa € 401.913,-. De rechtbank vermeldt overigens een bedrag van € 198.528,85.

Op de bankrekening bij de [bank] zijn vanaf het overlijden van erflater jaarlijks de pachtpenningen geboekt. Het saldo op deze rekening bedroeg op 31 december 2019 afgerond € 55.338,-

2.11

[verweerster] heeft de rechtbank namens [naam1] gevraagd het recht van [verzoekster] als erfgenaam vervallen te verklaren wegens niet-uitvoering van de last (artikel 4:131 BW). De rechtbank heeft geoordeeld dat [verzoekster] niet heeft bewezen of aannemelijk heeft gemaakt dat zij heeft voldaan en nog voldoet aan de last en het recht van [verzoekster] als enig erfgenaam vervallen verklaard (beschikking rechtbank Gelderland 9 juli 2020 na tussenbeschikking van 3 april 2020).

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[verzoekster] is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en alsnog het verzoek van [verweerster] afwijst. Door de grieven legt [verzoekster] in hoger beroep de zaak in volle omvang aan het hof voor.

wettelijk kader

3.2.

In artikel 4:131 leden 1-2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat het volgende:

1. Een erfgenaam of legataris op wie een testamentaire last rust, verkrijgt zijn recht onder de ontbindende voorwaarde dat het wegens niet-uitvoering van de last wordt vervallen verklaard door de rechter.

2. De vervallenverklaring kan door de rechter worden uitgesproken op verzoek van elke onmiddellijk bij de vervallenverklaring belanghebbende.

3.3

Het vervallen verklaren van een last op grond van artikel 4:131 lid 1 BW betreft een discretionaire bevoegdheid van de rechter. De mogelijkheid van vervallenverklaring heeft de strekking van een sanctie. De rechter moet beoordelen of de tekortkoming ernstig genoeg is om een vervallenverklaring te rechtvaardigen en is niet verplicht de vervallenverklaring uit te spreken. Er kan bijvoorbeeld ook worden beslist dat met een spoedig herstel van het begane verzuim genoegen dient te worden genomen en ook een bij wijze van verweer ingediend verzoek om de last te wijzigen of op te heffen kan een reden zijn voor afwijzing van het verzoek. De stelplicht en bewijslast dat de last niet is uitgevoerd rust op degene die verzoekt om vervallenverklaring. Van de erfgenaam of legataris op wie de last rust mag worden verlangd de nodige inlichtingen te geven over de (wijze van) uitvoering van de last.

oordeel van het hof

3.4

De last houdt in dat [verzoekster] met het door haar verkregen vermogen van erflater het lot en de leefomstandigheden van enkel- en meervoudig gehandicapte personen, in het bijzonder die van [naam1] , dient te verlichten. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat [verzoekster] zodanig ernstig is tekortgeschoten in het uitvoeren van die last dat dit het vervallen verklaren van die last tot gevolg moet hebben. [verzoekster] betwist de stelling van [verweerster] en licht dat uitgebreid toe; [verweerster] heeft niet aangeboden haar stelling te bewijzen.

Het hof kan zich voorstellen dat [verweerster] op basis van de gebrekkige en summiere informatie die [verzoekster] - na lang aandringen - aan [verweerster] heeft verstrekt, vraagtekens had bij de uitvoering van de last. Ook in de procedure in eerste aanleg is naar het oordeel van het hof door [verzoekster] weinig en fragmentarisch informatie verstrekt. Met name het betoog van [naam3] in hoger beroep maakt dat het hof de keuze van [verzoekster] om te wachten met de oprichting van een zorgboerderij tot het aflopen van de pachttermijn in 2025 begrijpelijk acht.

3.5

[naam3] heeft toegelicht dat er een diepgewortelde verstoorde verstandhouding was tussen de ouders van [naam1] en de familie van de vader van [naam1] en dat dat steeds een rol heeft gespeeld. De ouders van [naam1] wilden niet dat de boerderij en de grond in de handen van de familie van de vader zou vallen. Het was hun bedoeling dat er een zorgboerderij zou worden opgericht waarbij de boerderij en de grond bij elkaar zouden worden gehouden. Hun zoon [naam1] bezocht destijds ook een soort zorgboerderij van stichting [naam7] .

Er hebben zich volgens [naam3] belangstellenden gemeld voor het oprichten van een zogenoemd ‘ [naam8] ’. Het hof begrijpt dat dit een kleinschalige woonvoorziening betreft voor mensen met een verstandelijke beperking. Zodra de belangstellenden echter vernamen van de problemen met de pachter van de gronden om de boerderij (neef [naam9] ), trokken dezen zich terug. Er is nauwelijks sprake van liquide vermogen; het vermogen zit in de gronden en opstal. In de boerderij kunnen geen mensen verblijven, deze zal moeten worden gesloopt om plaats te maken voor een nieuw gebouw.

[naam3] is vanuit [verzoekster] al geruime tijd in gesprek met een boer uit de omgeving. In 2025, na beëindiging van de pacht voor een groot deel van de grond, wil [verzoekster] direct handen en voeten gaan geven aan het plan om een zorgboerderij te realiseren. [naam3] vrouw en zoon maken deel uit van de stichting; hij heeft een boer gevraagd of hij lid van de stichting wil worden. Deze boer heeft oog voor de natuur en medemens en heeft twee zonen. De boer en de zonen willen graag meewerken aan het realiseren van een zorgboerderij.

3.6

[naam3] heeft verder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nader verduidelijkt op welke manier invulling werd gegeven aan de zorg voor [naam1] . Hij en zijn echtgenote en zijn zoon hebben hier veel tijd in gestoken en ervoor gezorgd dat er voldoende financiële middelen waren om de medische kosten van [naam1] te voldoen en zijn dagelijks bestaan enigszins te veraangenamen. Zij hebben met [naam1] met regelmaat een bezoek aan het ouderlijk huis gebracht. Ook hebben zij persoonlijke contacten tussen [naam1] en de familie van zijn moederszijde gefaciliteerd.

3.7

Bij de oprichting van [verzoekster] op 4 juni 1996 door de ouders van [naam1] en [naam3] en zijn echtgenote [naam5] zijn de statuten opgesteld. De oprichting van [verzoekster] had ten doel het lot en de leefomstandigheden van enkelvoudig en meervoudig gehandicapte personen, in het bijzonder die van [naam1] , te verlichten. Getracht moest worden om dat doel te verwezenlijken onder meer door de exploitatie van de boerderij aan de [adres] 7 te [plaats1] , en de daarbij behorende gronden alsmede het beheer daarvan. Ten tijde van het overlijden van de vader van [naam1] was al bekend dat de pachtovereenkomst pas zou eindigen per mei 2025.Het hof vindt het dan ook aannemelijk dat met de uitvoering van de wens van de ouders van [naam1] om met het geheel van de boerderij en de gronden over te gaan tot het realiseren van een zorgboerderij gewacht moet worden totdat de pachtovereenkomst eindigt. [naam3] heeft met zijn betoog in hoger beroep voldoende nader onderbouwd dat de realisatie van de zorgboerderij tot nu toe niet goed mogelijk was. Er wordt kennelijk ondertussen wel gewerkt aan plannen. Zolang de pacht niet is geëindigd is het nog niet goed mogelijk om de plannen of een constructie voor een zorgboerderij, met de beoogde boer en zonen, al concreet te maken.

3.8

Anders dan de rechtbank is het hof niet van oordeel dat uit de toename van het saldo op de bankrekening van erflater bij de [bank] met een bedrag van circa € 48.000 kan worden afgeleid dat er voldoende financiële middelen zijn om in elk geval in bepaalde mate aan de testamentaire last te voldoen. Die pachtpenningen behoren immers niet tot de nalatenschap van erflater, maar komen toe aan [verzoekster] als verpachter. De last heeft daarop geen betrekking, wat uiteraard onverlet laat dat [verzoekster] deze pachtpenningen moet gebruiken overeenkomstig haar statutaire doelstelling.

3.9

Omdat niet is komen vast te staan dat [verzoekster] zodanig is tekort geschoten in de uitvoering van de last dat een vervallenverklaring van haar recht als erfgenaam gerechtvaardigd is, moet het verzoek van [verweerster] alsnog worden afgewezen. De grieven van [verzoekster] slagen in zoverre. Hetgeen overigens nog is aangevoerd hoeft niet meer te worden besproken en beoordeeld.

Het hof zal de bestreden beschikking van 9 juli 2020 vernietigen.

2.12

Het hof ziet aanleiding om de kosten van de procedure in hoger beroep te compenseren. De reden daarvoor is dat [verzoekster] pas in hoger beroep voldoende inlichtingen heeft gegeven aan [verweerster] om te kunnen oordelen over de wijze van uitvoering van de last.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 9 juli 2020, en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van [verweerster] alsnog af;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, I.G.M.Th. Weijers-van der Marck en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door de griffier, en is op 9 september 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.