Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8492

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
08-09-2021
Zaaknummer
21-002307-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van poging tot zware mishandeling en tweemaal mishandeling. Verwerping noodweerverweer. Schending redelijke termijn in hoger beroep. Het hof veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest, en een taakstraf. Beslissing op vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002307-19

Uitspraak d.d.: 1 september 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 17 april 2019 met parketnummer 18-930121-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde en tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij1] geheel zal toewijzen en de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij2] en [benadeelde partij3] deels zal toewijzen, te weten tot respectievelijk een bedrag van € 260,66 en € 231,23, en de benadeelde partijen ten aanzien van het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, alle te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. J.A.M. Kwakman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte bij voornoemd vonnis vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde en hem veroordeeld ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij1] ad € 200,- geheel toegewezen en de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij2] en [benadeelde partij3] deels toegewezen, te weten tot respectievelijk een bedrag van € 260,66 en € 231,23, en de benadeelde partijen ten aanzien van het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering verklaard, alle vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 24 juli 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [benadeelde partij2] met een schuttingpaal, althans een daarop gelijkend voorwerp, (met kracht) op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair
hij op of omstreeks 24 juli 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [benadeelde partij2] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, die [benadeelde partij2] met een schuttingpaal, althans een daarop gelijkend voorwerp, (met kracht) op/tegen het hoofd te slaan;

2.
hij op of omstreeks 24 juli 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [benadeelde partij3] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, in het gezicht van die [benadeelde partij3] te slaan en/of te stompen en/of tegen de benen, althans tegen het lichaam, van die [benadeelde partij3] te trappen en/of schoppen;

3.
hij op of omstreeks 16 april 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , een persoon genaamd [benadeelde partij1] heeft mishandeld door genoemde [benadeelde partij1] , (met een stuk/staaf aluminium) meermalen op en/of tegen het hoofd te slaan.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Feiten 1 en 2

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft daartoe, overeenkomstig de inhoud van haar ter zitting van het hof overgelegde pleitnota, het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling van aangever [benadeelde partij2] staat onvoldoende vast dat verdachte bewust richting het hoofd van [benadeelde partij2] heeft geslagen en daarom kan geen opzet op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel worden vastgesteld. Ten aanzien van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde mishandeling van [benadeelde partij2] en de onder 2 tenlastegelegde mishandeling van aangeefster [benadeelde partij3] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte handelde uit noodweer en het door verdachte gebruikte geweld derhalve niet wederrechtelijk was. Verdachte heeft de schuttingpaal door de coniferenhaag gestoken, niet met de intentie om [benadeelde partij2] te raken, maar om hem weg te jagen. De paal gleed echter uit de handen van verdachte en viel in de brandgang op de grond. Verdachte dacht op dat moment dat [benadeelde partij2] was teruggegaan naar zijn woning en stapte door de heg om de paal te pakken. Toen verdachte de brandgang instapte, bleek [benadeelde partij2] daar nog te staan en die begon direct met zijn honkbalknuppel richting verdachte te slaan. Verdachte heeft zich toen verweerd met de paal. Terwijl verdachte en [benadeelde partij2] een soort ‘zwaardgevecht’ hadden, kwam [benadeelde partij3] eraan en begon aan de paal te trekken en die vast te houden. Toen [benadeelde partij3] de paal uit evenwicht bracht en [benadeelde partij2] hem bleef slaan, heeft verdachte [benadeelde partij2] ongelukkig geraakt. Verdachte was vervolgens gerechtigd om geweld te gebruiken tegen [benadeelde partij3] om te voorkomen dat zij die paal bleef vasthouden. Voorts speelt hetgeen hieraan vooraf is gegaan ook een rol, namelijk de omstandigheid dat [benadeelde partij2] tot tweemaal toe met een camera en een honkbalknuppel ongevraagd de tuin van verdachte binnen kwam en foto’s maakte van de barbecue terwijl verdachte naakt in de tuin lag te zonnen.

Het hof is van oordeel dat de door de raadsvrouw van verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte, zoals hijzelf ook ter zitting van het hof heeft verklaard, [benadeelde partij2] wilde wegjagen door de schuttingpaal naast [benadeelde partij2] door de heg te duwen. Het hof is echter van oordeel dat het door de heg steken van een paal van circa 1.20 meter lang onder de gegeven omstandigheden door [benadeelde partij2] kon worden opgevat als een aanval. Doordat verdachte vrijwel direct daarna door de heg heen de brandgang in stapte en aldaar de paal direct ter hand nam, valt te billijken dat [benadeelde partij2] zich in een situatie bevond waarin hij zich tegen verdachte mocht verdedigen. Zowel het gestelde wegjagen van [benadeelde partij2] als enige verdediging tegen hem was bovendien niet nodig, omdat [benadeelde partij2] , zo blijkt uit de camerabeelden, zich op het moment dat verdachte door de heg heen komt al had omgedraaid en met zijn gezicht in de richting van zijn eigen tuin stond. Verdachte heeft voorts ter zitting van het hof verklaard dat hij [benadeelde partij2] door de heg kon zien. Hij heeft tevens verklaard dat hij zag dat [benadeelde partij2] wel een stukje was teruggegaan maar dat hij nog steeds in de brandgang stond. Het verweer dat verdachte, zoals is aangevoerd door zijn raadsvrouw, niet wist dat [benadeelde partij2] nog in de brandgang stond toen verdachte door de heg kwam om de paal terug te pakken, is dan ook in strijd met verdachtes eigen verklaring ter zitting van het hof. Bovendien blijkt uit de camerabeelden dat verdachte vrijwel meteen nadat de paal op de grond viel door de heg kwam. In een dergelijke korte tijdspanne was het voor [benadeelde partij2] onmogelijk om de brandgang te verlaten. Het hof acht bovendien de verklaring van verdachte dat de paal uit zijn handen glipte omdat hij zonnebrandcrème aan zijn handen had onaannemelijk. Het hof gaat uit van een doelbewuste actie van verdachte om de paal door de heg te werpen. Verdachte heeft naar het oordeel van het hof gelet op het voorgaande zelf de confrontatie met [benadeelde partij2] opgezocht en zich daarmee welbewust in een situatie begeven waarin hem geen beroep op noodweer toekomt. In het verlengde hiervan komt verdachte ook geen beroep op noodweer toe jegens [benadeelde partij3] , die zelf geen agressieve handeling heeft verricht, maar slechts de schuttingpaal heeft vastgehouden teneinde proberen te voorkomen dat verdachte [benadeelde partij2] (opnieuw) zou slaan. Dat voorafgaand aan de gewelddadige confrontatie, [benadeelde partij2] zich naar de achterzijde van de tuin van verdachte heeft begeven, een honkbalknuppel heeft meegenomen (naar eigen zeggen ter verdediging) en met zijn camera door de heg heen foto’s probeerde te maken van verdachtes barbecue terwijl verdachte naakt in de tuin lag te zonnen, doet daar niet aan af. Immers, niet gebleken, noch aangevoerd is, dat [benadeelde partij2] zich op dat moment agressief of bedreigend heeft opgesteld.

Het hof verwerpt gelet op het voorgaande het beroep op noodweer.

Vast staat dat verdachte [benadeelde partij2] tegen zijn hoofd heeft geslagen met de schuttingpaal. Dit is met zodanige kracht gebeurd dat [benadeelde partij2] even ‘out’ is gegaan. De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte bewust richting het hoofd van [benadeelde partij2] heeft geslagen en dat daarom geen opzet op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel kan worden vastgesteld. Het hof is echter van oordeel dat het in een brandgang, op korte afstand van een persoon, zwaaien met een paal van circa 1.20 meter lang een aanmerkelijk risico op het raken van die persoon tegen het hoofd met zich brengt. De aard van voornoemde gedraging van verdachte in combinatie met het massieve karakter van de paal, kan voorts naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.

Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het vrijspraakverweer ten aanzien van de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.

Feit 3

De raadsvrouw heeft eveneens vrijspraak bepleit van het onder 3 tenlastegelegde feit. De raadsvrouw heeft daartoe het volgende aangevoerd. Niet kan worden bewezen dat verdachte aangever heeft geslagen met een aluminiumstaaf. [benadeelde partij1] heeft immers verklaard dat hij niet weet waarmee hij is geslagen. Met het wegstrepen van de aluminiumstaaf in de bewezenverklaring is sprake van grondslagverlating omdat verdachte dan zou worden veroordeeld voor een ander soort mishandeling dan door het openbaar ministerie is bedoeld. Verdachte dient om die reden dan ook te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging. Ook als het hof voorgaand verweer zou verwerpen, zou vrijspraak moeten volgen. Verdachte ontkent aangever überhaupt te hebben mishandeld en er zijn geen getuigen. De verwondingen zijn naar alle waarschijnlijkheid ontstaan door de val van aangever door de schuttingpoort tegen goederen die in zijn tuin lagen.

Het hof is van oordeel dat de door de raadsvrouw van verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Aangever heeft verklaard dat hij is mishandeld door verdachte en dat hij twee of drie klappen heeft gehad. Getuige [getuige1] , ambulanceverpleegkundige, heeft aangever vlak na de mishandeling medisch behandeld. Zij heeft bij aangever zichtbaar letsel geconstateerd bij het linkeroog, op de achterzijde van het oor en op de zijkant van het hoofd. Zij dacht dat, als het letsel door geweld is toegebracht, er drie keer een impact moet zijn geweest.

De geconstateerde hoeveelheid letsels en de plaats van die letsels op het hoofd van aangever, past naar het oordeel van het hof niet bij de lezing van verdachte, te weten het vallen van aangever en het door verdachte gesuggereerde, mogelijke terug zwiepen van de schuttingdeur tegen aangevers hoofd, maar wel bij de lezing van aangever. Het hof acht het zeer onaannemelijk dat het letsel bij aangever zou zijn ontstaan door een val of het terug zwiepen van de deur. Dat getuige [getuige1] heeft verklaard dat zij niet kan zeggen of het letsel van een val afkomstig is of dat dit door geweld is toegebracht, doet aan voorstaande conclusie van het hof niet af. Zij geeft slechts een algemene verklaring van hoe het letsel ontstaan zou kunnen zijn.

Verdachte heeft voorts slechts enkele suggesties gedaan waardoor het letsel zou kunnen zijn ontstaan. Zo heeft verdachte niet verklaard dat hij gezien heeft dat de schuttingdeur is terug gezwiept en tegen het hoofd van aangever is aangekomen.

Het hof verwerpt het verweer en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever heeft mishandeld.

Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat er onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is om vast te stellen dat verdachte aangever met een aluminiumstaaf heeft geslagen. Het verweer van de raadsvrouw dat sprake is van grondslagverlating door het wegstrepen van dat onderdeel uit de bewezenverklaring, vindt geen steun in het recht en wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair
hij op 24 juli 2018 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde partij2] met een schuttingpaal, met kracht tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 24 juli 2018 te [plaats] , [benadeelde partij3] heeft mishandeld door meermalen in het gezicht van die [benadeelde partij3] te stompen;

3.
hij op 16 april 2018 te [plaats] [benadeelde partij1] heeft mishandeld door genoemde [benadeelde partij1] meermalen op het hoofd te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 en 3 bewezenverklaarde levert telkens op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 16 april 2018, ogenschijnlijk zonder noemenswaardige aanleiding, zijn tachtigjarige buurtgenoot mishandeld. Daarnaast heeft verdachte zich op 24 juli 2018 schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn achterbuurman en de mishandeling van zijn achterbuurvrouw. Deze laatste mishandelingen hebben plaatsgevonden in de context van een langlopend burenconflict. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangevers door bij hen pijn en letsel te veroorzaken. [benadeelde partij2] is daarvoor overgebracht naar het ziekenhuis. Bovendien draagt dergelijk geweld bij aan de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van

12 juli 2021, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het plegen van geweldsmisdrijven.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 33 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een passende en noodzakelijke straf is. Het hof zal verdachte tevens een taakstraf voor de duur van 60 uren opleggen. Het voorwaardelijk strafdeel beoogt mede verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan (soortgelijke) strafbare feiten schuldig te maken.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep in deze zaak het volgende.

Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in de fase van hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

De politierechter heeft uitspraak gedaan op 17 april 2019. De verdachte is tegen die uitspraak in hoger beroep gegaan op 26 april 2019. Het hof doet uitspraak op 1 september 2021. De redelijke termijn in de fase van hoger beroep is daarmee met vijf maanden overschreden. Van bijzondere omstandigheden die een langere behandeling van de zaak in hoger beroep dan voornoemde twee jaren zou rechtvaardigen, is niet gebleken.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de redelijke termijn in de fase van hoger beroep weliswaar is overschreden, maar dat de op te leggen straf zich qua hoogte en aard niet voor matiging leent zodat het hof daartoe niet zal overgaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.670,66, bestaande uit € 170,66 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 260,66. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat de gestelde materiële schade, bestaande uit de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de diazepam en de reiskosten, voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit dat deze aan hem als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Verdachte is tot vergoeding van die schade, welke niet dan wel onvoldoende door de verdediging is weersproken, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, inclusief de wettelijke rente, zal worden toegewezen.

De overige materiële schadeposten, te weten de kosten met betrekking tot de fotocamera, sd-kaart en het T-shirt, zijn gemotiveerd betwist door de verdediging. Nader onderzoek naar deze schadeposten zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren zodat de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost immateriële schade komt voor gedeeltelijke vergoeding in aanmerking. Het hof schat de immateriële schade op een bedrag van € 200,-. Het hof acht dit bedrag billijk gelet op wat er doorgaans in vergelijkbare zaken aan immateriële schadevergoeding wordt toegekend. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.731,23, bestaande uit € 231,23 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 231,23. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat de gestelde materiële schade, bestaande uit reiskosten, voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit dat deze aan hem als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Verdachte is tot vergoeding van die schade, welke niet dan wel onvoldoende door de verdediging is weersproken, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, inclusief de wettelijke rente, zal worden toegewezen.

De overige materiële schadepost, te weten kosten voor cannabisolie, is gemotiveerd betwist door de verdediging. Nader onderzoek naar deze schadepost zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren zodat de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost immateriële schade komt voor gedeeltelijke vergoeding in aanmerking. Het hof schat de immateriële schade op een bedrag van € 200,-. Het hof acht dit bedrag billijk gelet op wat er doorgaans in vergelijkbare zaken aan immateriële schadevergoeding wordt toegekend. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 200,- te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 (drieëndertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 260,66 (tweehonderdzestig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 60,66 (zestig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 260,66 (tweehonderdzestig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 60,66 (zestig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 juli 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij3] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 231,23 (tweehonderdeenendertig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 31,23 (eenendertig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij3] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 231,23 (tweehonderdeenendertig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 31,23 (eenendertig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 juli 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij1] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij1] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 16 april 2018.

Aldus gewezen door

mr. E.M.J. Brink, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. A. Meester, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Nicolai, griffier,

en op 1 september 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.