Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8479

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
200.277.261/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2020:441, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling vermogen ex-samenlevenden. Wie is gerechtigd tot saldo en/of-rekening? Stilzwijgende overeenkomst om spaarsaldo gemeenschappelijk te laten zijn. Vergoedingsvorderingen wegens inbreng in woning verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.277.261/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 188673)

arrest van 7 september 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. P.B. Rietberg, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats2] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg; eiser in conventie, gedaagde in reconventie,

hierna: de man,

advocaat: mr. M.C. Braak, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 november 2020 hier over.

1.2.

In dat arrest is een mondelinge behandeling bepaald, die op 20 mei 2021 heeft plaatsgevonden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt, dat het hof bij het ten behoeve van de zitting ingezonden procesdossier heeft gevoegd. Aan het proces-verbaal is gehecht de pleitnota die mr. Rietberg ter zitting heeft overgelegd. Nadien is aan het procesdossier toegevoegd een journaalbericht van mr. Rietberg van 10 juni 2021 met opmerkingen over de inhoud van het proces-verbaal.

1.3.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn de navolgende stukken binnengekomen:

- een brief van 19 april 2021 van mr. Braak;

- van de zijde van de vrouw een akte gedeeltelijke vermindering van eis;

- een journaalbericht van 21 april 2021 van mr. Rietberg;

- een journaalbericht van 5 mei 2021 van mr. Braak met productie(s).

- twee journaalberichten van 7 mei 2021 van mr. Rietberg, waarvan één met productie(s).

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben in 1995 een relatie met elkaar gekregen en samengewoond van 1997 tot mei 2018.

2.2.

Partijen hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten.

2.3.

Uit de relatie van partijen zijn twee kinderen geboren, [kind1] (2001) en [kind2] (2005).

2.4.

De vrouw heeft in 1997 op eigen naam een woning gekocht aan de [adres1] te [woonplaats1] . In 2006 is deze woning verkocht. Na voldoening van alle kosten resteerde een netto verkoopopbrengst van ca € 199.000,-.

2.5.

Op 24 november 2005 hebben partijen een woning aan de [adres2] te [woonplaats1] gekocht, waarbij zij ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn geworden van deze woning. Ten behoeve van de aankoop is onder andere een overbruggingskrediet afgesloten van € 125.000,-.

2.6.

Ten tijde van de verbreking van de relatie was er een spaarsaldo aanwezig van € 625.000,- op een op beider naam staande spaarrekening bij de [bank] .

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op 22 januari 2020 heeft gewezen. De rechtbank heeft in conventie de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van € 312.500,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag waarop volledige betaling volgt, en partijen gelast hun goederengemeenschap te verdelen op de wijze als in het vonnis is overwogen. De vorderingen van de vrouw in reconventie zijn afgewezen.

4 De grieven en de vorderingen

4.1.

De vrouw is met vier grieven in beroep gekomen van het bestreden vonnis van 22 januari 2020. Zij vordert te bepalen dat het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 22 januari 2020 met betrekking tot de verdeling van de goederengemeenschap wordt vernietigd en opnieuw rechtdoende:

- te bepalen dat de man inzake de woning aan de [adres2] slechts recht heeft op
- samengevat - een bedrag van € 3.053,50, alsmede te bepalen dat de man nog dient bij te dragen in de rentelasten van de twee woningen inzake na aflossing en betaling van de rente uit haar vermogen van - samengevat - € 3.150,00, zodat de man na verrekening van beide bedragen nog een bedrag van € 96,50 aan de vrouw dient te voldoen;

- te bepalen dat de man - hetgeen hij na de overdracht van de woning aan de vrouw - teveel heeft ontvangen zijnde € 91.759,44 met wettelijke rente dient terug te betalen vanaf het moment dat hij de gelden ontvangen heeft tot aan de dag der voldoening;

en/of dat het hof nader bepaalt welke bedragen de man aan de vrouw dient te voldoen op grond van de overdracht van de woning en de rentebetalingen;

- en tevens primair te bepalen dat de vrouw recht heeft op de helft van de gelden die stonden op de en/of rekening spaarrekening eindigend op [nummer1] en te bepalen dat de man een bedrag van € 320.754,62 dat hij middels de beslaglegging bij de vrouw heeft geïncasseerd binnen 14 dagen na betekening van het arrest aan de vrouw dient terug te betalen aan de vrouw;

en/of

- subsidiair te bepalen dat de man op grond van de stortingen van de vrouw op de en/of rekeningen - samengevat - nog een bedrag van € 100.632,97 aan de vrouw dient te voldoen;

en/of een zodanig bedrag vast te stellen zoals het hof in goede justitie meent te behoren,

met veroordeling van de man in de kosten van de procedure:

4.2.

De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw. Op zijn beurt is de man (voorwaardelijk) met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen, en vordert hij om bij arrest, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen:

I. Voor het geval het gerechtshof zal bepalen dat de door de vrouw naar voren gebrachte

grieven slagen en dit oordeel zal leiden tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank

om de woning aan de [adres2] te [woonplaats1] voor een bedrag van € 410.000,- aan

de vrouw toe te delen, een door uw gerechtshof in goede justitie aan te wijzen deskundige

te benoemen om de waarde van de woning aan de [adres2] te [woonplaats1] per

peildatum 22 april 2020 vast te laten stellen en de aldus door deze deskundige

vastgestelde waarde als uitgangspunt te hanteren bij de door het gerechtshof vast te

stellen wijze van verdeling van deze woning op grond van art. 3:185 BW, althans ter

zake de waardebepaling van de woning aan de [adres2] te [woonplaats1] zodanige

beslissingen te nemen als het gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren;

II. Kosten rechtens.

4.3.

In het incidenteel hoger beroep heeft de vrouw gevorderd de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn (voorwaardelijke) vordering dan wel deze vordering af te wijzen.

4.4.

Bij akte vermindering van eis heeft de vrouw gevorderd:
- te bepalen dat het bestreden vonnis met betrekking tot de verdeling van de goederengemeenschap wordt vernietigd en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man inzake de woning aan de [adres2] slechts recht heeft op een bedrag van € 10.553,50, zodat de man na verrekening van de rentelasten ad € 3.150,- recht heeft op een bedrag van € 10.553,50 minus € 3.150,- is € 7.403,50;

- te bepalen dat de man - hetgeen hij na de overdracht van de woning aan de vrouw - te veel heeft ontvangen zijnde € 91.759,44 minus € 7.403,50 = € 84.355,94 met wettelijke rente

dient terug te betalen aan de vrouw vanaf het moment dat hij de gelden ontvangen heeft tot

aan de dag der voldoening;

- en/of dat het hof nader bepaalt welke bedragen de man aan de vrouw dient te voldoen op

grond van de overdracht van de woning en de rentebetalingen.

5 De beoordeling

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

5.1.

De man stelt dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar ingediende hoger beroep vanwege het niet (tijdig) aanleveren van een compleet procesdossier. Het hof zal hiertoe niet overgaan. Voor het hof is vast komen te staan dat partijen alsook het hof over hetzelfde dossier beschikken. Tevens is het overgelegde dossier voor het hof voldoende leesbaar en duidelijk.

Stukken mr. Braak, ingediend bij journaalbericht van 5 mei 2021

5.2.

Anders dan namens de vrouw is bepleit, ziet het hof geen aanleiding om de bij journaalbericht van 5 mei 2021 door mr. Braak overgelegde stukken te weigeren. De stukken zijn tijdig ingediend en het betreft stukken ter onderbouwing van het eerder door de man ingenomen standpunt dat de gelden op de gemeenschappelijke spaarrekening van partijen onder meer bedoeld waren om pensioenvoorzieningen te treffen. Het hof leest hierin geen nieuwe grief.

Vooraf

5.3.

Het hof stelt voorop dat op de vermogensrechtelijke verhouding tussen partners die op basis van een affectieve relatie samenwonen (informeel samenlevenden), niet het huwelijksvermogensrecht van toepassing is en dat het huwelijksvermogensrecht zich ook niet leent voor overeenkomstige toepassing op die verhouding. Vermogensrechtelijke geschillen tussen de (ex-)partners kunnen daarom enkel worden beoordeeld op basis van het algemene vermogensrecht en eventueel - indien daar voldoende bijzondere omstandigheden voor zijn aangedragen - met toepassing van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (vgl. HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707).

Grief I in het principaal hoger beroep: financiering woning [adres2]

5.4.

De vrouw heeft aangevoerd dat een deel van de opbrengst uit de verkoop van haar woning aan de [adres1] is aangewend voor onder andere de aflossing van het overbruggingskrediet en een gedeeltelijke aflossing van de lopende hypotheek behorende bij de woning aan de [adres2] . Uit hoofde hiervan maakt de vrouw aanspraak op een vergoedingsvordering op de man, primair uit hoofde van haar investeringen in de gezamenlijke woning, subsidiair op grond van art. 3:166 lid 3 jo. art. 6:2 BW. Zij heeft haar vordering begroot op € 162.411,-. De vrouw meent dat de rechtbank daarom ten onrechte heeft bepaald dat de vrouw bij toedeling van de woning aan de vrouw aan de man moet vergoeden de helft van de overwaarde. Dit zou vanwege haar vergoedingsvordering een bedrag moeten zijn van (na verrekening van rentelasten) € 7.403,50. Overigens is deze woning op 22 april 2020 aan de vrouw geleverd, en heeft zij ter gelegenheid daarvan, op basis van het bestreden vonnis, een bedrag van € 91.759,44 aan de man betaald. De vrouw wil daarom een bedrag van € 84.355,94 terugontvangen van de man, zoals de vrouw in haar ‘akte gedeeltelijke vermindering van eis’ heeft uiteengezet.

5.5.

De man betwist dat de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres1] alleen aan de vrouw toekwam. De man stelt voor deze woning aan allerlei zaken te hebben meebetaald, zoals de rente over en aflossingen op de hypotheekschulden, en veel tijd en energie te hebben gestoken in de bouw van de garage bij de woning. Partijen hebben om die reden bewust gekozen voor het op beider naam zetten van de woning aan de [adres2] , zonder het maken van afwijkende eigendomsverhoudingen. Verder wijst de man er op dat partijen elkaar bij de levering van het aandeel in de woning van de man aan de vrouw volledige kwijting hebben verleend. De vrouw heeft geen voorbehoud gemaakt en daarmee is de verdeling van de woning definitief. De man wijst er ten slotte nog op dat als de vrouw al een vordering op hem zou hebben, deze vordering is verjaard.

5.6.

Het hof zal eerst het meest verstrekkende verweer van de man bespreken, te weten de verjaring. De eventuele vergoedingsvordering van de vrouw op de man is op grond van art. 6:10 lid 2 BW ontstaan doordat de vrouw als hoofdelijk schuldenaar meer dan de helft heeft voldaan van de gemeenschappelijke schulden van partijen ter zake hun gezamenlijke woning aan de [adres2] . Voor de kwalificatie van de regresvordering - met het oog op de toepasselijkheid van de verjaringsregels - moet worden gekeken naar de aard en herkomst van de hoofdelijke gehoudenheid. Voor hoofdelijkheid uit geldlening betekent dit dat moet worden aangesloten bij art. 3:307 BW. Dat brengt mee dat de vordering verjaart vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De vrouw heeft geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat voor wat betreft de opeisbaarheid tussen partijen van een andere datum moet worden uitgegaan dan de datum van de door haar verrichte betalingen. De vrouw had vanaf het moment dat zij méér voldeed dan waartoe zij jegens de man gehouden was dus een vordering tot vergoeding van het teveel betaalde kunnen instellen. De verjaringstermijn van vijf jaren is daarom beginnen te lopen in augustus respectievelijk oktober 2006, de data waarop de betalingen door de vrouw werden gedaan.

5.7.

Het hof gaat voorbij aan de door de vrouw - ter zitting voor het eerst naar voren gebrachte - stelling dat de redelijkheid en billijkheid zich er tegen verzetten dat zij de vordering direct na de betalingen van de koopsom zou opeisen, waarbij de vrouw verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, waarin analoog aan de regeling voor gehuwden verlenging van de verjaringstermijn werd aangenomen. Dat de redelijkheid en billijkheid zich tegen directe opeisbaarheid verzetten heeft de vrouw, zoals hierboven is uiteengezet, niet onderbouwd. Voor wat betreft de verjaringstermijn geldt dat, anders dan bij tussen niet van tafel en bed gescheiden echtgenoten (tussen wie krachtens art. 3:321 BW een verlengingsgrond bestaat), vorderingen van ongehuwd samenlevende partners op elkaar ook tijdens de relatie volgens de gewone regels verjaren.
Maar zelfs al zou deze verlengingsgrond worden toegepast, dan nog was de vrouw te laat met het instellen van haar vordering. Partijen waren immers uit elkaar sinds mei/juni 2018, terwijl de vrouw haar vordering pas heeft ingesteld bij haar eis in reconventie van 13 januari 2019.
Voor zover de vrouw zich er op heeft willen beroepen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in de weg staan aan een beroep op verjaring vanwege de relatie die tussen partijen heeft bestaan, en zij daarmee betoogt dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, is dit door haar niet, dan wel onvoldoende onderbouwd.

5.8.

Hetzelfde geldt voor de door de vrouw opgevoerde verrekenposten betreffende door haar voor de man betaalde rentelasten. Los van het feit dat de man betwist dat deze lasten alleen door de vrouw zijn betaald, is ook deze vordering verjaard.

5.9.

De vrouw heeft in haar eerste grief verder nog aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de man door het niet verteren van zijn inkomen een bedrag van € 625.000,- heeft gespaard. Deze grief zal bij grief III worden besproken.

Grief II in het principaal hoger beroep en grief I in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep: waarde woning

5.10.

In haar ‘akte gedeeltelijke vermindering van eis’ heeft de vrouw aangegeven alsnog te kunnen instemmen met de taxatiewaarde van de woning aan de [adres2] te [woonplaats1] van € 410.000,-. Deze grief behoeft dan ook geen nadere bespreking, wat ook geldt voor de grief van de man in het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep.

Grief III in het principaal hoger beroep: spaargeld ad € 625.000,-

5.11.

De vrouw stelt primair dat met betrekking tot het saldo op de en/of rekeningen art. 3:166 BW (eenvoudige gemeenschap) van toepassing is, waardoor aan haar de helft van het saldo toekomt. Daarnaast kan volgens haar uit het gedrag van partijen worden afgeleid dat zij zodanig hebben gehandeld dat in verbintenisrechtelijke zin alles samen zou zijn. Er was sprake van een stilzwijgende overeenkomst tussen partijen. Bovendien vindt de vrouw dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de man aanspraak maakt op het hele (oorspronkelijke) vermogen van de en/of rekeningen.

Subsidiair stelt de vrouw dat haar in elk geval een bedrag van € 100.632,97 van het spaargeld toekomt.

5.12.

De man stelt dat tot het aanwezige saldo op de en/of rekening gerechtigd is degene die het geld op de betreffende rekening heeft gestort. De man heeft een overzicht in het geding gebracht, waarop hij heeft vermeld de gelden die ieder van partijen gedurende de samenlevingsjaren heeft ingebracht, afgezet tegen de kosten van de huishouding. Verwijzend naar dit overzicht komt de man tot de conclusie dat het spaarsaldo alleen maar uit zijn inkomen kan zijn ontstaan. In de jaren 1997 tot 2018 waren de kosten van de huishouding volgens de man zodanig hoog dat van het inkomen van de vrouw geen bedrag meer resteerde om te sparen.
De man heeft er verder op gewezen dat hij het spaarsaldo nodig heeft om het ontbreken van opgebouwde aanspraken op AOW, pensioen, netto reservering ingevolge de WULBZ en de reservering voor het werkloosheidsrisico te compenseren, en dat dit voor de vrouw altijd duidelijk moet zijn geweest. Ook dit wordt door de vrouw betwist.

5.13.

Het hof stelt voorop dat het feit dat er sprake is van een bankrekening op twee namen, niet meebrengt dat er daardoor sprake is van een (zakenrechtelijk werkende) eenvoudige gemeenschap, zoals de vrouw stelt. Dat een bankrekening op naam van twee personen staat zegt iets over de verbintenisrechtelijke relatie van de rekeninghouders tot de bank.
Over de vraag wie in de interne verhouding tussen de rekeninghouders recht heeft op het saldo is niet de tenaamstelling van de rekening van belang, maar is van belang van wie het saldo afkomstig is en wat de rekeninghouders onderling zijn overeengekomen of met de tenaamstelling hebben bedoeld. In het geval van samenlevenden kan dat wat partijen zijn overeengekomen op grond van vaste jurisprudentie ook worden afgeleid uit hun feitelijk gedrag.

5.14.

Het hof is van oordeel dat in dit geval uit het feitelijk gedrag van partijen (hun handelen en niet-handelen) blijkt dat zij (stilzwijgend) zijn overeengekomen om het saldo van hun rekening gemeenschappelijk te laten zijn, en wel tot aan het bedrag zoals verder omschreven onder 5.16. Het hof leidt dit af uit de navolgende feiten en omstandigheden.
Tussen partijen bestond een langdurige samenlevingsrelatie, van meer dan 21 jaar. Uit de relatie zijn twee kinderen geboren. Er was een verdeling van taken en lasten, die niet alleen de financiën betrof maar ook andere aspecten omvatte, zoals de zorgtaken.
Partijen hebben beiden in hun stukken uiteengezet, en ook ter zitting toegelicht, dat zij vanaf de start van hun samenwoning in 1997 een gezamenlijke financiële huishouding hebben gevoerd. Zij hadden uitsluitend bankrekeningen op beider naam, en via deze rekeningen liepen alle inkomsten, uitgaven en besparingen. Zowel de vrouw als de man hebben gedurende hun samenleving geldbedragen (zowel uit inkomen alsook uit overige bronnen, zoals schenkingen en kapitaalverzekeringen) op de gezamenlijke bankrekening(en) gestort. De financiën werden volledig vermengd. Er werd geen aparte administratie bijgehouden, in die zin dat aan de hand daarvan zou kunnen worden vastgesteld wat aan elk van partijen zou toebehoren.

Vanaf het samenwonen van partijen heeft de man bedragen aangewend ten behoeve van de op naam van de vrouw staande woning aan de [adres1] , en andersom heeft de vrouw de bedragen die uit de verkoop van die woning zijn vrijgekomen, deels gestoken in de woning aan de [adres2] , die op beider naam is gezet. Ook hiervan is geen aparte administratie bijgehouden, of op papier gezet hoe een en ander later zou moeten worden verrekend. Partijen hebben er nooit bij stilgestaan dat zij ooit uit elkaar zouden kunnen gaan, en de eventuele aanspraken die zij jegens de ander geldend zouden kunnen maken zijn inmiddels - zo is hiervoor al overwogen - verjaard.
Er was sprake van een afgesproken taakverdeling. De vrouw zorgde thuis voor het huishouden en de kinderen, en had daarnaast een parttime baan, terwijl de man zich fulltime kon richten op zijn carrière, en vanwege zijn werk in het buitenland 180 dagen per jaar van huis was. (Mede) als gevolg van deze taakverdeling had de man een (aanzienlijk) hoger inkomen dan de vrouw.
Partijen hebben beiden ter zitting verklaard dat er nooit is gesproken over wat van wie was, althans hoe een en ander zou moeten worden afgewikkeld bij een eventueel uiteengaan. Beiden hebben bij deze situatie niet stilgestaan.
Verder heeft de vrouw er op gewezen dat partijen, rekening houdende met het spaarsaldo dat aan ieder voor de helft zou toekomen, en het feit dat bij overlijden de andere helft aan de kinderen zou toevallen omdat partijen niet van elkaar zouden erven, kruiselingse overlijdensrisicoverzekeringen hebben afgesloten. De man heeft erkend dat dit mede is gebeurd in verband met het niet erven van elkaar, zoals blijkt uit punt 9 van zijn conclusie van repliek bij de rechtbank.

5.15.

De man heeft gesteld dat hij de enige is die het spaarsaldo heeft gevoed, en hij daarom als enige gerechtigd is tot het saldo. Hij gaat er daarbij achteraf - gelet op het door hem overgelegde overzicht - kennelijk van uit dat het tussen partijen vanzelfsprekend was dat de kosten van hun huishouding, ondanks de afgesproken taakverdeling en het verschil in inkomen, bij helfte zouden worden gedeeld, en dat het inkomen én de overige gelden die de vrouw heeft gestort, dus volledig op zouden gaan aan de kosten van de huishouding en zij niet voor zichzelf zou kunnen sparen, terwijl de man dit op zijn beurt wel kon doen. Het hof kan een dergelijke afspraak echter niet opmaken uit de feitelijke gang van zaken tijdens de samenleving, zoals hierboven omschreven. Daar waar partijen gedurende meer dan 21 jaar op een bepaalde wijze samenleven, zij niet hebben vastgelegd wat aan wie toekomt dan wel aparte bankrekeningen hebben aangehouden, en alle kosten en besparingen via gezamenlijke rekeningen laten lopen, zou het naar het oordeel van het hof strijdig zijn met de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen samenlevenden beheerst om aan het einde van deze langdurige samenlevingsperiode ‘de rekening te presenteren’ door achteraf te construeren wat een ieder - in de visie van één van de partners - had dienen bij te dragen aan de kosten van de huishouding, zeker niet als dit overzicht uitsluitend dient om aan te tonen dat een banksaldo in de visie van de betreffende partner niet anders dan door die partner kan zijn gevoed, terwijl de andere partner óók bedragen op deze rekening heeft gestort. Uit de jarenlang durende gang van zaken kan eerder worden afgeleid dat het de wederzijdse instemming van partijen had dat de kosten van de huishouding werden gedeeld op een wijze waarbij de man een groter deel daarvan voor zijn rekening nam. De man heeft in ieder geval nimmer aan de vrouw kenbaar gemaakt dat hij de kosten van de huishouding op zijn nu (pas) gepresenteerde wijze wilde delen en dat de vrouw zodoende niets meer over zou houden.
Aldus volgt het hof de man niet in zijn stelling dat het saldo op de spaarrekening is ontstaan door alleen zijn voeding van deze rekening. Daar komt bij dat, zoals het hof hierboven reeds heeft uiteengezet, de (stilzwijgende) afspraken tussen partijen van belang zijn en in deze zaak de doorslag geven bij de beantwoording van de vraag wie gerechtigd is tot het saldo, op grond waarvan het hof tot het oordeel komt dat partijen (stilzwijgend) zijn overeengekomen om het saldo van hun rekening gemeenschappelijk te laten zijn, met uitzondering van het navolgende.

5.16.

Het hof constateert dat wanneer de man niet wordt gecompenseerd voor het feit dat hij wordt gekort op zijn AOW-uitkering - wegens zijn werkzame jaren in het buitenland - terwijl de vrouw volledig aanspraak kan maken op een AOW-uitkering, de vrouw uiteindelijk in een betere financiële positie komt te verkeren dan de man. Dit sluit naar het oordeel van het hof niet aan bij de (stilzwijgende) afspraak van partijen dat zij al hun financiële middelen gemeenschappelijk wilden laten zijn. Het hof zal daarom, aansluitend bij de door de man overgelegde berekening van drs. [naam1] , bepalen dat van het spaarsaldo een bedrag van € 106.327,- toekomt aan de man, en dat ter zake het restant ad € 518.673,- ieder van partijen gerechtigd is tot de helft, te weten een bedrag van € 259.336,50.

5.17.

In haar derde grief heeft de vrouw ook nog verzocht de man te veroordelen om de helft van de hypotheeklasten te voldoen tot aan de datum van levering van de woning aan de [adres2] aan De vrouw. Ter zitting heeft de vrouw deze grief ingetrokken.

Grief IV in het principaal hoger beroep

5.18.

De vrouw geeft aan dat zij volledig is uitgekleed en de redelijkheid en billijkheid in het bestreden vonnis ver te zoeken is. Dit geldt te meer omdat er geen comparitie is gehouden en partijen niet zijn verzocht nadere stukken in te dienen, wat wel gebruikelijk is bij verdelingen.

5.19.

Het hof gaat er van uit dat deze grief geen nadere bespreking behoeft, omdat er bij het hof een mondelinge behandeling is gehouden en partijen nog nadere stukken hebben kunnen indienen.

De proceskosten
5.20. Het hof ziet in de stellingen van partijen geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, omdat het hier gaat om een geschil dat betrekking heeft op de vermogensrechtelijke afwikkeling van voormalige partners met kinderen.

6 De slotsom

Grief III in het principaal hoger beroep slaagt en de overige grieven (zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep) falen. Gelet op het hiervoor overwogene, zal het hof het bestreden vonnis deels vernietigen en beslissen als in het dictum van dit arrest wordt omschreven. Omdat ter zitting duidelijk is geworden dat de vrouw het door haar opgenomen spaargeld reeds aan de man heeft teruggestort, en het hof hieronder bepaalt hoe het spaargeld alsnog dient te worden verdeeld, gaat het hof er van uit dat partijen geen gevolg geven aan de hieronder uit te spreken gedeeltelijke vernietiging, en dat de man - die thans over het gehele spaarsaldo beschikt - aan de veroordeling zal voldoen door middel van betaling aan de vrouw van het haar toekomende deel van het spaargeld. Wel dient de vrouw als gevolg van deze vernietiging de door haar aan de man betaalde wettelijke rente gedeeltelijk van de man terug te ontvangen, namelijk voor zover dit de rente over het verschil tussen € 312.500,- en het haar toekomende bedrag van € 259.336,50 betreft.

7 De beslissing

Het hof, rechtdoende in principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 22 januari 2020, voor zover daarin de vrouw is veroordeeld tot betaling aan de man van € 312.500,- vermeerderd met de wettelijke rente;

bepaalt dat van het spaarsaldo aan de man toekomt een bedrag van € 365.663,50 en aan de vrouw een bedrag van € 259.336,50;

veroordeelt de man tot betaling van een bedrag van € 259.336,50 aan de vrouw;

verklaart de bovenstaande veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank voor het overige;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. C. Koopman, I.M. Dölle en F. Menso en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 september 2021.