Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8475

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
200.276.267/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen partijen die een affectieve relatie hadden over het gebruik dat de man tijdens de relatie van een bedrijfspand van de vrouw heeft gemaakt (was dat op basis van een huurovereenkomst?) en over geld dat de vrouw in die periode (namens) de man heeft betaald (was dat op basis van een overeenkomst van geldlening?).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.276.267/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad 7909897)

arrest van 7 september 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

bij de kantonrechter: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. P. Bosma uit Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats1] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

bij de kantonrechter: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. K.O. Valentien uit Almere.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het tussenarrest van 22 december 2020 heeft op 8 april 2021 een mondelinge behandeling plaatsgehad waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Aan het slot van de mondelinge behandeling is een datum voor arrest bepaald. Op de mondelinge behandeling heeft mr. Valentien toegezegd het hof een goed leesbaar exemplaar toe te sturen van de handgeschreven verklaring die is overgelegd als productie 19 bij de dagvaarding in eerste aanleg. Mr. Valentien heeft dat ook gedaan.

2 Waar gaat de zaak over en wat vindt het hof?

2.1.

Deze zaak draait in hoofdzaak om de vragen of [appellant] in de periode waarin partijen een affectieve relatie met elkaar hadden het bedrijfspand van [geïntimeerde] heeft gebruikt op basis van een huurovereenkomst en of [appellant] in die periode geld van [geïntimeerde] heeft gekregen op basis van een overeenkomst van geldlening en daarmee of [appellant] [geïntimeerde] dus nog moet (terug)betalen. Van het antwoord op die vragen hangt af of [geïntimeerde] de eigendommen van [appellant] terug moet geven die nu in een bewaakte opslag liggen.

2.2.

Net als de kantonrechter is het hof van oordeel dat sprake is van een huurovereenkomst. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat [appellant] niet alleen geld van [geïntimeerde] heeft gekregen, maar dat hij ook geld van [geïntimeerde] heeft geleend dat hij terug moet betalen. Zolang [appellant] niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de achterstallige huur aan [geïntimeerde] , hoeft [geïntimeerde] hem niet zijn eigendommen terug te geven die hij in het bedrijfspand had achtergelaten. Het hof zal hierna (onder 5) uitleggen hoe het tot die beslissingen is gekomen. Het hof zal eerst (onder 3 en 4) de feiten schetsen en het verloop van de procedure bij de kantonrechter.

3 De feiten

3.1.

Partijen hebben vanaf april 2016 een affectieve relatie met elkaar gehad.

3.2.

[appellant] had een eenmanszaak als meubelmaker en huurde voor zijn onderneming een kleine bedrijfsruimte.

3.3.

[geïntimeerde] is in 2017 eigenaresse geworden van een bedrijfspand aan de [adres] in [woonplaats1] (hierna: het bedrijfspand). [geïntimeerde] heeft het bedrijfspand gekocht van Zuvago Vastgoed B.V., een bemiddelaar in verhuur of verkoop van bedrijfspanden. Van deze bemiddelaar heeft [geïntimeerde] een voorbeeld van een huurovereenkomst en van een factuur ontvangen die zij zou kunnen gebruiken bij verhuur van het bedrijfspand. [geïntimeerde] heeft op enig moment deze huurovereenkomst aangepast waarbij zij [appellant] als huurder van het bedrijfspand heeft aangemerkt. In deze huurovereenkomst is opgenomen dat de huurovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van twee jaar, ingaande 1 februari 2018, met de mogelijkheid tot verlenging voor steeds twee jaar en tegen een aanvangshuurprijs van € 7.200,- excl. btw per jaar (€ 600,- per maand). Deze huurovereenkomst heeft [appellant] niet ondertekend.

3.4.

[appellant] heeft de huur van zijn kleine bedrijfsruimte opgezegd en heeft eind
januari 2018 zijn onderneming verplaatst naar het bedrijfspand.

3.5.

De affectieve relatie tussen partijen is medio 2018 geëindigd. Vanaf eind maart 2019 heeft [geïntimeerde] [appellant] niet meer toegelaten tot het bedrijfspand. Op dat moment lagen er nog eigendommen van [appellant] in het bedrijfspand, te weten: een motorfiets Suzuki GSX 1400 met kenteken [kenteken1] , een motorfiets Kawasaki Versys 650 met kenteken [kenteken2] ,

een aanhangwagen merk Saris, een iglotent, een gasbarbecue met accessoires zoals grillplaat, skottel en barbecuegrill, een dakkoffer (zwart) met dragers, twee complete duikuitrustingen inclusief vest, regulators en maskers, twee setjes winterbanden, een golfset, gereedschap, lijmklemmen en een stereo-installatie.

3.6.

[geïntimeerde] heeft van [naam1] autoberging een factuur van 4 juli 2019 ontvangen van € 5.950,- excl. btw bestaande uit:

  • -

    € 2.400,- excl. btw voor het inventariseren, inpakken, leegruimen en vervoeren van de eigendommen van [appellant] naar en opslaan in een bewaakte opslag,

  • -

    € 400,- excl. btw voor kleine reparatie- en schoonmaakwerkzaamheden en een schoon en gebruiksklare oplevering,

  • -

    € 3.150,- excl. btw voor huur van een bewaakte opslag van de eigendommen van [appellant] voor de periode juni t/m november 2019 (€ 525,- excl. btw per maand).

3.7.

[geïntimeerde] heeft van [naam1] autoberging een tweede factuur van 17 augustus 2020 ontvangen van € 4.725,- (btw verlegd) voor huur van een bewaakte opslag van de eigendommen van [appellant] voor de periode december 2019 t/m augustus 2020 (€ 525,- per maand).

3.8.

Vanaf 15 september 2019 heeft [geïntimeerde] het bedrijfspand aan een derde verhuurd voor € 1.465,52,- exclusief btw per maand, inclusief servicekosten.

4 De procedure bij de kantonrechter

4.1.

[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter, zakelijk weergegeven, in conventie gevorderd:

I. primair te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden en subsidiair de overeenkomst te ontbinden, met veroordeling van [appellant] tot betaling van € 10.164,- aan niet-betaalde huur althans aan gebruiksvergoeding en € 7.199,50 aan vergoeding van de kosten voor het leeg- en schoonmaken van het bedrijfspand en voor de bewaakte opslag van de eigendommen van [appellant] , beide bedragen vermeerderd met wettelijke handelsrente,

II. [appellant] te veroordelen om haar € 11.562,- te betalen aan terugbetaling van geldleningen met wettelijke handelsrente,

III. [appellant] te veroordelen om haar € 876,64 aan vergoeding van buitengerechtelijke kosten te betalen met wettelijke rente en [appellant] te veroordelen in de proceskosten en in de nakosten.

In reconventie heeft [appellant] afgifte van zijn eigendommen gevorderd op straffe van een door de kantonrechter te bepalen dwangsom, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.2.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 24 december 2019 in conventie [appellant] veroordeeld om [geïntimeerde] € 15.215,14 (€ 10.164,- aan huur, € 4.174,50 aan bijkomende kosten en € 876,64 aan buitengerechtelijke kosten) te betalen, vermeerderd met wettelijke rente over € 14.338,50 vanaf 5 juli 2019 (de datum van dagvaarding) tot de dag van algehele voldoening. Het in conventie meer of anders gevorderde heeft de kantonrechter afgewezen. De kantonrechter heeft de reconventionele vordering van [appellant] afgewezen. De kantonrechter heeft [appellant] in conventie en in reconventie in de proceskosten met nakosten veroordeeld.

5 De beoordeling

Vorderingen en klachten in hoger beroep

5.1.

[appellant] vordert dat het hof het vonnis van de kantonrechter van 24 december 2019 vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst en zijn reconventionele vordering alsnog toewijst met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties. [appellant] heeft in hoger beroep vier klachten (grieven) gericht tegen het vonnis van de kantonrechter van 24 december 2019. [appellant] is allereerst

opgekomen (grieven I en II) tegen het oordeel van de kantonrechter dat er een huurovereenkomst tussen partijen was en dat [appellant] over een periode van 14 maanden huur verschuldigd is aan [geïntimeerde] . Zijn derde bezwaar (grief III) ziet op de afwijzing van zijn vordering tot afgifte van zijn eigendommen. Het vierde bezwaar van [appellant] (grief IV) keert zich tegen de veroordeling tot betaling van de kosten voor het inventariseren, fotograferen en transporteren van zijn eigendommen naar een opslagruimte en de huur van die opslagruimte.

5.2.

[geïntimeerde] is (in incidenteel hoger beroep) opgekomen tegen de afwijzing van terugbetaling van het door haar aan [appellant] geleende geld (grief I) en tegen de gedeeltelijke afwijzing van een vergoeding van de kosten van opslag van de goederen in een bewaakte opslagruimte (grief II). [geïntimeerde] heeft in hoger beroep haar eis vermeerderd en vordert nu ook aanvullende opslagkosten van € 4.725,- (excl. btw) voor de periode december 2019 t/m augustus 2020 en van € 525,- (excl. btw) voor elke op augustus 2020 volgende maand tot het moment waarop de noodzaak om de eigendommen van [appellant] bewaakt op te slaan is opgeheven, vermeerderd met wettelijke rente en afgifte van de contactsleutels van twee motoren en de daarbij behorende kentekenpapieren.

5.3.

In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, te weten voor het geval het hof oordeelt dat er geen sprake is van een huurovereenkomst, vordert [geïntimeerde] dat het hof [appellant] veroordeelt om haar € 10.164,- vermeerderd met wettelijke rente te betalen aan vergoeding voor het gebruik van het bedrijfspand.

De wijziging van eis van [geïntimeerde] is toelaatbaar

5.4.

[appellant] heeft op de zitting in hoger beroep verklaard tegen de eiswijziging van [geïntimeerde] als zodanig geen bezwaar te hebben. Deze is ook niet in strijd met de goede procesorde en is gedaan bij de eerste daartoe bestaande gelegenheid in hoger beroep. Recht wordt daarom gedaan op basis van de gewijzigde eis.

[appellant] heeft het bedrijfspand van [geïntimeerde] gehuurd

5.5.

De bezwaren van [appellant] tegen het oordeel van de kantonrechter dat er een huurovereenkomst tussen partijen was, slagen niet. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter op goede gronden geoordeeld dat er een huurovereenkomst tussen partijen was. Het hof neemt de overwegingen van de kantonrechter over en maakt deze tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.

5.6.

[geïntimeerde] stelt dat zij het pand zakelijk heeft gekocht en dat zij daar rendement op wilde halen door het bedrijfspand te verhuren. Dit heeft [appellant] niet betwist. Dit ondersteunt de stelling van [geïntimeerde] dat sprake was van een huurovereenkomst. Dat doen ook de omstandigheden dat [geïntimeerde] na de koop van het bedrijfspand bij Zuvago Vastgoed een voorbeeld van een huurovereenkomst en een factuur heeft opgevraagd en dat zij deze vervolgens met vermelding van de huurprijs heeft toegesneden op huur door [appellant] . De stelling van [geïntimeerde] vindt verder bevestiging in de door de door haar overgelegde schriftelijke verklaringen waarin derden met zoveel woorden verklaren dat [appellant] tegen hen heeft gezegd dat hij het bedrijfspand van [geïntimeerde] huurde. Zo hebben [naam2] en [naam3] verklaard:
10 juni 2018 hadden wij [geïntimeerde] en [appellant] uitgenodigd om te komen barbecueën. (…) Het gesprek ging over uiteenlopende onderwerpen zo ook over het werk. [appellant] was toen in het Golfpark in Lelystad een veranda aan het bouwen. Hij was bezig zijn bedrijf “ [naam4] ” op te zetten en vertelde dat hij een pand had gehuurd bij [geïntimeerde]”. [naam5] heeft verklaard: “Ik heb samen met mijn man een zaak in Lelystad (…) [appellant] komt al sinds de opening bij mij in de zaak, hij is vaste klant. (…) In december 2017 kochten mijn man en ik een huis in [woonplaats1] . In diezelfde periode kocht [geïntimeerde] een bedrijfspand op de [adres] in [woonplaats1] . Zij kocht dit als investering, voor extra inkomsten en voor haar pensioen. [appellant] ging dit pand van haar huren. Ze hebben mij dit allebei verteld.” [naam6] heeft verklaard: “Hierbij verklaar ik (…) dat ik zowel [geïntimeerde] als [appellant] ken. Ik ben vroeger timmerman geweest. [appellant] ken ik als timmerman. (…) Ik heb [appellant] een paar keer geholpen met opdrachten die hij voor klanten deed. (…) In de tijd dat [geïntimeerde] haar bedrijfspand kocht was ik ook bij hem aan het werk. Hij praatte toen volop over zijn plannen voor als hij het grotere pand van [geïntimeerde] zou huren.” [naam7] heeft verklaard: “hij [ [appellant] ] kwam regelmatig ook bij ons voor een borrel of koffiehalen. Dan vertelde hij ons nog wel eens wat. (…) Toen Mevr. [geïntimeerde] een bedrijf pand kocht kon hij dat huren daar het veel ruimer was. In goed vertrouwen heeft zij het aan hem verhuurd en veel te weinig berekend hij vertelde dat het € 700,- was, terwijl zo een pand minimaal ex. BTW was, € 1400,- is.” [naam8] en [naam7] hebben verklaard: “Hij [hof: [appellant] ] vertelde dat hij op dat moment ook de huur van het pand aan de [adres] niet aan haar kon betalen, maar zei daarbij dat “het wel goed kwam”.” [naam9] , van wie [geïntimeerde] de dochter is, heeft verklaard: “In die tijd hoorde ik ook van [appellant] en [geïntimeerde] dat [geïntimeerde] van plan was een pand aan de [adres] in [woonplaats1] te kopen als investering en dat zij het dan aan [appellant] zou verhuren, zodat hij een grotere werkplaats zou hebben, waar hij zijn bedrijf wat zou kunnen uitbreiden.”.

5.7.

In het licht van deze feiten en omstandigheden lag het op de weg van [appellant] zijn verweer nader te onderbouwen. [appellant] heeft dat nagelaten. De stelling van [geïntimeerde] dat tussen partijen een huurovereenkomst heeft bestaan is daarom als zijnde door [appellant] onvoldoende gemotiveerd betwist, komen vast te staan.

5.8.

[appellant] is op de zitting in hoger beroep gevraagd hoe het verweer dat op [geïntimeerde] een schadebeperkingsplicht rust moet worden begrepen. [appellant] heeft toegelicht dat het eigenaardig is dat [geïntimeerde] geen facturen voor de huur heeft gestuurd en niet eerder aan de bel heeft getrokken. Aan het beroep dat [appellant] in dit kader doet op de schadebeperkingsplicht, gaat het hof voorbij. [geïntimeerde] vordert geen schadevergoeding; [geïntimeerde] vordert nakoming.

5.9.

Omdat de grieven (I en II) van [appellant] niet slagen, heeft de kantonrechter op juiste gronden [appellant] veroordeeld om [geïntimeerde] € 10.164,- aan achterstallige huur te betalen.

5.10.

Met het oordeel dat tussen partijen een huurovereenkomst heeft bestaan, is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder [geïntimeerde] voorwaardelijke incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. Het hof komt daarom niet toe aan een beoordeling daarvan.

[appellant] heeft een deel van het door hem van [geïntimeerde] ontvangen geld geleend van [geïntimeerde]

5.11.

[geïntimeerde] stelt verschillende bedragen tot in totaal € 11.562,- aan [appellant] te hebben geleend. Op grond van de hoofdregel van 150 Rv rust op [geïntimeerde] de stelplicht en bewijslast van haar stelling.

5.12.

[appellant] erkent dat hij € 326,- voor de aankoop van hout bij de Firma van Deuveren aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Dit bedrag zal worden toegewezen. Verder betwist [appellant] geld van [geïntimeerde] te hebben geleend. [appellant] betwist niet dat hij dit geld heeft ontvangen.

5.13.

Het hof maakt ten aanzien van de overige door [geïntimeerde] aan [appellant] betaalde bedragen (in totaal € 11.236,-) waarvan [geïntimeerde] terugbetaling vordert, onderscheid in de volgende drie categorieën:

  1. de door [geïntimeerde] betaalde € 4.041,- van de door Alliander opgelegde boete,

  2. de door [geïntimeerde] betaalde € 2.695,- die [appellant] zakelijk heeft aangewend, bestaande uit:

- € 499,- zijnde de helft van de factuur van RJM Installatietechniek voor de aanschaf een krachtstroominstallatie en omdat de meterkast niet in orde was,

- € 227,- zijnde de factuur van VMB Security Systems B.V. voor meldkameropvolging,

- € 409,- voor de aanschaf van een zaagtafel,

- € 560,- voor de aanschaf van planten,

- € 1.000,- voor de aanschaf van hout,

3) de door [geïntimeerde] in januari 2018 aan [appellant] betaalde € 2.500,- en de door [geïntimeerde] aan [appellant] betaalde € 2.000,- aan kosten van Alpha advocaten.

5.14.

[appellant] voert tot zijn verweer aan dat geen sprake is van een geldlening, omdat partijen een affectieve relatie hadden. Het hof stelt voorop dat het hebben van een affectieve relatie op zichzelf niet meebrengt dat alles wat [geïntimeerde] (namens) [appellant] betaalde, ook voor het bedrijf van [appellant] , door [appellant] niet terug hoefde te worden betaald. Ook niet als het hof daarbij de kinderwens van [geïntimeerde] betrekt en het (eventueel) doorlopen van een IVF-traject. Partijen woonden niet samen en hadden eigen bankrekeningen. Uit de feitelijke gang van zaken blijkt verder dat [geïntimeerde] tijdens de affectieve relatie diverse geldbedragen aan [appellant] heeft voldaan die hij ook heeft terugbetaald. [geïntimeerde] heeft een overzicht van de door haar aan [appellant] verstrekte gelden in het geding gebracht. Daarin is opgenomen dat [appellant] in 2016 en 2017 duizenden euro’s aan [geïntimeerde] heeft terugbetaald. [appellant] heeft dit niet weersproken. [appellant] erkent ook dat hij [geïntimeerde] € 326,- voor de aanschaf van hout bij de Firma van Deuveren terug moet betalen. Het verweer dat bij een affectieve relatie geen geldlening past, gaat dus niet zonder meer op. Anders dan waar [appellant] vanuit gaat, is het niet vanzelfsprekend dat [geïntimeerde] [appellant] dat geld vanwege de affectieve relatie heeft geschonken.

(ad 1) [appellant] moet [geïntimeerde] de door haar betaalde kosten van Alliander terugbetalen

5.15.

Alliander heeft [appellant] een boete opgelegd die verband houdt met de wietplantage die in zijn woning is aangetroffen en op grond waarvan [appellant] Alliander eenmaal € 1.500,- en negen keer € 363,- heeft moeten betalen. [geïntimeerde] heeft deze bedragen betaald. Vaststaat dat [appellant] op 1 juni 2018 en op 3 juli 2018 aan [geïntimeerde] € 363,- heeft terugbetaald. Alliander heeft aan [geïntimeerde] de boete opgelegd vanwege zijn onrechtmatige gedragingen met betrekking tot de elektra in zijn eigen huis. Tegen deze achtergrond en uit de gedragingen van [appellant] leidt het hof af dat dit een geldlening is. [appellant] heeft voor de door hem terugbetaalde bedragen en erkende termijn geen andere verklaring gegeven. [appellant] heeft niet toereikend toegelicht waarom hij [geïntimeerde] het ene deel van hem door Alliander opgelegde boete wel heeft terugbetaald maar het andere deel van deze boete niet terug zou hoeven te betalen. Daarmee heeft [appellant] de stelling van [geïntimeerde] dat zij hem € 4.041,- heeft geleend om de hem door Alliander opgelegde boete te betalen, onvoldoende gemotiveerd betwist, waarmee de stelling van [geïntimeerde] is komen vast te staan.

(ad 2) [appellant] moet [geïntimeerde] de door haar betaalde en door hem zakelijk aangewende kosten terugbetalen

5.16.

[appellant] heeft erkend met betrekking tot hout € 326,- verschuldigd te zijn. Waar [geïntimeerde] heeft toegelicht dat bij deze categorie verder sprake is van een lening omdat [appellant] deze door haar aan hem betaalde bedragen voor zijn onderneming heeft gebruikt, heeft [appellant] enkel erop gewezen dat partijen toen een relatie met elkaar hadden. Dat is naar het oordeel van het hof, zoals hiervoor al is overwogen, onvoldoende. Bij gebrek aan enig ander verweer heeft [appellant] waar het gaat om de betalingen van [geïntimeerde] die [appellant] zakelijk heeft aangewend, naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd betwist dat sprake was van een geldlening, waarmee de stelling van [geïntimeerde] dat zij hem dit geld heeft geleend is komen vast te staan.

(ad 3) [appellant] hoeft [geïntimeerde] de door haar in januari 2018 aan hem betaalde € 2.500,- en de door [geïntimeerde] betaalde kosten van Alpha advocaten van € 2.000,- niet aan [geïntimeerde] terug te betalen

5.17.

[geïntimeerde] heeft in het midden gelaten waarvoor de door haar op verschillende momenten in januari 2018 verstrekte € 2.500,- is aangewend. Uit de omstandigheid dat [geïntimeerde] bij de door het hof onder categorie 2 verzamelde posten heeft toegelicht dat het uitgaven van de onderneming van [appellant] betrof, leidt het hof af dat het hier om privébestedingen van [appellant] gaat. Vaststaat ook dat [appellant] voor een privékwestie zich heeft voorzien van de bijstand van een advocaat van Alpha advocaten. Ten aanzien van deze bedragen is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] haar stelling dat het leningen zijn onvoldoende heeft onderbouwd. Het lag, gelet op de betwisting daarvan door [appellant] , op de weg van [geïntimeerde] om haar stelling dat sprake is van leningen nader en toereikend te onderbouwen. [geïntimeerde] heeft dat nagelaten. De door haar in het geding gebrachte verklaringen zien niet specifiek op deze bedragen. De verklaringen van derden dat [appellant] van haar geld heeft geleend, kunnen net zo goed op de vorige categorieën zien. Dat [appellant] eerder geldleningen terug heeft betaald is onvoldoende om daar op te baseren dat ook de bedragen van € 2.500,- en € 2.000,- op basis van een geldlening zijn verstrekt. Het hof wijst daarom de vordering van [geïntimeerde] in zoverre af.

conclusie geldleningen: [appellant] moet [geïntimeerde] € 6.736,- terugbetalen

5.18.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het in (incidenteel hoger beroep) door [geïntimeerde] aangevoerde bezwaar (grief I) tegen de afwijzing van terugbetaling van het door haar aan [appellant] geleende geld deels slaagt. [appellant] aan [geïntimeerde] moet terugbetalen:

- de door [geïntimeerde] betaalde € 4.041,- aan betaling van de door Alliander opgelegde boete, en:

- de door [geïntimeerde] (in totaal) betaalde € 2.695,- die [appellant] zakelijk heeft aangewend.

Daarmee moet [appellant] € 6.736,- aan [geïntimeerde] terugbetalen. [appellant] heeft niet betwist dat de vordering opeisbaar is. De vordering van [geïntimeerde] in (incidenteel) hoger beroep die strekt tot terugbetaling van door haar aan [appellant] verstrekte geldleningen zal dus tot een bedrag van € 6.736,- worden toegewezen.

[geïntimeerde] heeft een retentierecht op de in het bedrijfspand achtergelaten eigendommen van [appellant]

5.19.

Uit rechtsoverweging 5.9. volgt dat [geïntimeerde] een opeisbare vordering heeft op [appellant] op grond van een tussen hen bestaand hebbende huurovereenkomst. Tussen deze vordering en de op [geïntimeerde] rustende verplichting om de eigendommen van [appellant] af te geven bestaat naar het oordeel van het hof voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen. Voor haar vordering tot betaling van de achterstallige huur en voor de kosten die gemaakt worden om voor de zaak te zorgen (de opslagkosten), heeft [geïntimeerde] terecht een beroep op een retentierecht gedaan op de eigendommen van [appellant] die in het bedrijfspand waren achtergebleven. De kantonrechter heeft daarom op juiste gronden de vordering van [appellant] tot afgifte afgewezen. Het derde door [appellant] aangevoerde bezwaar (grief III) gaat daarom niet op.

5.20.

[geïntimeerde] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd waarop kan worden gebaseerd dat die samenhang er ook is met haar vorderingen op grond van de geldleningen.

[geïntimeerde] heeft voor haar vorderingen op grond van de geldleningen dus geen retentierecht op de eigendommen van [appellant] die in de bewaakte opslag liggen.

[geïntimeerde] komt vergoeding toe van de kosten voor het inventariseren, fotograferen en vervoer naar de opslagruimte

5.21.

[appellant] maakt bezwaar tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij deze kosten moet betalen omdat [geïntimeerde] volgens hem geen geldvordering op hem heeft. Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat [geïntimeerde] wel een geldvordering op [appellant] heeft. Daarmee strandt dit door [appellant] opgeworpen bezwaar (grief IV deels). De kosten voor het inventariseren, fotograferen en vervoer naar de opslagruimte van € 2.400,- komen daarom voor vergoeding in aanmerking.

[geïntimeerde] komt vergoeding van de kosten van de opslag toe over de periode 15 september 2019 tot en met juli 2021 en voor elke daarop volgende maand tot en met drie maanden na de datum van dit arrest

5.22.

[geïntimeerde] stelt dat zij genoodzaakt was de eigendommen die [appellant] in het bedrijfspand had achtergelaten, waarop zij een retentie recht had, uit het bedrijfspand te verwijderen. [geïntimeerde] heeft het bedrijfspand vanaf 15 september 2019 opnieuw verhuurd. Op juiste gronden heeft de kantonrechter dan ook geoordeeld dat [geïntimeerde] genoodzaakt was om tot opslag van de eigendommen van [appellant] over te gaan.

5.23.

[geïntimeerde] vordert in hoger beroep een vergoeding van de opslagkosten vanaf juni 2019. [geïntimeerde] heeft (ook) in hoger beroep geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat eerder dan de nieuwe huurovereenkomst inging een bewaakte opslag voor de eigendommen van [appellant] nodig was. [geïntimeerde] heeft daarom in redelijkheid geen recht op vergoeding van de kosten voor de periode juni 2019-15 september 2019. [geïntimeerde] heeft haar stelling dat een agressieve en intimiderende houding haar noopte om de eigendommen van [appellant] vanaf juni 2019 op te slaan onvoldoende onderbouwd. [geïntimeerde] baseert haar stelling op één incident op 12 april 2019, waar zij de politie bij heeft geroepen. Op die dag was [appellant] in het bedrijfspand om zijn eigendommen op te halen. [appellant] is vertrokken met medeneming van de contactsleutels en kentekenbewijzen van de motoren, waarover hierna meer. [geïntimeerde] heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [appellant] zich daarna nog zodanig heeft gedragen dat er, zoals [geïntimeerde] stelt, eerder dan met ingang van 15 september 2019 een noodzaak was zijn eigendommen uit het bedrijfspand te verplaatsen. Grief II van [geïntimeerde] slaagt daarom niet.

5.24.

Wat betreft de aanvullend gevorderde opslagkosten, ziet het hof aanleiding om deze toe te wijzen, zij het beperkt tot drie maanden na dit arrest. In dit stadium kan immers niet worden beoordeeld of [geïntimeerde] , in redelijkheid, dan nog recht heeft op vergoeding van de kosten van de opslag.

5.25.

Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] een vergoeding toekomt voor huur van de opslag voor de periode 15 september 2019 t/m september 2021. Voor de periode t/m november 2019 vordert [geïntimeerde] de huur inclusief btw (€ 635,25 per maand) en voor de periode daarna exclusief btw (€ 525,- per maand). Nu daartegen geen verweer is gevoerd, zal het hof de vordering zo toewijzen. Dit betekent dat [geïntimeerde] voor de periode 15 september 2019 t/m november 2019 € 1.588,13 (2,5 x € 635,25) toekomt en dat [geïntimeerde] voor de periode december 2019 t/m september 2021 € 11.550,- (22 maanden x € 525,-) toekomt en € 525,- voor elke daaropvolgende maand tot en met drie maanden na dit arrest.

[appellant] moet [geïntimeerde] de contactsleutels en kentekens van de motoren teruggeven

5.26.

[geïntimeerde] stelt dat [appellant] de contactsleutels en kentekens van de motoren heeft meegenomen terwijl zij al een retentierecht op de motoren uitoefende. [geïntimeerde] onderbouwt haar stelling met een rapport van [naam10] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland. In zijn rapport bevestigt de brigadier dat hij op 12 april 2019 bij het bedrijfspand was toen [appellant] zijn eigendommen uit het bedrijfspand wilde halen, maar [geïntimeerde] die niet mee wilde geven vanwege achterstallige huur. Dat het zo is gegaan, heeft [appellant] niet weersproken.

5.27.

[appellant] heeft de door [geïntimeerde] gestelde gang van zaken niet gemotiveerd weersproken. Met het wegnemen van de contactsleutels en de kentekens heeft [appellant] het retentierecht van [geïntimeerde] en het eventuele verhaal op de onder het retentierecht vallende motoren gefrustreerd. Het hof acht daarmee aannemelijk dat [geïntimeerde] recht en belang heeft weer te beschikken over de contactsleutels en de kentekenpapieren van de motoren. Het hof zal de vordering toewijzen.

6 De slotsom in het principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.

De grieven van [appellant] in principaal hoger beroep falen. De grieven van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep slagen deels. De vordering van [geïntimeerde] in hoger beroep wordt grotendeels toegewezen. Om doelmatigheidsredenen zal het bestreden vonnis van de kantonrechter worden vernietigd voor zover het de betaling van € 14.338,50 betreft.

6.2.

Het hof zal de vordering van [geïntimeerde] tot € 33.314,77 toewijzen, zijnde:

  1. € 10.164,- aan achterstallige huur,

  2. € 876,64 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (hiertegen is niet gegriefd),

  3. € 6.736,- aan geldlening,

  4. € 2.400,- aan kosten voor het inventariseren, fotograferen en vervoer,

  5. € 1.588,13 (2,5 x € 635,25) voor de huur van de opslag voor de periode september 2019 t/m november 2019,

  6. € 11.550,- (22 maanden x € 525,-) voor de huur van de opslag voor de periode december 2019 t/m september 2021.

6.3.

[geïntimeerde] heeft niet gegriefd over de afwijzing van de gevorderde wettelijke handelsrente wat betreft de huur en maakt ook overigens geen aanspraak meer op die handelsrente, gezien de vorderingen in hoger beroep. In hoger beroep vordert [geïntimeerde] wettelijke rente over de posten a t/m f vanaf 5 juli 2019 (de datum van de dagvaarding in eerste aanleg). [appellant] heeft niet gegriefd tegen de door de kantonrechter over de in eerste aanleg toegewezen hoofdsom vanaf 5 juli 2019 toegewezen wettelijke rente. [appellant] heeft ook geen verweer gevoerd tegen de door [geïntimeerde] in hoger beroep gevorderde wettelijke rente. Het hof zal de over de posten a t/m d (van in totaal € 20.176,64) vanaf 5 juli 2019 gevorderde wettelijke rente over daarom vanaf 5 juli 2019 toewijzen. Over de posten e en f (van in totaal € 13.138,13) zal het hof de wettelijke rente per datum arrest toewijzen. De wettelijke rente over de posten e en f kan niet zijn ingegaan op 5 juli 2019 omdat de opslagkosten lopen vanaf september 2019.

6.4.

Het hof zal de vordering van [geïntimeerde] van € 525,- (excl. btw) aan huur van de opslagruimte voor elke op september 2021 volgende maand tot en met drie maanden na de datum van dit arrest toewijzen. De daarover door [geïntimeerde] vanaf 5 juli 2019 gevorderde wettelijke rente wijst het hof af omdat [appellant] met de betaling daarvan niet in verzuim kan zijn.

6.5.

Het hof zal [appellant] veroordelen de contactsleutels en kentekenbewijzen van de motoren af te geven.

6.6.

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep worden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op:

- griffierecht € 760,-

- salaris advocaat € 2.228,- (2 punten x tarief II à € 1.114,- per punt).

De kosten voor de procedure in incidenteel hoger beroep worden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 721,- (0,5 punt x tarief III à € 1.442,- per punt).

6.7.

Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Midden-Nederland, locatie Lelystad van 24 december 2019, behoudens het bepaalde in rov. 3.5 tot en met 3.7

en doet opnieuw recht;

veroordeelt [appellant] om tegen bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] € 33.314,77 te betalen vermeerderd met de wettelijke rente over € 20.176,64 vanaf 5 juli 2019 tot de dag van algehele voldoening en vermeerderd met de wettelijke rente over € 13.138,13 vanaf de datum van dit arrest tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [appellant] om [geïntimeerde] tegen bewijs van kwijting € 525,- (excl. btw) aan huur van de opslagruimte te betalen voor elke op september 2021 volgende maand tot en met drie maanden na de datum van dit arrest;

veroordeelt [appellant] om de contactsleutels en kentekenbewijzen van de motorfiets Suzuki GSX 1400 met kenteken [kenteken1] en de motorfiets Kawasaki Versys 650 met kenteken [kenteken2] aan [geïntimeerde] af te geven;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 760,- aan verschotten en op € 2.228,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 721,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 163,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- en de explootkosten van betekening van de uitspraak in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.H. de Witte, J. Smit en M. Willemse en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 september 2021.