Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8472

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
200.270.395/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgplicht verzekeringstussenpersoon; waarschuwingsplicht bij gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verzekerde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.270.395/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 6948545)

arrest van 7 september 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna: [appellant],

bij de rechtbank; gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

eiser in het incident,

advocaat: mr. M.H. van Daal, die kantoor houdt te Zwolle,

tegen

De Graaf van Vilsteren B.V., Makelaars en Taxateurs,

gevestigd te Zwolle,

geïntimeerde,

bij de rechtbank: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

verweerster in het incident,

hierna: De Graaf van Vilsteren,

advocaat: mr. M.J.R. Maas, die kantoor houdt te Deventer.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 4 februari 2020 heeft op 25 augustus 2021 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1

In deze procedure vordert De Graaf van Vilsteren premies die zij als assurantietussenpersoon voor [appellant] heeft betaald. [appellant] verweert zich daar tegen en maakt De Graaf van Vilsteren het verwijt dat die partij is tekortgeschoten in de zorgplicht die op De Graaf van Vilsteren als tussenpersoon rustte. Dit geschil heeft de volgende achtergrond.

2.2

[appellant] heeft in het verleden via De Graaf van Vilsteren een aantal verzekeringen afgesloten. De Graaf van Vilsteren droeg de premies aan de verzekeraars af en bracht die bij [appellant] in rekening. Door een administratieve fout heeft De Graaf van Vilsteren de premies echter jarenlang niet geïncasseerd bij [appellant] en hem evenmin herinneringen gestuurd. Toen zij daar achter kwam, heeft zij hem verzocht alsnog de openstaande facturen te voldoen. De premies, uitgezonderd de pensioenverzekering, waren intussen door De Graaf van Vilsteren wel aan de verzekeringsmaatschappijen betaald. De facturen voor de pensioenverzekering werden door de verzekeraar direct naar (het bedrijf van) [appellant] verstuurd.

2.3

Op 23 april 2018 heeft de gemachtigde van De Graaf van Vilsteren geschreven dat haar client in verband met voorgeschoten verzekeringspremies een opeisbare vordering had van in totaal € 22.695,87 (facturen met factuurdata in de periode 3 december 2007 tot en met 14 december 2016).

2.4

Bij de kantonrechter heeft De Graaf van Vilsteren gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van dat bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente, en met veroordeling van [appellant] in de proces- en nakosten, ook met wettelijke rente. [appellant] heeft daar eigen vorderingen tegenover gesteld: (a) een verklaring ‘voor recht’ dat De Graaf van Vilsteren haar zorgplicht tegenover hem heeft geschonden door in september 2010 geen contact te zoeken om de persoonlijke situatie van [appellant] te bespreken en zijn verzekeringsportefeuille af te stemmen op zijn persoonlijke situatie, en (b) veroordeling van De Graaf van Vilsteren tot vergoeding van schade, proces- en nakosten en wettelijke rente. Daarnaast heeft hij in een zogenoemd incident gevorderd De Graaf van Vilsteren te bevelen bescheiden aan hem af te geven met betrekking tot verzekeringen waarbij hij als verzekeringsnemer is betrokken.

2.5

De kantonrechter heeft de vorderingen van De Graaf van Vilsteren tot een bedrag van € 12.856,21 toegewezen (met rente en kosten) en die van [appellant] afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de vorderingen van De Graaf van Vilsteren alsnog geheel worden afgewezen en dat zijn eigen, gewijzigde vorderingen in de hoofdzaak worden toegewezen. Hij vraagt niet uitdrukkelijk om afgifte van bescheiden (het incident), maar heeft wel een bezwaar geformuleerd tegen de afwijzing van deze vordering. Het hof zal daar om die reden nog wel kort op ingaan.

3 Het oordeel van het hof

De opzet en uitkomst van deze uitspraak

3.1

Het hof zal de bezwaren (grieven) van [appellant] tegen het vonnis van de kantonrechter hierna per onderwerp en met tussenkopjes bespreken. De conclusie zal zijn dat het vonnis moet worden bekrachtigd. De beslissingen van de kantonrechter op de diverse vorderingen blijven dus in stand.

Eerst een processueel punt: de eiswijziging

3.2

Anders dan bij de kantonrechter, heeft [appellant] in dit hoger beroep zijn schade voor een deel begroot. Hij vordert nu, naast de al gevraagde verklaring voor recht, veroordeling van De Graaf van Vilsteren tot betaling van de volgende schade, die hij zegt te hebben geleden als gevolg van de door De Graaf van Vilsteren geschonden zorgplicht:

  • -

    de opstalverzekering: € 1.837,63;

  • -

    de ziektekostenverzekering: € 7.722,72;

  • -

    de aansprakelijkheidsverzekering (avp): € 458,87;

  • -

    de doorlopende reisverzekering: € 1.042,37;

  • -

    de bootverzekering: € 1.794,62;

  • -

    een pensioenverzekering: een voorschot van € 25.000,-, voor het overige op te maken bij staat.

3.3

Tegen deze eiswijziging is geen bezwaar gemaakt en het hof constateert ook geen strijd met enige procesrechtelijke regel. De wijziging wordt daarom toegelaten. Zoals al gezegd, baat dat [appellant] niet. Het hof licht dat hierna toe.

Er is geen sprake van schending van enige zorgplicht ten aanzien van de doorlopende verzekeringen: de ziektekostenverzekering, pleziervaartuigverzekering, de avp, de doorlopende reisverzekering en de opstalverzekering

3.4

Naar het hof begrijpt, heeft de kantonrechter in de ogen van [appellant] met name miskend dat De Graaf van Vilsteren schade heeft veroorzaakt. Die schade is volgens hem zelfs hoger dan de premies die hij nog aan De Graaf van Vilsteren moet betalen. Voor zover het de bedoeling van [appellant] is ook te bestrijden dat hij de in rekening gebrachte premies moet betalen (onderdeel 4.9.1, laatste volzin van de memorie van grieven lijkt daarop te wijzen), stelt het hof vast dat [appellant] aan dat verweer geen onderbouwing heeft gegeven.

3.5

Ter onderbouwing van zijn schadevorderingen voert [appellant] aan dat De Graaf van Vilsteren al in 2010 bekend was met zijn echtscheiding en het faillissement van zijn onderneming (Boxford Holland BV) en daarom in die periode contact met hem had moeten opnemen om te bespreken of de doorlopende verzekeringen aangepast moesten worden. De ziektekostenverzekering zou dan zijn gewijzigd naar een verzekering met een lagere premie. Omdat zijn boot op 3 juni 2009 is verkocht, zou de pleziervaartuigverzekering die daarop was afgesloten dan zijn opgezegd. Dat zou volgens [appellant] ook zijn gebeurd met de reis/annuleringsverzekering en avp (een aansprakelijkheidsverzekering voor zijn kinderen). Vanwege de tekortschietende zorgplicht van De Graaf van Vilsteren is die partij in de ogen van [appellant] aansprakelijk voor de schade die hij zegt te hebben geleden doordat hierover geen gesprekken met hem zijn gevoerd.

3.6

Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter dit standpunt op goede gronden verworpen. In hoger beroep is niets aangevoerd dat daar verandering in kan brengen. Het navolgende is dan ook in wezen een herhaling van wat de kantonrechter al heeft overwogen.

3.7

In beginsel heeft de assurantietussenpersoon de taak de verzekerde opmerkzaam te maken op de gevolgen voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen als hem feiten bekend zijn geworden of bekend behoorden te zijn die daarop van invloed kunnen zijn. Dat zal met name van belang zijn bij gewijzigde omstandigheden die tot gevolg hebben dat schades die voorheen verzekerd waren niet langer of in mindere mate voor vergoeding in aanmerking komen. Een echtscheiding of bedrijfsfaillissement heeft echter geen invloed op de dekkingsgraad van de genoemde particuliere verzekeringen en hoeft op zichzelf ook geen aanleiding te zijn tot aanpassing daarvan. Immers: (i) een opstalverzekering wordt veelal door de hypotheeknemer voorgeschreven. Er zal dan geen reden zijn die te beëindigen zolang de opstal niet is verkocht, (ii) de ziektekostenverzekering is wettelijk verplicht. Wijziging in de persoonlijke omstandigheden hebben niet zonder meer effect op het gekozen verzekeringspakket, en het staat de verzekerde vrij jaarlijks over te stappen of een ander pakket te kiezen. Bovendien (iii) is een reis/annulerings- en avp-verzekering gangbaar. In dit geval was de avp bovendien ten behoeve van de kinderen van [appellant] afgesloten. Mededelingen over de verkoop van de boot ten slotte (iv), zijn aan De Graaf van Vilsteren indertijd niet gedaan, en een assurantietussenpersoon mag ervan uitgaan dat de eigenaar van een verzekerde boot bij de verkoop daarvan zelf bedenkt dat de verzekering kan worden opgezegd.

3.8

Een assurantietussenpersoon die in algemene zin van gewijzigde persoonlijke omstandigheden van een verzekeringsnemer kennis neemt – zoals een echtscheiding of zakelijke problemen - hoeft dan ook niet enkel en uitsluitend op grond daarvan in contact te treden met deze verzekeringsnemer. Dat zou anders kunnen zijn als afspraken zijn gemaakt om de verzekeringsportefeuille regelmatig door te nemen, maar [appellant] zegt zelf dat hij zich niet kan herinneren dat dergelijke afspraken zijn gemaakt. Voor zover veranderingen in het leven van de verzekeringsnemer voor hemzelf wel aanleiding zijn tot aanpassing van het verzekerde pakket of het stellen van vragen daarover, ligt het op zijn weg om daarover contact op te nemen met zijn assurantietussenpersoon.

3.9

[appellant] heeft niets aangevoerd dat dwingt tot afwijking van dit uitgangspunt. Het enkele feit dat hij jarenlang geen premienota’s ontving, is daarvoor niet voldoende. Onbestreden is bovendien dat zijn toenmalige echtgenote de verzekeringsportefeuille beheerde en daarover contact heeft opgenomen met De Graaf van Vilsteren toen haar echtscheiding met [appellant] aan de orde was. Die scheiding en de gevolgen daarvan zijn toen dus wel besproken met deze contactpersoon. Dat heeft ertoe geleid dat de verzekering van de woning werd beëindigd vanaf het moment dat deze op 1 november 2015 werd verkocht en dat [appellant] niet langer de ziektekostenpremie voor zijn kinderen en ex-echtgenote hoefde te betalen. De zorgplicht van De Graaf van Vilsteren gaat niet zo ver dat dit aanleiding had moeten zijn om bij [appellant] te controleren of de voor hem afgesloten ziektekostenverzekering, avp, doorlopende reisverzekering en bootverzekering aangepast zouden moeten worden.

3.10

Omdat De Graaf van Vilsteren niet in haar zorgplicht is tekortgeschoten, hoeft de vraag of [appellant] schade heeft geleden niet inhoudelijk te worden beantwoord. Het hof volstaat met de constatering dat de schade per individuele post gemotiveerd is bestreden en wijst er wat de reis/annuleringsverzekering nog op dat [appellant] zelf aanvoert dat hij in de relevante periode veel in het buitenland was. Voor alle schadeposten geldt dat geen bewijs is aangeboden van de stelling dat enige wijziging in het verzekeringspakket zou zijn doorgevoerd als De Graaf van Vilsteren daarover met [appellant] in gesprek zou zijn gegaan. Aannemelijk is dat ook geenszins. Ambtshalve ziet het hof daarom geen aanleiding tot het geven van een bewijsopdracht. Dat betekent dat de schade hoe dan ook niet zou kunnen komen vast te staan.

Er is ook geen sprake van schending van enige zorgplicht ten aanzien van de pensioenverzekering

3.11

Tussen partijen is afzonderlijk gediscussieerd over een pensioenpolis. Daarop is de vordering van De Graaf van Vilsteren niet gebaseerd, maar [appellant] voert wel aan dat zij ook ten aanzien van die verzekering in haar zorgplicht is tekortgeschoten, en dat hij daardoor schade heeft geleden.

3.12

De kantonrechter heeft op dit punt overwogen dat [appellant] niet de verzekeringsnemer was, maar het bedrijf waarvan hij statutair directeur was, Boxford Holland BV. Dat is in overeenstemming met een door [appellant] zelf overgelegde e-mail van Nationale Nederlanden van 24 januari 20191 en het door hem in zijn akte van
12 februari 2019 onder 3.3.7 ingenomen standpunt.

3.13

In dit hoger beroep voert [appellant] echter aan dat hij persoonlijk wel degelijk (ook) de verzekeringsnemer was, ook al betaalde zijn BV de premie. Aan die premiebetaling kwam een einde toen de vennootschap in 2009 failleerde. Daarna is de verzekering premievrij gemaakt. Als [appellant] zou komen te overlijden, waren zijn (ex)partner en zijn kinderen volgens hem daarna niet meer verzekerd van een inkomen. Voor De Graaf van Vilsteren had dat in zijn ogen aanleiding moeten zijn hem te informeren of te adviseren - meer specifiek over de vraag of [appellant] de premie voortaan zelf of door een andere werkgever wilde (laten) betalen. Dat heeft zij echter nagelaten, zoals zij ook heeft nagelaten [appellant] in 2007 en 2008 te informeren over de gevolgen van de Pensioenwet die op enig moment in werking is getreden. Hij vordert de schade die hij als gevolg van deze schending van de zorgplicht van De Graaf van Vilsteren zegt te hebben geleden.

3.14

Ook deze verwijten aan het adres van De Graaf van Vilsteren zijn ongefundeerd. Onbestreden is namelijk dat de pensioenverzekering in 2002 is afgesloten na een adviestraject van ongeveer een jaar dat door De Graaf van Vilsteren is begeleid. Daarna bestond echter een direct contact met Nationale Nederlanden, die ook de premies incasseerde. Toen Boxford Holland B.V. in 2007 stopte met het betalen van de pensioenpremie (en in januari 2009 failleerde) heeft Nationale Nederlanden uiteindelijk, na vergeefse incassopogingen aan het adres van Boxford Holland B.V. (ook al voordat die vennootschap failleerde), de pensioenverzekering van [appellant] met ingang van 1 juli 2007 premievrij gemaakt. Het polisblad waaruit dat blijkt, is naar het nieuwe bedrijf van [appellant] gestuurd. Deze verzekering werd daarna slapend voortgezet. De dekking, ook bij overlijden van [appellant] , bleef gehandhaafd op basis van de tot 2007 opgebouwde waarde. Al deze tijd verliep het contact hierover direct tussen [appellant] en Nationale Nederlanden. De Graaf van Vilsteren stond daar buiten. Naar het oordeel van het hof kan in die omstandigheden aan haar niet het verwijt worden gemaakt dat zij geen contact met [appellant] heeft opgenomen.

3.15

Aan de inhoudelijke beoordeling van de vraag of [appellant] hierdoor schade heeft geleden, komt het hof opnieuw niet toe. Ook deze schade is gemotiveerd bestreden en er is van de vereiste causale keten geen bewijs aangedragen. Meer specifiek is geen bewijs aangeboden van de stelling dat [appellant] zelf de premies zou zijn blijven betalen (of op een andere manier voor betaling had gezorgd) als De Graaf van Vilsteren met hem in gesprek zou zijn gegaan over de consequenties van het premievrij maken van deze verzekering. Het is ook niet aannemelijk dat hij daartoe de mogelijkheid had, omdat hij in diezelfde periode naar eigen zeggen uit geldnood zijn boot heeft moeten verkopen. Bewijsvoering kan om deze redenen niet aan de orde zijn.

3.16

Dat (in welke zin) schade kan zijn voortgevloeid uit het feit dat [appellant] niet over de wijziging van de wettelijke pensioenregels is voorgelicht, is in het geheel niet onderbouwd.

De incassokosten

3.17

Het verweer tegen de gevorderde incassokosten is ‘primair’ gebaseerd op het verweer tegen de gevorderde premie. Omdat die laatste vordering terecht is toegewezen, kan dat verweer geen doel treffen. ‘Subsidiair’ heeft [appellant] aangevoerd dat een zorgvuldig handelend tussenpersoon onder de gegeven omstandigheden eerst met hem in gesprek was gegaan. Door dat te weigeren en direct een advocaat in te schakelen, zijn volgens [appellant] kosten gemaakt die waarschijnlijk vermeden hadden kunnen worden. Dat laatste kan het hof zonder nadere onderbouwing niet volgen, nu de verschuldigdheid van de premies nog steeds in volle omvang wordt bestreden.

Het incident

3.18

[appellant] heeft tussen de regels door ook nog gevorderd dat De Graaf van Vilsteren wordt bevolen alle bescheiden die zij in haar bezit heeft af te geven die betrekking hebben op verzekeringen waarbij [appellant] is betrokken. Net als de kantonrechter is het hof van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een in rechte te respecteren belang heeft bij afgifte van de door hem genoemde stukken.

De conclusie

3.19

Het hof zal hierna het bestreden vonnis bekrachtigen. [appellant] zal ook in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van De Graaf van Vilsteren worden veroordeeld (tariefgroep III, 2 punten).

4 De beslissing

Het hof:

1. bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter Overijssel in Zwolle van 11 juni 2019;

2. veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep. Tot nu toe worden die aan de kant van De Graaf van Vilsteren vastgesteld op

  • -

    € 2.020,- aan procedurele kosten (verschotten) en

  • -

    € 2.884,- aan salaris;

3. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, R.E. Weening en J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
dinsdag 7 september 2021.

1 Productie 10 bij akte van 12 februari 2019.