Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8445

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
200.296.914
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klare taal. Verlenging machtiging uithuisplaatsing. Beschikking rechtbank bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.296.914

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 519404)

beschikking van 7 september 2021

in het hoger beroep van:

[verzoekster] ,

woonplaats: [woonplaats1] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.T.M. Sengers in Rotterdam.

en

de gecertificeerde instelling

Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

vestigingsplaats: Bussum,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

Als informant is aangemerkt:

[de vader] ,

woonplaats: [woonplaats2] ,

hierna te noemen: de vader.

1 Onderwerp

Het gaat in deze zaak om de (verlenging van de) uithuisplaatsing van:

- [de minderjarige] , geboren [in] 2020 in [woonplaats2] .

2 Belangrijke informatie

2.1

Alleen de moeder heeft het gezag over [de minderjarige] . Dat betekent dat de moeder belangrijke beslissingen over [de minderjarige] kan nemen. De vader heeft [de minderjarige] erkend.

2.2

[de minderjarige] is op 22 januari 2021 voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 22 april 2021. Op diezelfde datum is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een crisispleeggezin verleend, voor de duur van twee weken. Voor het overige is de beslissing op het verzoek van de raad voor de kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) aangehouden. Bij beschikking van 2 februari 2021 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een crisispleeggezin verleend met ingang van 2 februari 2021 tot 2 maart 2021.

2.3

[de minderjarige] is op 22 januari 2021 in een crisispleeggezin geplaatst. Op 11 februari 2021 is [de minderjarige] (terug)geplaatst bij de moeder in het moeder-kind huis ‘ [naam1] ’ van het Leger des Heils te [woonplaats1] .

2.4

Bij beschikking van 19 maart 2021 heeft de kinderrechter een machtiging tot spoeduithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin verleend voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

2.5

[de minderjarige] verblijft sinds 19 maart 2021 in een pleeggezin.

2.6

Bij beschikking van 19 april 2021 (de bestreden beschikking) heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, [de minderjarige] op verzoek van de raad onder toezicht van GI gesteld met ingang van 19 april 2021 tot 19 april 2022 (zaaknummer 519547).

3 De beslissing van de kinderrechter

3.1

Bij dezelfde beschikking van 19 april 2021 heeft de kinderrechter op verzoek van de GI ook een beslissing genomen over de uithuisplaatsing van [de minderjarige] .

3.2

De kinderrechter heeft beslist dat [de minderjarige] in het pleeggezin moet blijven wonen, van 22 april 2021 tot 22 oktober 2021.

4 Het hoger beroep

De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over de uithuisplaatsing. Zij is daartegen in hoger beroep gegaan. Zij vindt dat het hof het verzoek van de GI om [de minderjarige] tot 22 oktober 2021 uit huis geplaatst te houden, moet afwijzen.

5 De rechtszaak bij het hof

5.1

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

- het beroepschrift van 2 juli 2021 met bijlagen;

- een e-mail van mr. Sengers van 9 augustus 2021 met het plan van aanpak van de GI van
2 februari 2021.

5.2

De zitting bij het hof was op 10 augustus 2021.

Aanwezig waren:

- de moeder met haar advocaat;

- de vader;

- [naam2] voor de GI (via een Skype-verbinding);

- [naam3] voor de raad.

6. De redenen voor de beslissing

6.1

De kinderrechter kan een kind uit huis plaatsen als dit voor de verzorging en opvoeding van een kind noodzakelijk is (artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek, verder: BW). De kinderrechter kan de uithuisplaatsing verlengen (artikel 1:265c lid 2 BW) als de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind.

6.2

De moeder vindt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet langer noodzakelijk is. Zij wil laten zien dat ze zelf voor [de minderjarige] kan zorgen.

De GI en de raad vinden dat de kinderrechter een goede beslissing heeft genomen, omdat er nog steeds redenen aanwezig zijn voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] .

6.3

Op de zitting heeft de gezinsvoogd verteld hoe de afgelopen maanden zijn verlopen. Volgens de gezinsvoogd gaat het nu beter met [de minderjarige] en met de moeder dan eerder. Er zijn positieve ontwikkelingen. De gezinsvoogd vindt op dit moment de uithuisplaatsing nog wel nodig, omdat de positieve ontwikkelingen nog pril zijn. In mei 2021 is een beoordelingsboog afgenomen en daarin zijn veel aandachtspunten naar voren gekomen. Met deze aandachtspunten zijn doelen opgesteld. De moeder is op een goede manier aan de slag gegaan met de doelen. De gezingsvoogd wil met de moeder kijken of [de minderjarige] op den duur weer bij haar kan worden teruggeplaatst, maar voor een terugplaatsing is het nu nog te vroeg.

6.4

Het hof is het eens met de beslissing die de kinderrechter op 19 april 2021 over de uithuisplaatsing van [de minderjarige] heeft genomen. Het hof zal dit uitleggen.

6.5

[de minderjarige] is een baby en heel kwetsbaar. Zij heeft al veel meegemaakt in haar jonge leven. De situatie van [de minderjarige] was zorgelijk toen zij in een korte tijd twee keer uit huis werd geplaatst. [de minderjarige] huilde veel en had stress. De moeder kon hier niet goed mee omgaan en was onvoorspelbaar in haar gedrag. Zij kon niet aansluiten bij de behoeften van [de minderjarige] en daarop op een goede manier reageren. Zij kon [de minderjarige] niet bieden wat zij als hele jonge baby nodig had en er ontstonden voor [de minderjarige] gevaarlijke situaties. Daardoor werd haar gezondheid en haar ontwikkeling bedreigd. De moeder luisterde niet naar adviezen van mensen die verstand hadden van de verzorging en opvoeding van een jonge baby.

6.6

Bij de moeder waren zorgen over haar middelengebruik. Inmiddels erkent de moeder haar problematiek en heeft zij hulpverlening voor zichzelf geaccepteerd. De moeder volgt nu de aanwijzingen van de hulpverlening en de gezinsvoogd op. Het contact tussen de moeder en de gezinsvoogd is goed. De moeder is stabieler en meer voorspelbaar geworden voor [de minderjarige] .

6.7

De moeder is van ver gekomen. Ze laat nu zien dat ze bereid is aan zichzelf te werken. Het hof ziet dat de moeder belangrijke -eerste- stappen heeft gezet om haar eigen leven onder controle te krijgen. Deze ontwikkeling is er sinds kort. Er is nu nog te weinig zicht op of de moeder de stappen kan blijven maken die nodig zijn om [de minderjarige] weer bij haar te kunnen laten wonen. Bij verslavingsproblematiek is een groot risico aanwezig op een terugval en de moeder heeft eerder een terugval gehad.

Het is van belang dat de positieve ontwikkelingen worden doorgezet. Daarvoor is het nodig dat de moeder blijft samenwerken met de GI en de hulp die nodig is blijft accepteren. De moeder moet ook haar afspraken blijven nakomen. De moeder raakte in het verleden ontregeld door de (relatie met de) vader. De relatie tussen de ouders is op dit moment verbroken. Het hof heeft bij de mondelinge behandeling in hoger beroep geconstateerd dat beide ouders zich betrokken voelen bij [de minderjarige] . Het is voor [de minderjarige] belangrijk dat de ouders op een prettige manier met elkaar omgaan en blijven omgaan. Als hen dat niet lukt, moeten ze daar hulp bij vragen.

6.8

Het hof vindt het ook belangrijk dat er meer zicht komt op de opvoedingsvaardigheden van de moeder. Daarvoor zal eerst de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] moeten worden uitgebreid. Nu ziet de moeder [de minderjarige] één keer in de twee weken ongeveer 45 minuten. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de omgang op korte termijn zal worden uitgebreid naar één keer per week één uur. Als dat goed verloopt, kan het contact volgens de GI verder worden uitgebreid.

6.9

Sinds de uithuisplaatsing gaat het beter met [de minderjarige] . Haar vooruitgang is ook nog pril. Er moet worden bekeken of [de minderjarige] zich positief zal blijven ontwikkelen. Hierbij is het ook van belang om te kijken hoe [de minderjarige] reageert op een uitbreiding van de omgang met de moeder en hoe de hechting tussen [de minderjarige] en de moeder verloopt.

6.10

Gelet op de eigen problematiek van de moeder en de onduidelijkheid over de opvoedingsvaardigheden van de moeder, is het hof van oordeel dat een terugplaatsing bij de moeder nu niet in het belang van [de minderjarige] is. Voor [de minderjarige] is het van belang dat de rust, regelmaat en duidelijkheid die [de minderjarige] in het pleeggezin ervaart gehandhaafd blijft, waardoor de kans dat zij zich positief blijft ontwikkelen toeneemt. Een terugplaatsing naar de moeder op dit moment zal de huidige stabiele en veilige opvoedingssituatie van [de minderjarige] en haar hechtingsrelatie met de pleegouders verstoren. Voordat sprake zal kunnen zijn van een terugplaatsing, moet het voldoende duidelijk zijn dat het goed zal (blijven) gaan met [de minderjarige] bij de moeder en dat [de minderjarige] zich goed hecht aan de moeder. De GI heeft gezegd daarvoor een traject hechten te zullen starten.

6.11

De moeder heeft ook nog gezegd dat zij eerder te weinig kansen heeft gekregen om zelf voor [de minderjarige] te zorgen en dat de uithuisplaatsing daarom niet terecht was. Het hof is het niet met de moeder eens. De moeder heeft na de geboorte van [de minderjarige] genoeg kansen gekregen, maar luisterde toen niet naar de adviezen van de hulpverleners. Zij ging haar eigen gang.

6.12

Kortom, het hof vindt dat de beslissing van de kinderrechter moet blijven gelden. Het hof zal die beslissing daarom bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 april 2021, waarover de moeder een beslissing heeft gevraagd.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, E.B. Knottnerus en R. Feunekes, bijgestaan door mr. A.B. de Wit, griffier. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2021. De beschikking is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. E.B. Knottnerus.