Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8422

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
TBS P21/0194
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt de beslissing waarvan beroep met aanvulling van gronden. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de terbeschikkingstelling wordt verlengd. Het hof wijst in het bijzonder op het advies van de reclassering, waaruit onder meer blijkt dat de terbeschikkinggestelde gebaat is bij een kader waarbinnen geborgenheid en structuur geboden worden. Gezien de stand van zaken met betrekking tot de behandeling acht het hof het prematuur om de verpleging van overheidswege (voorwaardelijk) te beëindigen. De bij de terbeschikkinggestelde geconstateerde ziekte maakt dit niet anders, hoe ernstig en belastend die ook voor hem is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P21/0194

Beslissing d.d. 2 september 2021

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboorteplaats] 1947,

verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) Dr. S. van Mesdagkliniek te Groningen (hierna: de kliniek),

verder te noemen terbeschikkinggestelde,

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 1 juni 2021, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar en afwijzing van het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 2 juni 2021;

- de aanvullende informatie van de Dr. S. van Mesdagkliniek van 9 augustus 2021, met als bijlage de wettelijke aantekeningen vanaf 26 maart 2021 tot en met 2 augustus 2021.

Het hof heeft ter zitting van 19 augustus 2021 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L.M. Ravestijn, advocate te Amsterdam, en de advocaat-generaal mr. V. Smink.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de terbeschikkingstelling moet worden beëindigd, omdat niet voldaan wordt aan de vereisten voor verlenging van de maatregel, nu de veiligheid van anderen, noch de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging vereist. Zij vindt daarvoor onderbouwing in de rapportages voor de toetsing van de maatregel in 2020, de wettelijke aantekeningen van maart 2021 en het verlengingsadvies van de kliniek in maart 2021. Volgens de raadsvrouw kan de maatregel niet vereist zijn als er in dat kader geen behandelmogelijkheden zijn, want dat zou een verkapte gevangenisstraf zijn. Er zijn geen behandelmogelijkheden en van een behandeling is ook geen sprake geweest. Voorts kan een verlenging niet worden toegewezen als een jaar na de vorige toetsing van de maatregel nog geen diagnose is gesteld en geen duidelijke prognose is gegeven over de te verwachten behandelduur. Verder heeft zij betoogd dat de maatregel niet noodzakelijk is in het kader van het verminderen van het gevaar van recidive en de bescherming van de veiligheid van de maatschappij. De veiligheid is niet in het geding, omdat al in de pro justitia- rapportage van februari 2020 is te lezen dat er geen concrete aanwijzing was dat de terbeschikkinggestelde de veiligheid in gevaar zou brengen. Subsidiair heeft de raadsrouw verzocht om de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Een man van de leeftijd van de terbeschikkinggestelde, met zijn achtergrond en zonder reëel vooruitzicht in de terbeschikkingstelling, hoort niet thuis in een tbs-kliniek. Zij heeft daarbij gewezen op de ernstige ziekte die recentelijk bij de terbeschikkinggestelde is geconstateerd en zijn opname in het ziekenhuis voor een andere medische aandoening. De raadsvrouw heeft aangegeven dat gekeken moet worden naar een kader voor beschermd wonen en dat de beslissing hierover niet kan worden uitgesteld tot de eventuele verlengingsprocedure van volgend jaar, aangezien het bieden van perspectief voor de terbeschikkinggestelde van levensbelang is.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank moet worden bevestigd. Er is sprake van een positieve ontwikkeling, maar er is ondanks de ingezette behandeling tot nu toe weinig veranderd in de situatie van de terbeschikkinggestelde. De ingezette route naar meer vrijheden en beschermd wonen verloopt goed en met verdere begeleiding en de inzet van verloven is de terbeschikkinggestelde geholpen. Er is nog geen situatie waarin kan worden toegewerkt naar voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd, met aanvulling van het volgende.

De kliniek heeft in de aanvullende informatie haar verlengingsadvies gehandhaafd en aangegeven dat er is ingezet op een uitgebreid neuropsychologisch en beeldvormend onderzoek. De uitkomsten daarvan zijn van belang voor de invulling van de behandeling, het vervolgtraject en de prognose. De terbeschikkinggestelde heeft echter aangegeven niet te willen meewerken aan het beeldvormend onderzoek. Hij heeft wel meegewerkt aan het neuropsychologisch onderzoek, maar heeft ook aangegeven dit te hebben willen saboteren. Het instroomonderzoek en de delictanalyse zijn de afgelopen periode afgerond. De vastgestelde delictfactoren zijn toegevoegd aan het behandelplan en in de komende periode zullen er behandeldoelen worden gesteld. Gesteld wordt dat de terbeschikkinggestelde moeite blijft hebben met het opbrengen van geduld en met het omgaan met onduidelijkheid. Ook is sprake geweest van een conflict op de afdeling. Desondanks is de terbeschikkinggestelde over het algemeen goed in contact met het behandelteam. Onlangs is de terbeschikkinggestelde overgegaan van fase 2 naar fase 3 van de vrijheden. De vervolgdiagnostiek voortvloeiend uit het neuropsychologisch onderzoek is nog niet afgerond, waardoor nog geen invulling aan de behandeling is gegeven. Tot slot is de verwachting dat in de nog af te nemen risicotaxatie niet lager zal worden gescoord dan de risicotaxatie van 17 december 2020, toen het risico bij beëindiging van de maatregel op hoog is ingeschat.

Gelet op het advies van de kliniek en op hetgeen overigens ter zitting naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de terbeschikkingstelling eist. Uit de stukken blijkt onder meer dat de terbeschikkinggestelde gebaat is bij een kader waarbinnen geborgenheid en structuur geboden worden. Het hof acht het gezien de stand van zaken met betrekking tot de behandeling prematuur om de verpleging van overheidswege (voorwaardelijk) te beëindigen en zal het daartoe strekkende verzoek afwijzen. De bij de terbeschikkinggestelde geconstateerde ziekte maakt dit niet anders, hoe ernstig en belastend die ook voor hem is. Het hof verenigt zich ook op dit punt met de overwegingen van de rechtbank.

Beslissing

Het hof:

Bevestigt met aanvulling van gronden zoals hiervoor is overwogen de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 1 juni 2021 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde] .

Wijst af het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Aldus gedaan door

mr. A.B.A.P.M. Ficq als voorzitter,

mr. M.E. van Wees en mr. E.A.K.G. Ruys als raadsheren,

en drs. R.J.A. van Helvoirt en dr. R.A. Graaff als raden,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Valé als griffier,

en op 2 september 2021 in het openbaar uitgesproken.

Mr. Ruys en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.