Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8395

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
21-001516-20
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2020:869
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek 25TGORudolf. Liquidatie medewerker spyshop Nieuwegein. Veroordeling ter zake van medeplegen van medeplichtigheid tot het medeplegen van moord. PGP-berichten. Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met de inwerkingtreding van de Wet beschermen en straffen van 1 juli 2021.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001516-20

Uitspraak d.d.: 3 september 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 2020 met parketnummer 16-706064-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

thans verblijvende in PI Midden Holland, Gev. De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg, met verbetering van gronden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.A. van der Horst, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij bovengenoemd vonnis is verdachte veroordeeld ter zake van medeplichtigheid in vereniging aan moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met verwijzing naar de burgerlijke rechter.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

[medeverdachte 1] en/of één of meer (andere) onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 9 september 2015 te [plaats 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade [slachtoffer ] (hierna te noemen: [slachtoffer ] ) van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of één of meer (andere) onbekend gebleven perso(o)n(en) met een vuurwapen een aantal kogels in het lichaam van die [slachtoffer ] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer ] is overleden,

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 juli 2015 tot en met 11 augustus 2015 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte 3] en/of een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- post te vatten op een locatie met zicht op de werklocatie van [slachtoffer ] , te weten de Spywebshop gelegen aan de [adres] te [plaats 2] , en/of op een locatie, gelegen langs de route die [slachtoffer ] van zijn werklocatie naar zijn woning en/of vice versa aflegde, en/of

- inlichtingen aangaande:

* de (vermoedelijke) rol van [slachtoffer ] binnen voornoemde Spywebshop, en/of

* de identificatie van [slachtoffer ] als degene die verdachte en/of anderen (door verdachte aangeduid met 'hun' en/of 'de boys') in het verleden zou hebben geholpen en/of spullen aan hen zou hebben verkocht, en/of op hun verzoek een of meer auto's zou hebben ge-sweep't (onderzocht op aanwezigheid van zenders en/of trackers), en/of een of meer van hen daarna (ten overstaan van de politie) zou hebben herkend en/of een of meer van hen zou hebben verraden ('genaaid'), en/of (tegen de politie) zou hebben gepraat en/of (de politie) informatie zou hebben gegeven en/of

* het signalement van [slachtoffer ] en/of

* de werkplek van [slachtoffer ] binnen de Spywebshop, en/of

* overige omstandigheden rondom die [slachtoffer ] , al dan niet via (een) tussenperso(o)n(en) te verschaffen aan die [medeverdachte 1] en/of één of meer (andere) onbekend gebleven perso(o)n(en).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt verdediging

Door de raadsman is ter terechtzitting van het hof primair bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat op grond van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal niet kan worden vastgesteld dat verdachte heeft gehandeld met het voor medeplichtigheid vereiste dubbele opzet op enerzijds de hulpverlening en anderzijds het gronddelict. Evenmin kan worden bewezen dat verdachte een effectieve bijdrage heeft geleverd aan het delict.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verweren van de verdediging moeten worden verworpen. Er is voldoende bewijs om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit te komen, te weten het samen met een ander medeplichtig zijn aan de moord op [slachtoffer ] .

Feiten en omstandigheden

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Overlijden [slachtoffer ] :

Blijkens een proces-verbaal van bevindingen1 kwam op 9 september 2015 omstreeks 18:22 uur bij de politie de melding binnen dat er was geschoten op de [adres] te [plaats 1] . De verbalisanten die omstreeks 18:28 uur ter plaatse kwamen, hebben verklaard dat zij ter hoogte van de [adres] een blauwkleurige Ford Ka aantroffen. De auto stond half op de oprit, met de voorzijde richting de woning. Op de bestuurdersstoel zagen zij een man zitten. De man zat met zijn hoofd voorover gebogen en er kwam bloed uit zijn neus en mond. In het hoofd van de man zaten drie kogelwonden. Uit onderzoek van ambulancemedewerkers bleek dat er geen hartactie meer was. De overleden man betreft [slachtoffer ] , geboren op [geboortedatum] 1956. De gerechtelijke sectie heeft uitgewezen dat [slachtoffer ] is overleden als gevolg van meerdere bij leven opgelopen schotverwondingen.2

Het dossier bevat een verklaring van een toevallige passant die getuige is geweest van het neerschieten van [slachtoffer ] . Deze getuige heeft verklaard3 dat zij op 9 september 2015 op de [adres] langs een kleine blauwe personenauto fietste die bezig was om in te parkeren. Zij zag vervolgens een geheel in het zwart geklede persoon aan komen lopen in de richting van de auto. De persoon had een motorhelm op en hield iets in zijn hand dat op een Maglite zaklamp leek. Toen de persoon het voertuig op ongeveer één meter was genaderd, richtte deze persoon het voorwerp op de bestuurder van de auto. De getuige hoorde drie korte harde knallen en zag vuurflitsen uit het voorwerp komen. Zij zag ook dat de bestuurder van het voertuig in elkaar zakte.

Gelet op de door de getuige beschreven gang van zaken kan niet anders worden geconcludeerd dan dat [slachtoffer ] op 9 september 2015 opzettelijk en met voorbedachten rade om het leven is gebracht.

Betrokkenheid verdachte: e-mailadres [e-mailadres 1]

Verdachte is op 29 augustus 2019 aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer ]4. De verdenking tegen verdachte is met name gebaseerd op de inhoud van zogenoemde PGP-berichten (waarbij PGP staat voor ‘Pretty Good Privacy’), die verdachte aan een medeverdachte en medeverdachten onderling aan elkaar zouden hebben verzonden.

Blijkens het proces-verbaal van identificatie d.d. 6 augustus 20195 kan de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 1] (hierna: het Vf7-adres) waarmee dergelijke berichten zijn verzonden, worden geïdentificeerd als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] . Dit betreft verdachte.

Uit voornoemd proces-verbaal blijkt dat met het Vf7-adres is gecommuniceerd in de periode van 20 juli 2015, 14:47:07 uur tot en met 11 augustus 2015, 12:54:34 uur.

In de onderzochte dataset zat alleen communicatie tussen dit Vf7-adres en het e-mailadres [e-mailadres 2], waarbij het Vf7-adres altijd het versturende e-mailadres was. De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 2] is geïdentificeerd als [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] .

Het eerste verstuurde bericht door het Vf7-adres is op 20 juli 2015 om 14:47:07 uur aan [medeverdachte 2] verzonden en heeft de volgende inhoud: “Oke yoo met bril”. In het proces-verbaal wordt door de verbalisant beschreven dat het gebruikelijk is dat iemand bij het in gebruik nemen van een nieuw PGP-toestel daarmee contact opneemt met PGP-toestellen van personen met wie gecommuniceerd moet worden. Zo kunnen andere personen het nieuwe e-mailadres opslaan in de contactenlijst van hun eigen PGP-toestel. In dat geval zal duidelijk moeten worden gemaakt wie er dan gebruik maakt van dat nieuwe e-mailadres. Dit gebeurt veelal door in het bericht een bijnaam te noemen. Het is daarom volgens de verbalisant zeer waarschijnlijk dat de gebruiker van het Vf7-adres in zijn kennissenkring bekend is onder de bijnaam ‘Bril’.

Vervolgens worden in het proces-verbaal een aantal feiten en omstandigheden aangehaald op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachtes bijnaam ‘Bril’ is. Een van die omstandigheden is dat verdachtes telefoonnummer in de contactenlijst van een medeverdachte die (in aanwezigheid van verdachte) in een andere zaak werd aangehouden, opgeslagen stond onder de naam ‘Bril’. Daarnaast bleek de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 3] in berichten ‘brada bril’ te worden genoemd. ‘Brada’ is straattaal voor broer(tje) en de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 3] is geïdentificeerd als [naam broer] , geboren op [geboortedatum] 1983, zijnde een broer van verdachte.

Ook de periode waarin voornoemd Vf7-adres actief is geweest, is relevant voor de vaststelling dat verdachte daarvan (onder de bijnaam Bril) de gebruiker is geweest. Zo blijkt uit het dossier dat verdachte op 15 juli 2015 is aangehouden in het onderzoek 26Koper en dat de communicatiemiddelen die tijdens de doorzoeking in zijn woning (een Nokia en een Blackberry Q10) werden aangetroffen, in beslag zijn genomen. In dat licht is het aannemelijk dat hij na zijn invrijheidsstelling op 16 juli 2015 een nieuw PGP-toestel in gebruik heeft genomen, en dat hij zich daarmee op 20 juli 2015 bij [medeverdachte 2] heeft gemeld met het bericht: ““Oke yoo met bril”.

Ten slotte is ten aanzien van het moment van buiten gebruik stelling van het Vf7-adres van belang dat verdachte op 11 augustus 2015, om 14:20 uur (opnieuw) werd aangehouden in het onderzoek 26Koper, dat er in zijn fouillering een Blackberry (PGP-) toestel aanwezig was, en dat kort voor de aanhouding van verdachte een ‘wipe verzoek’ werd gedaan voor het PGP-toestel met voornoemd Vf7-adres.6 Verdachte werd op 11 augustus 2015 om 14:20 uur aangehouden en de bevestiging aan Junior van de ‘wipe’ werd die dag omstreeks 15:45 uur verstuurd7. De reeks berichten die in voornoemde periode vanaf het Vf7-adres werd verzonden, is rond het moment van de aanhouding van verdachte tot een einde gekomen.

Voorgaande belastende feiten en omstandigheden vragen naar het oordeel van het hof om uitleg van verdachte. In plaats van een redelijke, voornoemde redengevendheid ontzenuwende verklaring, heeft verdachte evenwel geen vragen willen beantwoorden omtrent bijnamen, gestelde koppelingen tussen e-mailadressen en PGP-berichten en de inhoud van die berichten. Door de verdediging is ter zitting van het hof bevestigd noch ontkend dat voornoemde koppeling tussen voornoemd e-mailadres en verdachte juist is. Volgens de raadsman is in ieder geval geen sprake van een erkenning van verdachte dat hij de aan hem toegeschreven berichten heeft verzonden, zoals de rechtbank heeft aangenomen. De uitlating van verdachte ter zitting in eerste aanleg op 4 december 2019 die tot die aanname van de rechtbank heeft geleid, zou verkeerd begrepen zijn.

Hoewel het hof er - anders dan de rechtbank - inderdaad niet vanuit gaat dat verdachte heeft erkend dat de berichten van hem zijn, neemt dit niet weg dat dit op grond van voornoemd proces-verbaal van identificatie van 6 augustus 2019 wél kan worden vastgesteld. Op basis van het hiervoor overwogene, alsmede de overige in het proces-verbaal van identificatie genoemde feiten en omstandigheden, stelt het hof vast dat verdachte zijn bijnaam ‘Bril’ is en dat hij degene is geweest die de berichten met e-mailadres [e-mailadres 1] heeft verzonden.

Inhoud berichten

In een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2019 (‘verstrekkingsproces-verbaal voor het onderzoek 25TGORudolf met betrekking tot de Ennetcom berichtgeving’) wordt beschreven dat er een verband lijkt te bestaan tussen het onderhavige onderzoek en het onderzoek met de naam ‘26Koper’.

Het onderzoek 26Koper is in het jaar 2015 bij de Landelijke eenheid van de politie gestart. Op 15 juli 2015 zijn in het onderzoek 26Koper diverse verdachten aangehouden, in verband met de voorbereidingen van het plegen van moord en het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid wapens.8

Blijkens voornoemd proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2019 hebben twee in dat onderzoek veroordeelde verdachten bij de spy(web)shop in [plaats 2] (gevestigd aan de [adres] ), alwaar [slachtoffer ] werkzaam was, in het verleden twee bakensets en een alarmset aangeschaft ter waarde van circa 7000 euro. De spyshop verkocht producten die bij kunnen dragen aan (contra)spionage, maar ook beveiligingsproducten zoals camera’s. Daarnaast verleende de spyshop als dienst ook het sweepen van voertuigen.

De spyshop had ten tijde van het ten laste gelegde feit twee eigenaren, [naam eigenaar 1] en [naam eigenaar 2] . [naam eigenaar 1] heeft verklaard dat de recherche van [plaats 3] bij het bedrijf is geweest voor het afnemen van een verklaring omtrent de aankoop van een tracker. De persoon die de tracker had gekocht bij de spyshop was één van de personen van de groep die een aantal maanden daarna is opgepakt met vuurwapens (onderzoek 26Koper).

Uit de berichtgeving die vanaf 28 juli 2015 is gestuurd tussen verschillende personen, waaronder [naam] , [medeverdachte 2] , medeverdachte [medeverdachte 3] en verdachte, blijkt dat er bij deze verdachten het vermoeden bestond dat de spyshop had samengewerkt met de politie en dat dat tot de aanhoudingen in het onderzoek 26Koper had geleid.

Het hof acht voor de beoordeling van het ten laste gelegde feit de volgende berichten van belang.9

Op 29 juli 2015 om 00:46 uur wordt door verdachte een bericht verstuurd over ‘de spay’. Uit het vervolg van de berichten, waarin over ‘zweapen’ (het hof begrijpt: sweepen) van auto’s wordt gesproken, en “die kale ouwe die een porsche cajen heeft en vroeger ‘scoutoe’ was”, kan worden afgeleid dat verdachte het over de spyshop in [plaats 2] heeft. De eigenaar van de spyshop, [naam eigenaar 1] , betreft een voormalig rechercheur van de politie (‘scotu’ is straattaal voor politie) en had destijds een Porsche Cayenne op zijn naam staan. Bovenop zijn hoofd was hij kaal. De betreffende berichten luiden:

Na 29 juli 2015 worden er veel berichten verstuurd door [medeverdachte 3] waaruit blijkt dat hij vanaf 29 juli 2015 tot aan de moord op [slachtoffer ] , bezig is geweest met het observeren van de spyshop in [plaats 2] en het beoogde slachtoffer. Hij heeft kentekens genoteerd en heeft personen gevolgd.

Gaandeweg is kennelijk het vermoeden ontstaan dat [medeverdachte 3] zich bij zijn observaties op het verkeerde slachtoffer heeft gericht:

Vervolgens is verdachte ingeschakeld om aan te geven welke man bedoeld is. Hij geeft aan dat hij in de buurt van de spyshop bij een bushalte gaat zitten, bij het kanaal (“bij de kenaal”), waarna hij aan [medeverdachte 3] zal aangeven of hij de goede heeft:

Er zijn op 10 augustus 2015 om 17:24 uur en 17:31 uur berichten verstuurd door verdachte naar de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres 4], die geïdentificeerd is als medeverdachte [medeverdachte 3] (bijgenaamd ‘Dodi’).10

Blijkbaar hebben verdachte en [medeverdachte 3] op 11 augustus 2015 met elkaar afgesproken, hetgeen [medeverdachte 3] in de ochtend van 11 augustus 2015 aan [medeverdachte 2] heeft laten weten:

Uit de navolgende berichten blijkt dat verdachte daadwerkelijk een persoon heeft aangewezen, waarna hij [medeverdachte 2] het volgende bericht heeft gestuurd: “geef hem 3 dagen om goed alles te kijken bij deze dan kan tie gaan sir”. [medeverdachte 3] stuurde op zijn beurt naar [medeverdachte 2] dat hij nu weet welke auto de baas rijdt: “morgen volg ik. Hem na hus.” Kennelijk gaat hij hem de volgende dag naar huis volgen. Hij geeft aan het kenteken nog te moeten opschrijven. Uit het dossier blijkt dat de indruk bij verdachten dat [slachtoffer ] de baas van de spyshop was, kan zijn ontstaan omdat [slachtoffer ] altijd bij transacties met hogere bedragen werd betrokken.11

Tussen 11 augustus 2015 en 7 september 2015 zijn er veel berichten verstuurd door [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] over zijn bevindingen rondom het ‘spotten’. Hij heeft onder andere aangegeven dat hij naar het huis (‘osso’) van de man gaat, om te kijken of de auto voor de deur staat.

Voor zover van belang luiden de berichten vanaf 7 september 2015:

Blijkbaar zou de liquidatie aanvankelijk op 8 september 2015 plaatsvinden, maar is dit een dag later geworden, op 9 september 2015, omstreeks 18:22 uur.

Aangezien er telkens twee uren moeten worden opgeteld bij de in de opgenomen tabellen vermelde tijd (zoals hiervoor vermeld), zijn de volgende berichten kort na de liquidatie verstuurd:

Ten slotte is blijkens de berichtgeving na de liquidatie tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]

kortgesloten of de juiste persoon is gedood, hetgeen door [medeverdachte 3] is bevestigd.

Juridisch kader

Het hof stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.

Ingeval het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het gronddelict, moet het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband houden met het gronddelict. Of van een dergelijk verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Doorgaans kan worden aangenomen dat dit verband bestaat indien het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Maar ook in andere gevallen, waarbij zowel de aard van het gronddelict als de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang zijn, kan sprake zijn van een dergelijk verband.

Oordeel hof

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat verdachte gedurende de periode van 29 juli 2015 tot en met 11 augustus 2015 aan medeverdachte [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] inlichtingen heeft verschaft over [slachtoffer ] , de spy(web)shop en diens medewerkers.

De hierboven opgenomen PGP-berichten geven een helder beeld van de samenwerking tussen verdachten in de aanloop naar de moord. De berichten kunnen naar het oordeel van het hof niet anders worden geïnterpreteerd dan dat verdachte [slachtoffer ] aan medeverdachte [medeverdachte 3] heeft aangewezen als de persoon die hij diende te observeren teneinde het voor de schutter mogelijk te maken om hem te liquideren.

Hoewel de raadsman er terecht op heeft gewezen dat verdachte in zijn berichten aanvankelijk sprak over het afpersen van personen, is de rode lijn in de berichten dat verdachten vinden dat er maatregelen moeten worden getroffen richting mensen van de spyshop. Gaandeweg wordt duidelijk dat dit zover gaat dat zij willen dat er iemand geliquideerd wordt.

De hulp die verdachte heeft geboden is zodanig van aard dat hierin het opzet op medeplichtigheid zit ingebakken. Wat de opzet op het gronddelict betreft is van belang dat uit de inhoud van de berichten volgt dat verdachte wetenschap heeft gehad van het feit dat zijn inlichtingen van belang waren voor het uitvoeren van de liquidatie. Het hof wijst in dit kader op verdachtes berichten van 29 juli 2015 waarin wordt gesproken over mensen van de spyshop, wachten op berichten van de spotter en - in het bijzonder - zijn bericht “Oke jah dan alle 2 maar pitten geen een over laten”. Pitten is straattaal voor vermoorden. Dat het werkelijk over het doden van iemand ging, wordt bevestigd door de zinsnede ‘geen een over laten’. Dit past bij het feit dat er ten tijde van dit bericht nog onduidelijkheid bestond over wie van de oudere mannen bij de spyshop de persoon was die met de politie zou hebben gesproken.

Naast het voorgaande is ook verdachtes bericht op 11 augustus 2015 om 13:16 uur, voor het bewijs van het opzet op het gronddelict van belang. Verdachte stuurde op dat moment, nadat hij het beoogde slachtoffer had aangewezen, namelijk: “hij (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) weet nu wie geef hem 3 dagen om goed alles te kijken bij deze dan kan tie gaan sir”.

De suggestie van de raadsman over mogelijke andere bedoelingen acht het hof gelet op de inhoud en de context van de overige berichten, niet aannemelijk.

Ten slotte stelt het hof vast dat verdachtes inlichtingen ook daadwerkelijk effectief voor de levensberoving zijn geweest. Het verweer van de raadsman dat dit niet zo zou zijn, treft geen doel. Verdachte heeft [slachtoffer ] immers aangewezen aan [medeverdachte 3] , toen deze kennelijk twijfels had over het doelwit. [slachtoffer ] is vervolgens geliquideerd. Dat [slachtoffer ] de man is die door verdachte is aangewezen blijkt uit het berichtje van [medeverdachte 3] na de liquidatie “(“dat is die man die bril mij heeft aangewezen”). Dat verdachte mogelijk niet op de hoogte is geweest van de precieze uitvoering van de liquidatie en ten tijde van de liquidatie zelf gedetineerd was, staat aan een bewezenverklaring niet in de weg. Zoals hiervoor is overwogen hoeft het opzet van de medeplichtige niet de precieze wijze van de uitvoering van het gronddelict te omvatten.

Conclusie

Verdachte heeft een effectieve medeplichtigheidsgedraging verricht, bestaande uit het aanwijzen van de door [medeverdachte 3] te observeren persoon met de liquidatie van deze persoon als uiteindelijke doel. Het voor medeplichtigheid vereiste dubbel opzet kan uit de in dit arrest aangehaalde bewijsmiddelen worden afgeleid. In de samenwerking met [medeverdachte 3] ligt besloten dat sprake is van het medeplegen van medeplichtigheid aan moord. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het onderhavige procesdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de betrokkenheid van [medeverdachte 1] als medepleger, zoals is ten laste gelegd. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte derhalve worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

één onbekend gebleven persoon op 9 september 2015 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer ] (hierna te noemen: [slachtoffer ] ) van het leven heeft beroofd, immers heeft die onbekend gebleven persoon met een vuurwapen een aantal kogels in het lichaam van die [slachtoffer ] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer ] is overleden,

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 28 juli 2015 tot en met 11 augustus 2015 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte 3] opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk inlichtingen heeft verschaft, door

- post te vatten op een locatie met zicht op de werklocatie van [slachtoffer ] , te weten de Spywebshop gelegen aan de [adres] te [plaats 2] , en op een locatie, gelegen langs de route die [slachtoffer ] van zijn werklocatie naar zijn woning en vice versa aflegde, en

- inlichtingen aangaande:

* de vermoedelijke rol van [slachtoffer ] binnen voornoemde Spywebshop, en

* de identificatie van [slachtoffer ] als degene die verdachte en/of anderen (door verdachte aangeduid met 'hun' en/of 'de boys') in het verleden zou hebben geholpen en spullen aan hen zou hebben verkocht, en op hun verzoek een of meer auto's zou hebben ge-sweep't (onderzocht op aanwezigheid van zenders en/of trackers), en een of meer van hen zou hebben verraden ('genaaid'), en/of tegen de politie zou hebben gepraat en/of de politie informatie zou hebben gegeven en

* het signalement van [slachtoffer ] en

* de werkplek van [slachtoffer ] binnen de Spywebshop, en

* overige omstandigheden rondom die [slachtoffer ] ,

al dan niet via een tussenpersoon te verschaffen aan die onbekend gebleven persoon.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van medeplichtigheid tot het medeplegen van moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte op 9 maart 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest.

Standpunten

De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis te bevestigen, ook waar het de strafoplegging betreft. Volgens hem hoeft niet in strafmatigende zin rekening te worden gehouden met de gevolgen van de Wet Straffen en Beschermen die op 1 juli 2021 in werking is getreden, waarbij de duur van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is beperkt tot maximaal twee jaren.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting van het hof op het standpunt gesteld dat de door de rechtbank opgelegde straf in vergelijking met andere zaken een disproportionele straf is, gezien het minimale aandeel dat verdachte in deze zaak heeft gehad. De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte bij de uitvoering van het delict geen enkele rol heeft gespeeld en op dat moment zelfs gedetineerd was. Naast de geringe bijdrage van verdachte aan het delict, heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte ten tijde van de moord geen relevante documentatie had. Onder verwijzing naar uitspraken van rechtbanken en hoven in andere strafzaken, heeft de raadsman geconcludeerd dat in geval van een bewezenverklaring de gevangenisstraf niet hoger zou moeten zijn dan 4 jaar. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat indien het hof een gevangenisstraf van meer dan 6 jaar zou opleggen, er rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de wetswijziging van 1 juli 2021 met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Kader

Zoals bij de bewijsoverweging uiteen is gezet, is verdachte tezamen en in vereniging met een ander medeplichtig geweest aan de moord op [slachtoffer ] op 9 september 2015. Moord behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. De wetgever heeft voor moord als maximumstraf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaar vastgesteld. In geval van een veroordeling ter zake van medeplichtigheid wordt het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf met een derde verminderd. Dit betekent dat de maximumstraf die aan verdachte kan worden opgelegd een gevangenisstraf van 20 jaren is.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Uit een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 13 juli 2021, blijkt dat hij in 2016 onherroepelijk is veroordeeld ter zake van overtreding van de Wet wapens en munitie, deelname aan een criminele organisatie en overtreding van de Opiumwet tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is gezien het voorgaande van toepassing.

Overwegingen

[slachtoffer ] is op nietsontziende wijze op klaarlichte dag, op de openbare weg voor zijn woning doodgeschoten. Een toevallige, minderjarige passant is daarvan getuige geweest en de schoten waarmee [slachtoffer ] om het leven werd gebracht, zijn door zijn vrouw gehoord. Meerdere omwonenden hebben het slachtoffer na afloop in zijn auto zien zitten.

De moord op [slachtoffer ] heeft immens veel leed veroorzaakt voor zijn echtgenote en dochters, hetgeen treffend verwoord is in de slachtofferverklaring die ter zitting van het hof is afgespeeld. De nabestaanden moeten leren leven met het enorme gemis, dat tot op heden een grote impact op hun leven heeft. Zoals in het vonnis is overwogen, hebben zij jarenlang in het duister getast naar het waarom van de moordaanslag op [slachtoffer ] . Pas na de ontsluiting van de Ennetcom-berichten is er meer zicht gekomen in het motief achter de moord. Het is schokkend dat [slachtoffer ] enkel vermoord lijkt te zijn om een signaal af te geven aan de buitenwereld, namelijk dat samenwerken met de politie met de dood wordt bekocht. Het besef van het gemak en de volstrekte willekeur waarmee [slachtoffer ] tot doelwit is gemaakt, moet voor de familie en andere nabestaanden niet te verkroppen zijn.

Naast de gevolgen voor de directe omgeving van [slachtoffer ] , is van belang dat een dergelijke liquidatie een delict is dat de rechtsorde ernstig schokt en waardoor in de samenleving heftige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg worden gebracht.

Verdachte heeft willens en wetens meegewerkt aan dit buitengewoon ernstige strafbare feit. Hoewel verdachtes rol wat frequentie en intensiteit betreft minder ver gaand is dan die van zijn medeverdachte [medeverdachte 3] , heeft hij door het aanwijzen van [slachtoffer ] een cruciale bijdrage geleverd aan de moord. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, ziet het hof daarom geen enkele aanleiding om verdachte aanzienlijk lager te straffen dan [medeverdachte 3] , die voor zijn rol in deze zaak (vóór de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen) is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren.

Het hof volgt de rechtbank niet in de overweging dat is gebleken dat verdachte van harte (‘met plezier’) aan de moord heeft meegewerkt. Wel is evident dat hij geen enkel respect heeft getoond voor het leven van [slachtoffer ] en dat hij zich niet heeft laten weerhouden door het verdriet dat diens nabestaanden zou worden aangedaan.

Ter zitting in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft verdachte verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen en berouw getoond. Door zijn weigering om inhoudelijk over het ten laste gelegde feit en zijn bijdrage daaraan te verklaren, is geen inzicht verkregen in verdachtes motieven en denkbeelden. Dit maakt dat er weinig plek is om in strafverminderende zin met gevoelens van genade rekening te houden. Dat verdachte zich heeft ingelaten met een criminele organisatie waarbij repercussies niet worden geschuwd, is iets dat voor verdachtes eigen rekening en risico komt.

Conclusie

Gelet op het hiervoor overwogene, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf van 13 jaren, met aftrek van voorarrest, een passende bestraffing.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof evenwel van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met de inwerkingtreding van de Wet beschermen en straffen van 1 juli 2021. Deze wet strekt tot wijziging van de regeling inzake detentiefasering, waaronder in het bijzonder de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, in de Penitentiaire beginselenwet en in het Wetboek van Strafrecht. Veroordeelden zullen niet meer automatisch in aanmerking komen om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. Daarnaast zal de periode waarin een veroordeelde via een voorwaardelijke invrijheidstelling kan werken aan zijn resocialisatie worden gehandhaafd op een derde van de opgelegde straf, met een maximum van twee jaar. Om gedetineerden optimaal te kunnen voorbereiden op terugkeer in de samenleving blijft detentiefasering bestaan.

Het hof stelt vast dat de onderhavige zaak reeds in november 2020 gereed was voor inhoudelijke behandeling. Het is niet aan verdachte toe te rekenen dat de zaak pas na 1 juli 2021 bij het hof kon worden behandeld. Nu het hof thans einduitspraak doet na 1 juli 2021, geldt dat bij het opleggen van eenzelfde straf als vóór 1 juli 2021, zoals de genoemde gevangenisstraf van 13 jaren, de maximale feitelijke duur van de vrijheidsstraf ten nadele van de verdachte langer zal zijn. Het hof is van oordeel dat dit in het onderhavige geval niet voor rekening van verdachte dient te komen. Daarom zal de duur van de op te leggen gevangenisstraf worden gematigd.

Bij een gevangenisstraf van 13 jaar was verdachte onder de oude regeling vanaf 8 jaar en 8 maanden voor voorwaardelijke invrijheidsstelling in aanmerking gekomen. Het hof legt verdachte nu een gevangenisstraf van 10 jaar en 8 maanden op, met aftrek van voorarrest, zodat de feitelijke straf gelijk is als onder de oude regeling.

De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] , vertegenwoordigd door mr. W. van Egmond, heeft de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep ingetrokken. Het hof hoeft daar derhalve niet meer op te beslissen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 48, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren en 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. G.A. Versteeg en mr. L.J. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 3 september 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 september 2015, p. 1 e.v. van map 1, onderzoek 25TGORudolf;

2 Een schriftelijk stuk, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 16 september 2015, p. 134 e.v. van map 1 van het forensisch dossier, behorend bij onderzoek 25TGORudolf;

3 Een in de in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 september 2010, p. 6 e.v. van map 1, onderzoek 25TGORudolf;

4 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 29 augustus 2019, p. 1596 e.v. van map 4, onderzoek 25TGORudolf;

5 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van identificatie d.d. 6 augustus 2019, p. 1097 e.v. van map 3, onderzoek 25TGORudolf. NB: De tijdsaanduiding bij de berichten uit de Ennetcom-databank betreft UTC tijd. In Nederland geldt in de winter UTC+1 en in de zomer UTC+2. De tijdsaanduiding in de berichten is afhankelijk van de tijdsinstellingen op het betreffende telefoontoestel.

6 Door het ‘wipen’ van een telefoon wordt de data die in het PGP-toestel aanwezig is, op afstand gewist en kan door de politie geen belastende data meer worden aangetroffen in het PGP-toestel.

7 p. 1096, map 3

8 Ook verdachte is in dit onderzoek aangehouden en (inmiddels) onherroepelijk veroordeeld voor betrokkenheid bij feiten die deel uitmaken van het onderzoek 26Koper.

9 De weergegeven berichten zijn overgenomen uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2019, p. 1384 e.v. van map 4, onderzoek 25TGORudolf. Ook hier geldt dat de genoemde tijdsaanduidingen UTC-tijd betreffen. In Nederland geldt in de winter UTC+1 en in de zomer UTC+2. De tijdsaanduiding in de berichten is afhankelijk van de tijdsinstellingen op het betreffende telefoontoestel. Aangezien de meeste berichten in zomertijd zijn verstuurd, betekent dit dat er twee uren moet worden opgeteld bij de UTC tijd.

10 Proces-verbaal voorgeleidingsdossier d.d. 30 augustus 2019, p. 25 onderaan en p. 26 bovenaan, van map 1, en het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 oktober 2019, p. 1437.

11 Map 4, p. 1404, onderaan.