Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:8394

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-08-2021
Datum publicatie
02-09-2021
Zaaknummer
21-001837-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde.

Bevestiging van het vonnis met uitzondering van de vordering tenuitvoerlegging. Vordering tenuitvoerlegging afgewezen vanwege de positieve ontwikkeling van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001837-19

Uitspraak d.d.: 27 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 22 maart 2019 met parketnummer 16-652649-18 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-659023-16, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 september 2020 en 13 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T.S.S. Overes, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van de onder 3 tenlastegelegde mishandeling. Verdachte heeft onbeperkt hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering staat voor verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal verdachte daarom nietontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte bij bovengenoemd vonnis ter zake het onder 1 (poging tot doodslag) en het onder 2 (poging tot zware mishandeling) tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Daarnaast is aan verdachte de tbs-maatregel met voorwaarden opgelegd. De tbs-maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tot slot is de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de feiten 1 en 2 op juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis in zoverre bevestigen behalve voor zover het betreft de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging.

Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Daarnaast zal het hof een overweging wijden aan hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen met betrekking tot de opgelegde tbs-maatregel. Daarom dient het vonnis met aanvulling van de gronden te worden bevestigd.

Aanvulling van gronden

Oplegging van maatregel

De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat de behandeling van verdachte zodanig is gevorderd dat het verplichte tbs-kader niet langer nodig is. Het opleggen van voorwaarden in het kader van bijzondere voorwaarden wordt voldoende geacht. De verdediging heeft het hof daarom verzocht een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden.


De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld het tbs-kader ook thans nog noodzakelijk is. Uit de rapportages die zijn opgemaakt blijkt dat sinds begin dit jaar een stijgende lijn gaande is in de behandeling van verdachte. Deze ontwikkeling is nog pril en een strikt kader van behandeling is nu nog noodzakelijk.

Het hof overweegt als volgt.

De rechtbank heeft aan verdachte een gevangenisstaf van vier maanden opgelegd en daarnaast de tbs-maatregel met voorwaarden. De rechtbank heeft bij haar beslissing onder andere rekening gehouden met:

- een psychiatrisch rapport van 17 december 2018, uitgebracht door C.J. van Gestel, psychiater inhoudende – zakelijk weergegeven –: Verdachte lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en afhankelijke trekken. Ook lijdt hij aan een stoornis in het gebruik van alcohol, mild van ernst. Verdachtes intrapsychische dynamiek, waarin krenkbaarheid, spanningsopbouw en prikkelbaarheid en uiteindelijk een gebrekkige impulscontrole centraal staan, kan in alle partnerrelaties weer een risico zijn. Verdachte neigt zijn kwetsbaarheden te ontkennen of te externaliseren. Het recidiverisico is op dit moment laag, maar op termijn (als hij weer een relatie krijgt) hoog. De psychiater acht een langdurige vooral ambulante aanpak en een strak toezicht nodig. Een kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke celstraf is mogelijk. Omdat verdachte echter juist in dit kader is gerecidiveerd, acht de deskundige een tbs-maatregel met voorwaarden een betere borging van de noodzakelijke aanpak.

- een psychologisch rapport van 20 december 2018, uitgebracht door P.E. Geurkink, gezondheidszorg en forensisch psycholoog inhoudende – zakelijk weergegeven –: Verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in gebruik van alcohol. Hij heeft een kwetsbaar zelfbeeld en kan daardoor slecht tegen kritiek of confrontaties met zijn disfunctioneren. De kans op recidive wordt hoog geschat op de middellange termijn als verdachte zonder behandeling buiten moet functioneren en weer een relatie krijgt. Zorgelijk is het gebrek aan inzicht en de gebrekkige responsiviteit op behandeling. De behandeling en begeleiding om recidive te voorkomen zouden kunnen worden uitgevoerd in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel, maar de ervaringen uit het verleden stemmen niet hoopvol. Verdachte lijkt nu wel meer doordrongen van de noodzaak van het ondergaan van behandeling dan in het verleden. Er is misschien te weinig intrinsieke motivatie. Daarom is geadviseerd om een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen twee reclasseringsadviezen van 24 december 2018 en 5 maart 2019. De reclassering heeft zich aangesloten bij de rapporten van de psychiater en psycholoog en heeft een advies voor het opleggen van tbs met voorwaarden opgesteld.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op een rapport van 27 februari 2019, uitgebracht door [naam1] , ambulant hulpverlener van de organisatie [naam2] . [naam1] begeleidt verdachte sinds mei 2017. In de begeleiding van verdachte liep hij in eerste instantie tegen een aantal zaken aan. Verdachte was onder meer niet afspraaktrouw en gemakzuchtig. Na de detentie zag [naam1] een verbazingwekkend andere verdachte terug. Verdachte is schuldbewust en is pro actief in het terugpakken van de regie over zijn leven. Hij is trouw in het nakomen en plannen van afspraken met hulpverlening en hij accepteert hulp. Verdachte heeft duidelijk lering getrokken uit het laatste incident. Verdachte neemt zijn verantwoordelijkheid. [naam1] hoopt het proces zoals dat thans verloopt, te kunnen voortzetten.

In hoger beroep is een aantal rapporten aan het dossier toegevoegd die het hof hieronder nader zal bespreken.

Op 20 mei 2021 is een psychiatrisch rapport uitgebracht door drs. [naam3] , psychiater inhoudende:

“Samengevat kan er diagnostisch worden gesproken van een gebrekkige ontwikkeling

van de geestvermogens in de zin van een andere gespecificeerde

persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische trekken en een ziekelijke stoornis

van de geestvermogens in de zin van een stoornis in het gebruik van alcohol, matig,

in vroegtijdige remissie. Het recidiverisico op herhaling van huiselijk geweld wordt zonder

behandeling en zonder juridisch kader op de (middel)lange termijn als matig tot

hoog ingeschat. De kans op ander geweld – buiten huiselijk geweld – wordt als laag

ingeschat. Uit het voorliggende onderzoek is naar voren gekomen dat betrokkene alleen onder druk (voldoende) therapietrouw is, maar dat hij zonder externe druk aanzienlijk

moeilijker in beweging te krijgen is om mee te werken aan behandeling. Gezien de ernst van de huidige persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken en de verslavingsgevoeligheid voor alcohol blijft behandeling voorlopig noodzakelijk. Gezien de ernst van de tenlastegelegde feiten, het driemaal eerder veroordeeld zijn voor huiselijk geweld, de ernst van de huidige persoonlijkheidsstoornis, de beperkte interne motivatie voor voortzetting van de lopende behandeling, het beperkte probleembesef- en inzicht en het ingeschatte matige tot hoge recidiverisico op de (middel)lange termijn is voortzetting van de huidige ambulante behandeling in het kader van een tbs-maatregel noodzakelijk. Een minder dwingend kader biedt voor betrokkene te veel ontsnappingsmogelijkheden.”

Voorts beschikt het hof over een psychologisch rapport van 20 mei 2021, uitgebracht door [naam4] , psycholoog inhoudende – samengevat -:

“Onderzochte is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met narcistisch-afhankelijke en antisociale trekken.

De persoonlijkheidsstoornis met narcistisch-afhankelijke trekken is onder invloed van de positieve effecten van de behandeling bij De Waag (aanzienlijk) milder geworden. Tevens heeft betrokkene in de behandeling meer zicht gekregen op de risico's van excessief alcoholgebruik, en is hij er in geslaagd om vrijwel volledig abstinent te blijven van alcohol. Het voorgaande laat onverlet dat er (nog) niet op alle vlakken stabiliteit en voorspelbaarheid is verkregen en dat er enkele potentiële bronnen van (oplopende) spanningen bestaan. Op grond van voorgaande overwegingen wordt geconcludeerd dat de kans op herhaling van feiten als thans tenlastegelegd, op korte en middellange termijn klein is, en op de lange termijn in ongunstige, stresserende omstandigheden zou kunnen oplopen naar (hoogstens) matig. Op grond van de conclusie dat de kans op korte en middellange termijn relatief klein is en op lange termijn kan oplopen tot (hoogstens) matig, is overwogen om geen advies voor begeleiding en/of behandeling in een strafrechtelijk kader uit te brengen. Dit mede op grond van de overweging dat er een reële kans bestaat dat betrokkene en [naam5] , gelet op hun inzet en motivatie voor de behandeling en relatiegesprekken bij De Waag, bereid zullen zijn om de relatiegesprekken op vrijwillige basis voort te zetten. Betrokkene zou echter ook nog steeds - en nog meer - kunnen profiteren van voortzetting van de individuele therapie-gesprekken en de kans dat betrokkene die gesprekken op vrijwillige basis voortzet, lijkt minder groot. Gegeven die onzekerheid is het van belang om continuering van de huidige behandeling te waarborgen en daarmee het (hoogstens) matige risico op lange termijn voldoende af te dekken. Op basis van voorgaande overwegingen adviseert ondergetekende voortzetting van de huidige behandeling en begeleiding. Wat betreft het juridisch kader wordt overwogen dat, gegeven de positieve ontwikkeling en gunstige effecten van de behandeling, en een risico op recidive dat pas op lange termijn kan ontstaan, een TBS-kader niet langer nodig is. Begeleiding en behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke straf biedt voldoende mogelijkheden om betrokkene effectief te behandelen en voldoende waarborgen voor de maatschappelijke veiligheid.“

Het hof beschikt tevens over een Pro Justitia rapport psychiatrisch onderzoek, door [naam6] d.d. 26 januari 2021 dat is opgemaakt in het kader van de verlengingszitting van de opgelegde tbs-maatregel inhoudende – samengevat -:

“Bij betrokkene kan een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en afhankelijke trekken worden geclassificeerd, alsook een stoornis in het gebruik van alcohol, in remissie in een gereguleerde omgeving. Het risico op relationeel geweld binnen het lopende kader wordt laag/matig ingeschat en bij het plotseling wegvallen van het TBS-kader als (op den duur) matig/hoog. Alles overwegend is de inschatting dat bij deze optie de risico’s lager zijn dan voor de aanvang van de maatregel, maar dat de stok achter de deur om in behandeling te blijven (om risico’s verder te verlagen) en om abstinent te blijven niet stevig genoeg is als in de context van voortzetting van de maatregel. De Waag geeft aan, dat een verdieping van de behandeling nodig is, omdat “onderliggende oorzaak van de problemen nog niet aangepakt is”. Ook wordt beschreven dat “het volledig open kaart spelen en passend gedrag op tegenslagen soms nog ingewikkeld is” voor betrokkene. De toezichthouder schat in, dat het kader van de maatregel nodig is om abstinentie af te dwingen. Ook al heeft voortzetting van de maatregel nadelen, in de zin van extra druk op het gezinsleven, heeft het in het licht van risico-verlaging op de lange duur voordelen en derhalve geniet dit de voorkeur van ondergetekende.

De reclassering heeft op 3 februari (verlengingsadvies) 2021, 9 februari 2021 en 23 juli 2022 (het hof begrijpt 23 juli 2021) een advies uitgebracht. Daaruit komt naar voren dat het recidiverisico gemiddeld is. De inschatting is dat verdachte binnen het huidige kader met de huidige voorwaarden dermate functioneert dat de kans op recidive kan worden ingeschat als laag. Bij spanningen en problemen kan dit oplopen tot matig. Bij het wegvallen van het huidige kader is de kans aannemelijk dat de risico's zullen oplopen. Verdachte is immers nog niet klaar met de behandeling die zich richt op alcoholgebruik en het verstevigen van zijn relatie. Wanneer het kader wegvalt is de inschatting dat verdachte de behandeling niet zal continueren waardoor er geen interventies meer mogelijk zijn bij oplopende spanningen en de kans op alcoholmisbruik aanzienlijk toeneemt. De reclassering is van mening dat het huidige kader van de tbs met voorwaarden passend is en dat continueren hiervan onder de huidige voorwaarden geïndiceerd is.

Daarnaast geeft de reclassering in het rapport van 23 juli nog in overweging om het drugs- en/of alcoholverbod te wijzigen naar een drugsverbod. De reclassering vindt het passend om te monitoren hoe verdachte omgaat met alcohol wanneer dit in enige mate gedoogd zal worden. De mogelijkheden tot interventies zijn beperkter buiten een tbs-maatregel om. De reclassering is van mening dat het voortzetten van het huidige kader noodzakelijk is om beschermende factoren te verstevigen en vanuit hier toe te werken naar een meer stabiele leefsituatie.

Voorts zijn er diverse voorgangsverslagen beschikbaar. Daaruit komt naar voren dat er in het begin van het toezicht en de begeleiding veel zorgen waren over de situatie van verdachte. Conflicten in zijn relatie namen toe maar hij besprak dit niet met de toezichthouder en de begeleidende instanties. Hij ging in deze periode overmatig alcohol gebruiken en bleef weg van (verplichte) afspraken. In de eerste maanden van de tbs met voorwaarden werd dit vermijdende gedrag sterk waargenomen. Hij kwam afspraken niet goed na, en had veelvuldig geen geldige reden voor het niet nakomen van afspraken. Tevens overtrad hij het alcoholverbod en gaf hij onvoldoende openheid over wat er zich in zijn leven afspeelde. Na een aantal stevige waarschuwingen waarbij tevens werd ingezet op een korte klinische opname, die uiteindelijk geen doorgang heeft gekregen, lijkt hij doordrongen van het feit dat de huidige maatregel een dwingender karakter heeft met strengere voorwaarden. Het feit dat de klinische opname geen doorgang kreeg lag in de omstandigheid dat deze niet op korte termijn gerealiseerd kon worden door het NIFP/IFZ. Verdachte komt sinds de periode oktober/december 2020 zijn afspraken goed na, bij zowel de reclassering als bij overige instanties. Hij heeft aangegeven dat het strenge kader hem veel heeft opgeleverd. Hij heeft zijn leven meer op orde en er wordt gewerkt aan oplossingen voor problemen. Doordat hij de ondersteuning niet meer kan vermijden voelt hij zich gedwongen zijn leven op de rit te krijgen, hetgeen hem meer rust brengt en meer toekomstperspectief. Desalniettemin is het op het relatievlak nog altijd zeer onrustig.

In maart 2021 wordt gerapporteerd dat de afgelopen maanden de situatie rondom verdachte iets rustiger lijkt waar het gaat om spanningen in de thuissituaties. Hij heeft zich geconformeerd aan de voorwaarden in het kader van het toezicht en het toezicht zal op dezelfde wijze voortgezet worden. In juni 2021 wordt gerapporteerd dat De Waag constateert dat er momenteel een verdiepingsslag wordt gemaakt binnen de behandeling. De Waag stelde al langere tijd dat dit nodig werd geacht, verdachte toonde destijds hier weinig motivatie voor, maar inmiddels is er sprake van een positieve verandering.

Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat verdachte op dit moment een positieve en gemotiveerde houding heeft ten aanzien van de behandeling en dat hij zich de afgelopen maanden – behoudens het alcoholgebruik – heeft gehouden aan de gestelde voorwaarden. Alle rapporteurs zien dat verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt maar rapporteren ook dat de verdachte nog niet is uitbehandeld. Hoewel verdachte bereid is om behandeling te ondergaan wordt ook benoemd dat het onzeker is of en in hoeverre verdachte behandeling op vrijwillige basis zal voortzetten. Behoudens psycholoog [naam4] adviseren alle rapporteurs de behandeling voort te zetten in het huidige strafrechtelijke kader.

In de keuze voor een passende afdoening weegt het hof het volgende mee.

Een TBS-maatregel met voorwaarden biedt als voordeel een strikter kader met meer en snellere interventiemogelijkheden in het geval dat verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt. Anderzijds legt het veel druk op verdachte, omdat deze maatregel periodiek moet worden getoetst en eventueel een aantal keren kan worden verlengd. Een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden heeft als mogelijk nadeel dat verdachte gedetineerd raakt als hij zich niet aan de voorwaarden houdt en dat de noodzakelijk geachte behandeling naar men mag aannemen daar waarschijnlijk onder lijdt. Een voordeel van een voorwaardelijke gevangenisstraf is wel dat er een duidelijke termijn is waarbinnen verdachte wordt behandeld, waarbij er minder druk op verdachte ligt, maar er wel een stevige stok achter de deur is voor het geval het misgaat.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat het van het grootste belang is dat zoveel als mogelijk is, wordt gewaarborgd dat verdachte langdurig zal worden behandeld en begeleid en dat dit ook noodzakelijk is. Hoewel verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, waaronder het winnen van enig inzicht en zijn bereidheid behandeling te ondergaan, wordt het onzeker genoemd of verdachte ook buiten het strikte tbs-kaders de noodzakelijk behandeling zal ondergaan. Uit het oogpunt van de beveiliging van de maatschappij maar ook in het belang van verdachte om zijn behandeling met succes te voltooien, acht het hof het thans niet verantwoord te volstaan met een lichter juridisch kader dan de TBS met voorwaarden. Het hof sluit zich eveneens aan bij de voorwaarden zoals die door de rechtbank zijn geformuleerd. Het hof ziet geen aanleiding om de voorwaarde betreffende het alcoholverbod te wijzigingen, zoals door de verdediging en de reclassering is voorgesteld.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Midden-Nederland van 2 februari 2016 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden (parketnummer 16-659023-16). De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd om de voorwaardelijke gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf van 160 uren. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep hetzelfde gevorderd.

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering af te wijzen, dan wel om te zetten naar een taakstraf.

Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof toewijzing van de vordering niet opportuun. Het hof neemt in aanmerking dat verdachte wordt behandeld in het kader van tbs met voorwaarden, welke behandeling zijn vruchten afwerpt. Het hof acht het op dit moment raadzaam dat de verdachte verder wordt gestimuleerd in deze positieve ontwikkeling. Bedoeld als stimulans voor de verdachte en ter benadrukking dat de verdachte naar het oordeel van het hof op de goede weg lijkt, zal het hof de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 38, 38a, 38v, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Midden-Nederland, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 2 februari 2016, parketnummer 16-659023-16, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. E.M.J. Brink en mr. A. Meester, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,

en op 27 augustus 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.